Wilhelm Bittrich

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wilhelm Bittrich
Wilhelm Bittrich
Wilhelm Bittrich
Geboren 26 februari 1894
Wernigerode, Saksen-Anhalt, Duitse Keizerrijk
Overleden 19 april 1979
Wolfratshausen, Beieren, West-Duitsland
Land/partij Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Weimarrepubliek
Flag of German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Flag of German Reich (1935–1945).svg Flensburgregering
Onderdeel Cross-Pattee-Heraldry.svg Luftstreitkräfte
Flag of the German Empire.svg Vrijkorps
Flag of Weimar Republic (war).svg Reichswehr
Balkenkreuz.svg Heer (Wehrmacht)
Dienstjaren 1914 - 1945
Rang Ss-obergruppenfuhrer.jpg SS-Obergruppenführer en Generaal der Waffen-SS
Eenheid Jagdstaffel 37[1]
Flieger-Abteilung A 226[1]
Infanterie-Regiment 77
Reserve-Jäger-Bataillon 19[1]
7. Jäger Bataillon[1]
1. SS-Panzer-Division Leibstandarte-SS Adolf Hitler
Schutzstaffel SS.svg SS-Verfügungstruppe
Vlag van de Schutzstaffel Waffen-SS
Leiding over 2. SS-Panzer-Division Das Reich
II. SS-Panzerkorps
8. SS-Kavallerie-Division Florian Geyer
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

Onderscheidingen Ridderkruis met Eikenloof en Zwaarden

Wilhelm Bittrich (Wernigerode, 26 februari 1894Wolfratshausen, 19 april 1979) was een Duits militair. In de Tweede Wereldoorlog was hij commandant van een SS pantserkorps tijdens de Slag om Arnhem.

Bittrich meldde zich in 1914 als oorlogsvrijwilliger en begon zijn militaire carrière tijdens de Eerste Wereldoorlog bij het Jägerbataillon Nr 7. Op 15 september 1915 werd hij gepromoveerd tot reserve tweede luitenant. In 1916 liet hij zich overplaatsen naar de kersverse luchtmacht. Hij kreeg het IJzeren Kruis tweede klasse en eerste klasse als piloot bij de Jagdstaffel 37 en de Fliegerabteilung der Artillerie 226.

Direct na de oorlog werd hij lid van het Freikorps Hülsen. Vervolgens werkte hij enige tijd op een effectenkantoor.[2] Op 29 december 1922 trouwde hij met Käte Blume en in het jaar daarop ging hij bij de Reichswehr. Vanaf 1925 werkte hij in het Russische Lipetzk als vlieginstructeur bij de geheime opbouw van de Luftwaffe. Nadat het luchtvaartcentrum in Rusland in 1933 door het ministerie voor Bewapening was opgeheven, trad Bittrich in 1934 toe tot de SS in de rang van SS-Untersturmführer (luitenant). Hij hielp bij de opbouw van de SS-Standarte "Germania", en maakte snel carrière. Op 1 oktober 1936 werd hij gepromoveerd tot SS-Sturmbannführer (majoor) en op 30 januari 1938 tot SS-Obersturmbannführer (luitenant-kolonel). In datzelfde jaar werd hij commandant van de SS-divisie Deutschland. Op 1 juni 1939 volgde zijn benoeming tot SS-Standartenführer (kolonel).

Bittrich maakte de Poolse campagne mee in de staf van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler, waar hij commandant Sepp Dietrich bijstond in diens leidinggevende functie. Vervolgens werkte hij vanaf 1 februari 1940 op het SS-hoofdkwartier, om uniforme voorschriften voor de opleiding van de nu Waffen-SS genoemde SS-Verfügungstruppe op te stellen.

Op 1 september 1940 werd hij bevorderd tot SS-Gruppenführer en vanaf 1 december was hij als commandant van SS-regiment Deutschland weer actief aan het front. Hij leidde het regiment tijdens de Duitse inval in de Sovjet-Unie (Operatie Barbarossa), tot hij in oktober 1941 de gewond geraakte Paul Hausser verving als commandant van de SS pantserdivisie "Das Reich".
Voor zijn zelfstandig genomen besluit de verdedigingslinie bij Moskou te doorbreken, kreeg hij op 14 december 1941 het ridderkruis van het IJzeren Kruis.

Op 1 mei 1942 werd hem opgedragen uit de SS-cavalleriebrigade de SS-divisie Florian Geyer te formeren. Van augustus 1942 tot 15 februari 1943 was Bittrich commandant van deze divisie waarmee hij tot begin 1943 aan het centrale deel van het Oostfront vocht. Vanaf februari 1943 bouwde hij als leidinggevend officier de 9. SS-Panzer-Division Hohenstaufen op en per 1 mei 1943 werd Bittrich tot SS-Gruppenführer en luitenant-generaal van de Waffen-SS bevorderd. Zijn divisie verbleef vervolgens in België en Frankrijk, en werd daar in oktober 1943 omgevormd tot pantserdivisie. Vanaf maart 1944 vocht deze divisie als onderdeel van het II. SS-Panzerkorps in de oorlog tegen de Sovjet-Unie in de buurt van Tarnopol, waar het Bittrich lukte om het ingesloten 1. Pantserleger te ontzetten.

Na de Landing in Normandië op 6 juni 1944 werd het 2. SS-Panzerkorps met de Hohenstaufen-divisie en de Frundsberg-divisie naar Frankrijk overgebracht, waar Bittrich op 29 juni tot commanderend generaal van het legerkorps werd benoemd. Onder zijn leiding streed het pantserkorps allereerst aan het invasiefront, onder andere in de omgeving van Caen. Later doorbrak het op 20-21 augustus de omsingeling van de Zak van Falaise, waarbij zware verliezen werden geleden. Het 7e leger en het 5e pantserleger die daar waren ingesloten werden bevrijd. Voor zijn bij deze operatie betoonde leiderschap kreeg Bittrich op 28 augustus 1944 het eikenloof bij zijn ridderkruis, nadat hij per 1 augustus 1944 al tot SS-Obergruppenführer en generaal van de Waffen-SS was bevorderd.

Slag om Arnhem[bewerken]

Wilhelm Bittrich bespreekt de toestand van de Slag om Arnhem met Walter Model en Kurt Student, Heinz Harmel, Hans-Peter Knaust (september 1944)

Begin september werd het II. SS-Panzerkorps naar Nederland verplaatst, waar het in de buurt van Arnhem werd gelegerd om op verhaal te komen en opnieuw te worden uitgerust. Op 17 september begon in het gebied echter een geallieerde luchtlandingsoperatie, als onderdeel van operatie Market Garden. De aanwezigheid van Duitse pantsereenheden was door de Britse inlichtingenofficier majoor Brian Urquhart vastgesteld aan de hand van luchtfoto's, maar zijn waarschuwing werd door het geallieerde opperbevel genegeerd. Ook telefonische waarschuwingen door een verzetsgroep van Pieter Kruijff en Henri Knap werden door de Britten genegeerd.

Bittrich veronderstelde dat de geallieerden van plan waren het Ruhrgebied binnen te vallen. Hij meende dat de verkeersbruggen bij Nijmegen en Arnhem onontbeerlijk waren voor deze geallieerde plannen en stelde herhaaldelijk voor beide bruggen op te blazen, maar Walter Model wilde daar niets van weten.
Het lukte Bittrichs troepen de Britse 1st Airborne Division in te sluiten en ze zware verliezen toe te brengen. Op verzoek van de Britse divisiearts stelde hij op 24 september een wapenstilstand van twee uur in zodat tweeduizend gewonde Britten uit hun ingesloten positie konden worden vervoerd om in zijn ziekenzalen te worden verzorgd. Market Garden mislukte tenslotte totaal en de overlevende Britten trokken zich over de Rijn terug naar de Betuwe.

Ardennenoffensief[bewerken]

Op 16 december 1944 nam het 2. SS-pantserkorps als onderdeel van het 6. SS-pantserleger onder Sepp Dietrich deel aan het Ardennenoffensief. Bittrich had voor deze operatie de beschikking over de 9. SS-Panzerdivision Hohenstaufen de 2. SS-Panzerdivision Das Reich en de Führer Begleitbrigade. Aanvankelijk boekten ze enkele geringe successen, maar vervolgens liepen de aanvalspitsen van het korps zich meer en meer vast en leden ze zware verliezen door geallieerde luchtaanvallen.

Wegens het mislukken van het Ardennenoffensief en de aanstaande Russische offensieven in de zuidelijke sector van het Oostfront werd het 6. SS-pantserleger met Bittrichs korps in februari 1945 naar Hongarije overgebracht, maar het wist een doorbraak van het Rode Leger niet te verhinderen. Het 2. SS-pantserkorps werd vervolgens met de verdediging van Wenen belast. Nadat op 2 april 1945 de Slag om Wenen was begonnen, kreeg Bittrich op 9 april van het Oberkommando der Wehrmacht (OKW) het bevel Wenen "tot de laatste ademtocht" te verdedigen. In plaats daarvan trok Bittrich zijn troepen nog diezelfde dag uit de stad terug tot achter het Donaukanaal, om een zinloze vernietiging van de Weense binnenstad en het leegbloeden van zijn divisies te voorkomen. Aan een bevel van het OKW om Wenen te heroveren gaf hij geen gevolg. Achterhoedegevechten voerend trok Bittrich met zijn legerkorps naar het westen terug, tot hij op 8 mei door de Amerikanen werd gearresteerd.

Na zijn arrestatie werd hij in januari 1948 overgedragen aan de Franse militaire autoriteiten en uitgewezen naar Frankrijk. Nadat Bittrich de status van krijgsgevangene was toegekend, moest hij op 16 juni 1953 terechtstaan voor een militaire rechtbank in Marseille die hem vervolgde wegens oorlogsmisdaden op grond van de beschuldiging dat hij 17 leden van de Résistance had laten executeren in Nîmes. Tijdens het proces bleek echter dat Bittrich zo'n opdracht niet had gegeven en dat hij zelfs procedures tegen de verantwoordelijke officieren was begonnen. Als officier die het bevel voerde over de schuldigen werd hij verantwoordelijk gehouden voor het wangedrag van de onder hem vallende troepen en tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Omdat Bittrich lang in voorarrest had gezeten werd de straf beschouwd als uitgezeten. In 1953 moest hij voor de tweede keer terechtstaan, maar het Franse hof in Bordeaux sprak hem opnieuw vrij en in 1954 werd hij vrijgelaten.[3]

Bittrich was een van de bronnen voor Cornelius Ryan toen die onderzoek deed voor zijn boek A Bridge Too Far. Volgens Ryan waren Bittrich en zijn officieren zeer behulpzaam bij het ophelderen van tot dan toe onbekende feiten uit de slag. Daarnaast wilde Bittrich graag een detail uit zijn privéleven rechtzetten: hij werd in Britse bronnen ten onrechte omschreven als een musicus die dirigent wilde worden. Volgens Bittrich werd hij verward met zijn broer Gerhard Bittrich, een zeer getalenteerd pianist en dirigent.[4]

Bittrich overleed op 85-jarige leeftijd.

In de film A Bridge Too Far (1977) wordt Bittrich gespeeld door Maximilian Schell.

Militaire loopbaan[bewerken]

Registratienummers[bewerken]

  • NSDAP-nr.: 829 700 (1 december 1932)
  • SS-nr.: 39 177 (1 juli 1932)

Decoraties[bewerken]

  • Ridderkruis met Eikenloof en Zwaarden
    • Ridderkruis op 14 december 1941 als SS-Oberführer en Commandant van het SS-Infanterie-Regiment "Deutschland"[5]
    • Eikenloof (nr.563) op 28 augustus 1944 als SS-Obergruppenführer en als Bevelvoerende-generaal van het II. SS-Panzerkorps[6]
    • Zwaarden (nr.153) op 6 mei 1945 als SS-Obergruppenführer en als Bevelvoerende-generaal van het II. SS-Panzerkorps[7][8]
  • Duits Kruis in Goud op 6 maart 1943 als SS-Brigadeführer en Generaal-majoor der Waffen-SS en Commandant SS-Kavallerie-Division / 9.Armee (2.Panzer-Armee)[9]
  • IJzeren Kruis 1914
    • Eerste Klasse
    • Tweede Klasse
  • Erering van de SS
  • Gesp bij het IJzeren Kruis 1939
    • Eerste Klasse op 7 juni 1940[10]
    • Tweede Klasse op 25 september 1939[10]
  • Gewondeninsigne
    • Zwart in 1918
  • Pruisische Militaire Piloten Badge
  • Erekruis voor de Wereldoorlog met Zwaarden 1914/1918 in 1934
  • SS-Ehrendegen op 1 december 1937
  • Ere kenteken voor Oude Strijders in februari 1934[9]
  • SS-Lidmaatschapsspeld (nr.14 347)[9]
  • Duitse Ruiter onderscheiding in Brons[9]
  • Sportinsigne van de SA
    • Brons op 1 december 1937[9]
  • Trouwe Dienstmedaille van de NSDAP 10 jaar[9]
  • Erekruis voor Frontstrijders, 1914-1918[9]
  • Julleuchter der SS op 16 december 1935[9]
  • Vliegerinsigne van SA en SS (1932)[9]
  • Hij werd eenmaal genoemd in het Wehrmachtbericht. Dat gebeurde op:
    • 27 september 1944
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d http://www.geocities.com/~orion47/SS-POLIZEI/SS-Ogruf_A-G.html
  2. Cornelius Ryan A bridge too far, hoofdstuk 4
  3. Volgens Ryan werd Bittrich op 22 juni 1953 onschuldig verklaard en vrijgelaten (A Bridge Too Far deel 2, hoofdstuk 4)
  4. Cornelius Ryan A bridge too far, deel 2, hoofdstuk 4, voetnoot
  5. Fellgiebel 2000, p.134
  6. Fellgiebel 2000, p.87
  7. Geen bewijs van de onderscheiding is te vinden in het Duitse Nationaal Archief. De onderscheiding werd op onrechtmatige wijze gepresenteerd door SS-Oberstgruppenführer Sepp Dietrich. De datum is overgenomen uit de aankondiging van de 6. SS-Panzerarmee. Het volgnummer "153" werd toegekend door de [1] Ordensgemeinschaft der Ritterkreuzträger des Eisernen Kreuzes e.V. (OdR). Bittrich was lid van de (OdR).
  8. Fellgiebel 2000, p.48
  9. a b c d e f g h i "forum.axishistory"
  10. a b Thomas 1997, p.47