Wetenschappelijke methode

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Voorblad van René Descartes Discours de la Méthode uit 1637.

De wetenschappelijke methode is een systematische manier om kennis te vergaren. De methodes variëren tussen de formele, empirische of sociale wetenschap, maar ook daarbinnen is de nodige discussie en verandering van inzichten. Voor de meeste wetenschappen gelden als eisen empirische adequaatheid en logica.

Algemeen[bewerken]

De wetenschappelijke methode werd het eerst toegepast in exacte wetenschappen zoals natuurkunde en scheikunde, omdat daar veel gemeten en geëxperimenteerd kan worden aan natuurverschijnselen. Daar wordt met redenatietechnieken gewerkt zoals die uit de logica om een innerlijk consistente theorie (zonder innerlijke tegenstrijdigheden) of axioma op te zetten. Bij de humaniora (mens- of geesteswetenschappen) als filosofie, literatuurwetenschap, geschiedenis en cultuurwetenschappen is dit niet of veel minder het geval. Sociale wetenschappen als psychologie, sociologie en economie nemen in dit opzicht een tussenpositie in.

De wiskunde neemt een bijzondere principiële positie in: het is geen empirische wetenschap, maar gaat geheel uit van logica en bewijzen. Wat daar onder verstaan moet worden, wordt onderzocht in het zogenaamde grondslagenonderzoek.

Het begrip "wetenschappelijke methode" wordt vaak in de algemene betekenis gebruikt als aanduiding van de wetenschappelijke werkwijze. De suggestie hierbij is dat er een werkwijze is, maar binnen de wetenschap zijn er talloze werkwijzen. In grote lijnen kunnen we hierbij onderscheiden:

  1. de wetenschappelijke theorie-ontwikkeling volgens de empirische cyclus;
  2. de gestructureerde werkwijze bij het opzetten en uitvoeren van toegepast onderzoek;
  3. de vele wetenschapsgebiedspecifieke wetenschappelijke methoden.

De "wetenschappelijke werkwijze" kan ook duiden op de wisselwerking tussen empirie en theoretische ontwikkeling. Dit proces kan zich over decennia uitstrekken. Dit is de wisselwerking tussen fundamenteel en toegepast onderzoek: fundamenteel onderzoek (bijvoorbeeld wiskunde en theoretische natuurkunde) zoekt kennis "om de kennis", toegepaste techniek en onderzoek kan (soms pas na vele jaren) hieruit iets bruikbaars ontwikkelen.

Niet alle wetenschappers werken op dezelfde manier aan de uitbouw van kennis: sommige wetenschappers vertrouwen op inspiratie, intuïtie en inzicht, anderen zijn zeer systematisch in hun onderzoek. Toch moet altijd in de publicatie van de resultaten de werkwijze rationeel verantwoord worden. De exacte manier waarop de wetenschappelijke werkwijze wordt uitgevoerd, kan niet los worden gezien van de discipline en van de (politieke) context waarin ze wordt uitgevoerd en de (economische) druk op de wetenschapper.

Een variant op de strikte interpretatie van de wetenschappelijke methode is om te zeggen dat zij niet dient om kennis te vergaren, maar slechts ter verificatie van reeds vergaarde kennis.

Formele wetenschappen[bewerken]

In de formele wetenschappen, zoals logica en wiskunde, wordt gebruikgemaakt van deductieve of axiomatische methoden om de eigenschappen van formele abstracte systemen te beschrijven. Bij deductie wordt een gevolgtrekking gemaakt uit het algemene naar het bijzondere - vanuit de major-premisse wordt met een minor-premisse de conclusie afgeleid of gededuceerd.

Geldigheid van die deductie is daarbij onafhankelijk van waarheid van de conclusie, die afhankelijk is van de waarheid van de premissen.

Empirische wetenschappen[bewerken]

Bij de empirische wetenschappen als natuurkunde, scheikunde en biologie wordt vooral gebruikgemaakt van inductieve methoden. Hierbij gaat men van het bijzondere naar het algemene volgens de empirische methode. Het bijzondere bestaat uit een voorafgaande theorie of veronderstelling, waarnemingen, metingen, voorspellingen en experimenten en hieruit wordt geprobeerd tot een nieuwe, zo algemeen mogelijke hypothetische verklaringstheorie te komen waaruit vervolgens de waarnemingen gededuceerd kunnen worden. Bevestiging volgt als andere wetten of waarnemingen overeenkomen met de theorie of daar niet mee in strijd zijn, weerlegging als dit niet het geval is.

In plaats van alleen deductie of alleen inductie worden deze vaak gecombineerd, zoals in de empirische cyclus. Ook statistische waarheid wordt hier gebruikt.

Sociale wetenschappen[bewerken]

In de sociale wetenschappen wordt vaak gesteld dat de onderzoeker deel uitmaakt van de onderzochte werkelijkheid. Hier worden dan ook zowel deductie als inductie gebruikt, mede afhankelijk van de school en het soort onderzoek. Het positivisme zoekt aansluiting bij de methoden van de empirische wetenschappen. Daarnaast is causaliteit sterk verbonden met de betekenis die de actor geeft aan gedrag, handelen en interactie. De hermeneutiek stelt dan ook dat waarnemen niet voldoende is, maar dat het gaat om het verstehen, het interpreteren en verklaren waarmee achterliggende waarden of betekenissen achterhaald kunnen worden.

Max Weber stelde dan ook zowel causale als zinadequaatheid als noodzakelijk voor goed sociologisch onderzoek. Causaal adequaat is een gemaakt verband als er een statistische waarschijnlijkheid is tussen oorzaak en gevolg, een causaal verband. Een gemaakt verband is zinadequaat als het als zinvol wordt ervaren.

Hier gebruikt men onder meer de hypothetico-deductieve methode, de empirische cyclus en de multimethode.

Demarcatiecriterium[bewerken]

Verificatie[bewerken]

Lang is gesteld dat de wetenschappelijke methode pseudowetenschap kan onderscheiden van wetenschap. Voor de logisch-empiristen gold aanvankelijk het verificatiebeginsel als demarcatiecriterium. Volgens dit beginsel is het zinvol zegbare beperkt tot dat wat empirisch te verifiëren is. Een theorie die niet tot de onmiddellijke zintuiglijke indrukken kan worden herleid, is derhalve zinloos.

Confirmatie[bewerken]

Al snel bleek echter dat dit criterium te streng was. Het aantal individuele gevallen waar een theorie een uitspraak over kan doen, is in principe oneindig. Daarmee is het onmogelijk om een theorie volledig te verifiëren. Men gaf dit criterium daarom op ten gunste van het zwakkere criterium van confirmatie. Daarmee was volgens Carnap geen sprake meer van een deductieve of logisch dwingende relatie, maar van een inductieve relatie.

Corroboratie[bewerken]

Volgens Popper is het verificatiecriterium echter niet in staat om universele natuurwetten te onderscheiden van metafysische uitspraken. Hume had het inductieprobleem, of zoals Popper het noemde Humes probleem, al onderkend en duidelijk gemaakt dat waarnemingen niet kunnen leiden tot logisch te rechtvaardigen universele uitspraken. Om vervolgens Kants probleem op te lossen - hoe onderscheid te maken tussen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijke kennis - stelde Popper het falsificatiecriterium voor. Een theorie is dan wetenschappelijk als deze falsifieerbaar is, oftewel als het in beginsel mogelijk is een experiment uit te voeren, waarvoor geldt dat voorafgaand aan het uitvoeren van het experiment exact aan te geven valt, bij welke uitkomst de geldigheid van de theorie verworpen moet worden. Daarmee worden de wetenschappen volgens Popper gekenmerkt door de deductieve methode van falsificatie. Indien de cruciale test succesvol verloopt, dan is er volgens Popper geen sprake van verificatie of bevestiging, aangezien het niet uitgesloten kan worden dat er in de toekomst een test wordt uitgevoerd die de theorie weerlegt. Er is wel sprake van corroboratie, de theorie wordt versterkt.

Incommensurabiliteit[bewerken]

Kuhn stelde echter dat de cruciale test niet mogelijk was en dat paradigma's pas verworpen worden als er andere beschikbaar zijn. Ook in tijden van paradigmaverschuivingen zijn cruciale testen niet mogelijk, omdat elk paradigma een eigen conceptueel kader heeft, waarin de test een verschillende waarde heeft, wat Kuhn incommensurabiliteit noemde. Een gemeenschappelijke neutrale taal van waaruit objectieve feiten de doorslag moet geven, is uitgesloten door de Duhem-Quinestelling die stelt dat het niet mogelijk is om een afzonderlijke hypothese te testen, omdat het niet duidelijk is welk deel van de hypothese precies op de proef wordt gesteld.

Dat er geen logische dwingende redenen zijn om te kiezen, betekent volgens Kuhn niet dat er geen goede redenen kunnen zijn om een theorie te verkiezen. Het betekent ook niet dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat, maar slechts dat deze vanwege de Duhem-Quinestelling nooit volledig correct beschreven kan worden.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]