Wet van Weber

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De wet van Weber hoort tot de wetenschap der psychofysica. Ze werd rond 1860 geformuleerd door Ernst Heinrich Weber en Gustav Theodor Fechner en staat ook wel bekend als de wet van Fechner en Weber.

Verbale formulering[bewerken]

De wet van Weber legt een verband tussen de kracht van fysische impulsen op de menselijke zintuigen (prikkels) en de intensiteit van de daarbij horende gewaarwordingen. Uitdrukkelijk: als fysische impulsen toenemen met constante verhoudingen, dan nemen de gewaarwordingen toe met constante verschillen.

Wiskundige formulering[bewerken]

Wiskundig uitgedrukt betekent dit: als een menselijk zintuig signalen ontvangt met respectievelijke sterkten

1\ldots a\ldots a^2\ldots a^3

dan vertaalt de menselijke waarneming dit in gewaarwordingen met respectievelijke intensiteit

x\ldots x+b\ldots x+2b\ldots x+3b

Dit houdt in dat gelijke verhoudingen in signaalsterkte zintuigelijk ervaren worden als gelijke verschillen. Dus zijn, op een additieve constante na, de gewaarwordingen evenredig met de logaritme van de impuls.

Voorbeelden[bewerken]

De wet is bevestigd in diverse gedaanten bij alle zintuigen, zo onder meer:

  • schatting van de kracht waarmee een houten staafje op de huid drukt;
  • schijnbare helderheid van puntvormige lichtbronnen (bijvoorbeeld sterren);
  • geluidssterkte;
  • toonhoogte.

Logaritmische meetschalen[bewerken]

De wet van Weber is er de oorzaak van, dat maatstaven van zintuiglijk waarneembare grootheden, vaak een logaritmisch karakter hebben. De meest gebruikelijke maat voor geluidssterkte is de decibelschaal. De helderheid van een ster drukken astronomen liever uit in haar magnitude (een logaritmische schaal) dan in, pakweg, haar vermogen (een lineaire schaal). Muzikanten geven de hoogte van een toon niet aan door zijn frequentie (een lineaire schaal), maar door een muzieknoot of iets wetenschappelijker door de cent (allebei logaritmisch).

Kritiek op de wet van Weber[bewerken]

In 1957 publiceerde de Amerikaanse psycholoog Stanley Smith Stevens materiaal waaruit zou blijken dat de gewaarwording evenredig is met een constante machtsverheffing van de stimulus (machtwet van Stevens).