Wilde appel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Apple and Blossom (NGM XXXI p501).jpg

De wilde appel (Malus sylvestris) is een plant uit de rozenfamilie (Rosaceae). De soort komt voor in Europa en Zuidwest-Azië in heggen en kreupelhoutbosjes. Het is een kleine boom of struik. De hoogte kan 10 m bedragen, maar de plant is vaak kleiner. Van de wilde appel stammen de gekweekte rassen af: Malus domesticus. Soms wordt de plant nog als onderstam gebruikt, waarop de moderne rassen worden geënt, maar meestal worden zwakgroeiende onderstammen gebruikt. Wilde appels worden soms gekweekt als sierstruik.

[bewerken] Kenmerken

De wilde appel heeft een dichte, lage en koepelvormige kroon met dichte, kronkelende takken. De schors is grijsachtig bruin of donkerbruin. Vaak is deze gebarsten in rechthoekige stukjes. De twijgen zijn geribbeld en vaak gedoornd. De bovenkant is donkerpaars en de onderkant is bleekbruin. Er zitten kleine knoppen op met een lengte van 4-5 mm. Deze zijn donkerpaars en zijn bedekt met kleine haartjes.

De wilde appel heeft eivormige bladeren met een afgeronde of wigvormige voet. De bladeren zijn toegespitste en gekarteld of gezaagd. Het blad is circa 5 x 3 cm groot. De bladsteel is gegroefd en dicht behaard. Het blad is aan de bovenzijde heldergroen en aan de onderkant bleek en donzig.

De wilde appel heeft kleine bloemen met vijf witte kroonblaadjes met een roze waas. Er zijn veel gele meeldraden. De bloeiwijze is een schermvormige tros en zit aan de top van de korte loten.

Bloemen

De vrucht (de appel) is bolvormig en groenachtig geel met witte spikkels. Soms hebben ze een rood blosje. De top en basis hebben een indeuking. Wilde appels zijn zuur, maar smaakvol.

[bewerken] Gebruik

Behalve voor de sier of de appels kan de wilde appel ook voor het hout gehouden worden. Het roodbruine hout is hard en taai. Het heeft een fijne vezel en wordt gebruikt voor snijwerk en in de wagenmakerij.

[bewerken] Externe link

Persoonlijke instellingen