Wijsgerige antropologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Max Scheler wordt beschouwd als een van de bekendste filosofische antropologen.

De wijsgerige antropologie of filosofische antropologie bestudeert de filosofische vraag naar het wezen van de mens, dus wat de mens specifiek tot mens maakt. Men moet de wijsgerige antropologie begrijpen als een reactie op de secularisatie van de maatschappij, en dus het wegvallen van enig referentiekader waaruit de mens zijn plaats en zin kan halen.

Wijsgerig-antropologische vraagstukken[bewerken]

De filosofische antropologie reflecteert over de mens op zich; wat het wezen van de mens is. Zij vraagt dus naar wat de mens net tot mens maakt, en waaruit de menselijke natuur bestaat. Ze abstraheert echter wel van concrete personen, naar een meer algemeen niveau: ze bestudeert de mens als zodanig. Daarnaast bestaat de wijsgerige antropologie er ook in dat zij de mens als vragend wezen bestudeert. Hierdoor doet zij dus ook aan zelfreflectie, waar zij dus zowel een intern als extern standpunt ten opzichte van de onderzoeksobject inneemt.

De wijsgerige antropologie ziet de mens echter wel als een metafysische gegevenheid, die zelf niet in vraag wordt gesteld. Zo behandelt ze dus niet de kencapaciteiten van de mens, noch houdt zij zich primair bezig met de filosofie van de geest, en dus wat net de relatie tussen het mentale en het fysische in de mens is, en laat zij vragen over het bestaan van vrijheid en determinisme achterwege. Ook wil zij op de eerste plaats niet normatief zijn: zij spreekt zich niet uit over hoe de mens moet leven, hoewel ze uiteraard wel erkent dat het menselijke bestaan onlosmakend verbonden is met normen en waarden.

De wijsgerige antropologie fixeert zich vooral op de levenssituatie waarin de mens zich bevindt. Daarbij betrekt zij ook gegevens en feiten vanuit andere disciplines, zoals de natuurwetenschappen, psychologie, sociologie alsook linguïstiek. Een belangrijk uitgangspunt voor de wijsgerige antropologie is immers het onderzoeken van het gebruik van taal (de etymologie) door mensen. Door de specifieke begrippen die in een taal worden gebruikt vormt de taal een betekenisgevend systeem, met een overvloed aan levenswijsheid en mensenkennis. Wijsgerige antropologie biedt een reflexieve vorm van deze kennis, die zich heeft kunnen ontwikkelen uit deze primaire betekenissystemen. Ondanks dat de wijsgerige antropologie zich niet bezighoudt met kentheoretische problemen of problemen de geest staat zij niet los van die disciplines: er is een wederzijdse beïnvloeding: feiten die naar voor komen in die disciplines hebben onvermijdelijk ook invloed op het antropologisch denken.

Recentelijk wordt de wijsgerige antropologie ook met de vraag geconfronteerd of zij nog wel eens bestaansrecht heeft. Dit wil zeggen dat men zich afvraagt of zij nog wel echt een onderzoeksobject of bepaalde vragen heeft die niet door de menswetenschappen of de andere filosofische disciplines worden gedekt. Men kan echter stellen dat deze andere disciplines weliswaar een breed beeld van de mens geven, maar er niet geheel in slagen een adequaat en volledig dekkend beeld te geven van de menselijke conditie als zodanig. Zo blijven er nog vele vragen over waarmee de antropologie zich kan bezighouden. Enkele voorbeelden zijn:

  • Wat is de plaats van de mens in de kosmos?
  • In hoeverre behoort de cultuur tot de natuur van de mens?
  • Welke vaardigheden en talenten zijn een producent van de leefwereld van de mens?
  • Is de mens van nature goed?
  • Is altruïsme een vraag betreffende de geestelijke rede of materiële evolutie?
  • Wat houdt de gebondenheid van het menselijk denken en de taal net in?
  • Zijn er geslachtsspecifieke eigenschappen?
  • Welke rol speelt de zelfverwerkelijking in de arbeid bij de mens?
  • Zijn creativiteit en fantasie wezenlijke kenmerken van de mens?
  • Wat houdt het menselijke streven naar weten en begrijpen net in?
  • Streeft de mens uiteindelijk naar lustbevrediging, of ook naar meer?
  • Is er voor de mens een zin van het leven?
  • Kan de mens fenomenen als oorlog en geweld overwinnen of behoren ze tot zijn natuur?
  • Kan men rekening houdend met ieders specifieke natuur wel algemene oordelen maken over iets als de menselijke natuur?
  • De verhouding van lichaam & geest (of ziel): hoe verhouden lichaam en geest zich tot elkaar?
  • Visies op het ontstaan van de mens: zijn we een product van de evolutie of zijn we geschapen door God of goden?
  • Hoe verhoudt Cultuur zich als menselijke (geestelijke) pool tegenover levende natuur en dode materie
  • Wat is de rol van de symboliek van het menselijk lichaam (hand, gezicht), antropomorfisme of projectie?

Elke mens ontwikkelt door zijn eigen geschiedenis en karakter een eigen beeld van wat de mens nu net is. De opgave van de wijsgerige antropologie bestaat er dan ook uit deze verschillende beelden over de mens, zowel van de verschillende culturen als van de verschillende disciplines, samen te denken. Dit doet ze met als doel dat ze uiteindelijk toch in zekere mate principes kan bieden die kunnen dienen als een oriëntatie voor het menselijk leven. Anderzijds kan de filosofische antropologie geen antwoord bieden op alle filosofische vragen, want zij betrekt zich enkel op de mens zelf. Vragen naar het statuut van een wetenschappelijke theorie zoals in de wetenschapsfilosofie of de werkelijkheidswaarde van morele normen zoals in de ethiek vallen buiten haar onderzoeksdomein.

Geschiedenis[bewerken]

De filosoof Immanuel Kant wordt beschouwd als een van de grondleggers van de wijsgerige antropologie.

Men kan Immanuel Kant (1724-1804) als vertrekpunt zien van de filosofische antropologie, hoewel ook vroegere filosofen zoals Plato en Augustinus van Hippo zich hadden beziggehouden met de mens. Het is echter Kant geweest die de term "filosofische antropologie" naar voren bracht, en sterke invloed zou uitoefenen op verdere antropologen in de negentiende en twintigste eeuw.[1][2]

Na Kant wordt Ludwig Feuerbach beschouwd als een centraal figuur en grondlegger van de filosofische antropologie.[3][4] Verder zou het vooral het Duits idealisme een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de wijsgerige antropologie, met personen als Johann Gottlieb Fichte, Friedrich Wilhelm Joseph Schelling and Georg Wilhelm Friedrich Hegel.[1] Daarnaast speelde ook Søren Kierkegaard een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling. Rond de eeuwwisseling zouden ook filosofen als Friedrich Nietzsche, John Dewey en Rudolf Steiner belangrijke bijdragen leveren aan de filosofische antropologie.

Wijsgerige antropologie als specifieke discipline zou echter pas tijdens de Weimarrepubliek in Duitsland tot bloei komen, voortkomend en sterk verbonden met stromingen als de fenomenologie en het existentialisme. Zo richtte de fenomenologie, met Edmund Husserl en Martin Heidegger zich op de specifieke aard van de menselijke ervaring en het menselijk omgaan met de direct omgeving. Het existentialisme met Jean-Paul Sartre en Albert Camus concentreerde zich dan weer op de specifieke aard van de menselijke conditie en de confrontatie tussen de mens met de wereld. Centraal hierbij stonden vragen naar verantwoordelijkheid en zingeving voor de mens.

Max Scheler, een Duitse fenomenoloog, is bekend door het uitwerken van een uitgebreide filosofische antropologie. Scheler definieerde de mens niet zozeer als een "rationeel wezen" zoals de mens klassiek werd beschouwd, teruggaand op de definitie van Aristoteles, maar net als een liefhebbend wezen. Hij beschreef de mens als een drievoudig wezen, met een lichaam, een ziel en een geest. Liefde en haat zag hij niet als psychische emoties, maar als spirituele intentionele handelingen van een persoon. Scheler baseerde zijn wijsgerige antropologie vooral op een christelijke metafysica omtrent de geest.[5] Verder zouden Helmuth Plessner en Arnold Gehlen samen met Scheler waardoor ze sterk beïnvloed waren, beschouwd worden als de drie grootste vertegenwoordigers van de wijsgerige antropologie. Plessner zou, tevens gebaseerd op de fenomenologie, het concept van excentrische positionaliteit als typerend voor de mens ontwikkelen.

Verder van belang is ook de sterke invloed die de psychoanalyse heeft uitgeoefend op de wijsgerige antropologie. Zowel het werk van Sigmund Freud als opvolgers zoals Jacques Lacan biedt vele perspectieven op wat het wezen van de mens nu net kan zijn.

Andere belangrijke bijdragen aan de filosofische antropologie werden geleverd door :

Verder lezen[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Grolier (1981) The Encyclopedia Americana, Volume 21 p.768
  2. a b Martin Buber (1943) Das Problem des Menschen (The Problem of Man)
  3. Sarvepalli Radhakrishnan, Poolla Tirupati Raju (1966) The concept of man: a study in comparative philosophy p.490 .
  4. Judith Deutsch Kornblatt, Richard F. Gustafson (1996) Russian religious thought p.140.
  5. Wilkoszewska, Krystyna (2004) Deconstruction and reconstruction: the Central European Pragmatist Forum, Volume 2, p.129
  6. Hans Köchler, The Phenomenology of Karol Wojtyla. On the Problem of the Phenomenological Foundation of Anthropology, in: "Philosophy and Phenomenological Research", Vol. 42 (1982), pp. 326-334.