Wet van de 22ste Prairial

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De wet van de 22ste Prairial van het jaar II (10 juni 1794) is een wet aangenomen in de Nationale Conventie en in Frankrijk bekend als La loi de la grande terreur (De wet van de grote ontzetting). Onder deze wet werd het mogelijk dat mensen onder de guillotine terecht kwamen vanwege een uitspraak als De natie kan me geen reet schelen; vanwege het maken van zure wijn, vanwege het omzagen van een vrijheidsboom of gewoon onder de noemer diverse samenzweringen.

De wet was ingediend door Georges Auguste Couthon en werd gesteund door Maximilien Robespierre en hield onder andere in dat vervolging, arrestatie en procesvoering door het Comité de salut public van verdachten die voor het Revolutionair Tribunaal moesten verschijnen op verontrustende wijze werd vereenvoudigd. De bevoegdheden van het Revolutionair Tribunaal werden uitgebreid, de mogelijkheden van de verdachten voor hun verdediging werd beperkt. Er werd bepaald, dat er bij ieder proces slechts twee mogelijke uitspraken waren: vrijspraak of de guillotine. De wet moedigde burgers tot spionage, waardoor er een sinistere sfeer in Frankrijk ontstond:

Iedere burger is gemachtigd samenzweerders en contrarevolutionairen te arresteren en bij de magistraten aan te brengen. Burgers zijn verplicht hen (samenzweerders en contrarevolutionairen) aan te geven, zodra zij op de hoogte zijn van hun contrarevolutionaire gezindheid en/of activiteiten.

Deze wet gaf aanleiding tot de bloedigste, laatste fase van de terreur, die anderhalve maand later op 9 Thermidor II eindigde met de val van Robespierre.

Bron[bewerken]