Wilde kardinaalsmuts

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wilde kardinaalsmuts
Euonymus europaeus Sturm20.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Celastrales
Familie: Celastraceae (Kardinaalsmutsfamilie)
Geslacht: Euonymus (Kardinaalsmuts)
Soort
Euonymus europaeus
L. (1753)
Argentré-du-Plessis - Euonymus europaeus - 20111104 (2).JPG
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) is een plant uit de kardinaalsmutsfamilie (Celastraceae). Het is een struik die van nature voorkomt in de Benelux. De plant wordt maximaal 3m hoog.

Etymologie[bewerken]

De Nederlandse naam verwijst naar de gelijkenis van de vrucht met het hoofddeksel van een kardinaal. Euonymus is samengesteld uit het Griekse eu (goed of waar) en onoma (naam). Theophrastus heeft deze heester genoemd naar Euony­me, moeder van de Furiën. Europaeus betekent "uit Europa".[1]

Verspreiding[bewerken]

De wilde kardinaalsmuts komt voor in Europa van zuidelijk Zweden, Ierland, Wales en Engeland, maar niet in Zuid-Oost Spanje, zuidelijk tot noordelijk Turkijë en noordelijk Iran, oostelijk tot in de Kaukasus. De soort is ook ingeburgerd in oostelijk Noord-Amerika, in een strook rondom de grens tussen de VS en Canada. In Nederland is de wilde kardinaalsmuts algemeen in de Zeeuwse en Hollandse duinen, vrij algemeen in het rivierengebied en in Zuid-Limburg, vrij zeldzaam in Noord-Brabant, de Achterhoek, Twente en Drenthe en zeldzaam in Zeeland, en gebieden met laagveen en zeeklei. In België de heester vrij algemeen in de duinen, de Leemstreek, langs de Maas en in Lotharingen, maar elders zeldzamer.[1]

Beschrijving[bewerken]

blad en bloemtros

De wilde kardinaalsmuts is een bladverliezende hoge struik of soms een kleine boom die bloeit aan het begin van de zomer en vaak opnieuw in de nazomer. De twijgen zijn opvallend donkergroen van kleur, vaak kantig door vier kurklijsten. De takken en bladeren staan kruiswijs tegenover elkaar, waarbij de zijtakken een min of meer loodrechte hoek maken. De winterknoppen zijn bedekt. De bladeren verschijnen voor de bloemen en zijn lichter groen dan de takken. Meestal komen er in de vroege zomer nieuwe bladeren, het sint-janslot, een eigenschap die de struik in staat stelt snel te regenereren na te zijn aangetast door vraat van stippelmotten of konijnen. De bladeren zijn ±5 cm lang, langwerpig met een spitse top, een wigvormige voet en een ondiep gezaagde rand. Aan de voet van de korte bladsteel (±½ cm) staan kleine steunblaadjes die relatief snel afvallen. In de herfst krijgen de bladeren een framboosrode kleur alvorens af te vallen. Uit de grond komen vaak waterloten, die sterk verkurkt zijn. Grotere bladeren hebben en deels een verspreide bladstand. De bloemen zijn klein (doorsnede ±8mm), met vier groene kelkblaadjes, vier afwisselend daarmee staande en langere witgroene vrije kroonblaadjes en vier voor de kelkblaadjes staande meeldraden. De stamper is bovenstandig en aan de basis omgeven door een schijf die nectar afscheidt. Gedurende de late zomer en de herfst worden de doosvruchten fel framboosrood, springen de vier hokken met overlangse spleten open en komt uit elk hok één zaad aan een dunne draad te hangen. De zaden zijn wit, maar helemaal omgeven door een feloranje zaadhuid.

Vaak zijn of de meeldraden of de stamper slecht ontwikkeld zodat de bloem functioneel eenslachtig is. Aan afzonderlijke planten komen alle mogelijke combinaties voor: uitsluitend mannelijke bloemen, uitsluitend vrouwelijke bloemen, uitsluitend tweeslachtige bloemen, mannelijke en vrouwelijke bloemen aan dezelfde plant, mannelijke en tweeslachtige bloemen aan dezelfde plant, vrouwelijke en tweeslachtige bloemen aan dezelfde plant, en vrouwelijke, mannelijke en tweeslachtige bloemen aan dezelfde plant. De meeldraden van tweeslachtige bloemen zijn eerder rijp dan hun stampers (protandrie), en voorkomen zo zelfbestuiving.[1]

Ecologie[bewerken]

De wilde kardinaalsmuts is een kensoort voor de klasse van de doornstruwelen (Rhamno-Prunetea). De plant komt voor in bossen en struikgewas, vooral in de duinen. De soort groeit bij voorkeur op kalkhoudende grond, vaak samen met sleedoorn, eenstijlige meidoorn, wegedoorn, en rode kornoelje. Kruisbestuiving wordt gedaan door insecten met korte tongen die de nectar oplikken van de schijf. Het zaad wordt door vogels zoals lijsters, mezen en roodborstjes gegeten en met de ontlasting verspreid. De plant herstelt zich goed na vraat door het maken van sint-janslot en waterlot. De bast van de kardinaalsmuts vormt een belangrijk aandeel van het wintervoedsel van konijnen die de twijgen schillen zo hoog als ze vanaf de grond kunnen reiken. De struik is de enige voedselbron voor de rupsen van de aangebrande spanner (Ligdia adustata), de kardinaalsmutsstippelmot (Yponomeuta cagnagella), en de waasjesstippelmot (Y. irrorella). De grootvlekstippelmot (Y. plumbellus) is zelfs gespecialiseerd op het blad van het waterlot. Aan de voet van dikkere stammetjes groeit de kardinaalsmutsvuurzwam Phyllophora ribis forma evonymi.[2] De wilde kardinaalsmuts bevat de stof dulcitol die op de eters van deze struik een grote aantrekkingskracht uitoefent.

Gebruik[bewerken]

Er zijn verschillende cultivars van de wilde kardinaalsmuts. Het hout is hard en kan gebruikt worden voor breinaalden, klossen en spintollen, vandaar de Engelse naam "spindle tree".[3] Voor mensen is de plant giftig. Bij inname kan men last krijgen van braken, buikloop, buikkrampen en sufheid. Vers blad of gedroogde bast en vruchten zouden zijn gebruikt tegen hoofdluis en huidaandoeningen.[4]

Externe link[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  1. a b c wilde kardinaalsmuts
  2. E.J. Weeda, Nederlandse Oecologische Flora, IVN, 1985
  3. Sunset Western Garden Book, 1995:606–607
  4. , The Encyclopedia of Herbs and Herbalism, Orbis Publishing, London ISBN 0-85613-067-2 (1979-00-00). geciteerd op Euonymus europaeus