Wilhelm Raabe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wilhelm Raabe

Wilhelm Raabe (Eschershausen, 8 september 1831Brunswijk, 15 november 1910) was een Duits schrijver van romans en novellen uit het poëtisch realisme.

Leven[bewerken]

Raabe werd nabij Brunswijk geboren als zoon van een gerechtelijk beambte. Hij ging in Wolfenbüttel naar school, maar heeft het gymnasium nooit afgemaakt. Zijn vader stierf in 1845. Raabe was van kindsbeen af in literatuur geïnteresseerd; in 1849 besloot hij bij een boekhandelaar in Maagdenburg in de leer te gaan. In 1854 poogde hij alsnog zijn secundair onderwijs af te maken, wat hem niet lukte. Desondanks trok hij naar de universiteit van Berlijn, en volgde er als vrij student colleges in de filosofie. Tijdens deze periode schreef hij, onder het pseudoniem Jakob Corvinus, een Bildungsroman, Die Chronik der Sperlingsgasse, die meteen een overdonderend succes werd. Daarop wilde hij professioneel schrijver worden; in zijn leven schreef hij, om den brode, aan de lopende band verhalen en romans. Zijn totale oeuvre omvat ruim 30 romans en 35 novelles. Volgens de mode uit die tijd werden ze voor de overgrote meerderheid gepubliceerd als feuilleton in tijdschriften.

In 1856 keerde Raabe naar Wolfenbüttel terug. Hij bleef literair zeer productief en ondernam in 1859 een studiereis naar Oostenrijk en het zuiden van Duitsland. Na zijn huwelijk in 1862 verhuisde hij naar Stuttgart, alwaar hij beïnvloed werd door onder andere Vischer en Freiligrath. Gedurende zijn Stuttgartse periode schreef hij een trilogie, bestaande uit de romans Der Hungerpastor, Abu Telfan en Schüdderump. Na acht jaar keerde hij terug naar Brunswijk, en ook hier schreef hij een romantrilogie: Alte Nester, Stopfkuchen en Die Akten des Vogelsangs. Een lange rij novellen volgde nog, maar het baatte weinig voor zijn populariteit: de late Raabe werd miskend en aan het eind van zijn leven toe was hij in de vergetelheid geraakt, wat hem frustreerde. Pas in de latere 20e eeuw kreeg men aandacht voor de rijpere werken van Raabe, die in vergelijking met zijn jeugdwerk duidelijk geëvolueerd zijn.

Raabes carrière, die door grote productiviteit en een grondig pessimisme gekenmerkt wordt, toont verschillende fasen. Uit zijn vroege werk, met Biedermeier-inslag, spreekt nog een gemoedelijke huiselijkheid, waarin de eenvoudige levensloop van volksmensen met zachte ironie wordt verhaald. Ook van historische stof maakte hij gebruik. Een van Raabes bekendste novelles, Die schwarze Galeere, gaat over het vrijheidsstreven van Nederland in de late 16de eeuw. Een groot voorbeeld voor Raabe was Jean Paul, die, net zoals hij, veel ironie en humor had gebruikt om alledaagse zaken te beschrijven. Naarmate de ontwikkeling van Raabe vorderde, werd hij echter steeds pessimistischer. Hij was aanvankelijk nationalist en verlangde naar een sterke Pruisische eenheidsstaat, maar het bombastische imperialisme van de geïndustrialiseerde samenleving desillusioneerde hem: het streven naar geld en uiterlijk vertoon dat een gevolg was van politieke expansie ging ten koste van de menselijkheid, terwijl dit uitgerekend het doel van de mens is. Ook leidde deze ontwikkeling niet tot meer vrijheid, wat hem als liberaal tegen de borst stuitte.

Geïnspireerd door Schopenhauer keerde de latere Raabe zich tegen de waan dat de mens in staat zou zijn grote maatschappelijke plannen door te voeren. Zijn verhalen hadden zonderlingen als hoofdpersonage, vereenzaamde of vervreemde figuren die de façade van de samenleving overeindhouden, maar er tegelijk de nutteloosheid van inzien. Desalniettemin bleef de toon van de werken luchtig; een zekere humor was nooit ver weg. Zelf beschouwde Raabe Stopfkuchen als zijn beste werk; hier is de protagonist een ogenschijnlijk domme verschoppeling, die echter een nobele inborst heeft en door zijn entourage niet begrepen wordt.

Raabe was een antireligieuze vrijdenker, wiens fundamentele scepsis tegenover de maatschappelijke ordening tijdens zijn leven abusievelijk als burgerlijke berusting werd geïnterpreteerd. Daar de tijdgeest in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, die hij niet meemaakte, tegengesteld was aan zijn opvattingen, vond zijn oeuvre rond 1900 nauwelijks nog weerklank. Thans stelt men hem als romancier op hetzelfde niveau als Dickens, niettegenstaande het feit dat zijn werk internationaal veel minder bekend is.

Bibliografie[bewerken]

Romans

  • 1857 Die Chronik der Sperlingsgasse
  • 1861 Der heilige Born. Blätter aus dem Bilderbuche des 16. Jahrhunderts; (historische roman)
  • 1861 Nach dem großen Kriege
  • 1863 Die Leute aus dem Walde; (Ned. vert.: 1868; De kinderen des wouds; hunne gesternten, wegen en lotgevallen)
  • 1864 Der Hungerpastor
  • 1868 Abu Telfan oder die Heimkehr vom Mondgebirge; (Ned. vert.: 1870; Abu Telfan. Of de man van het Maangebergte)
  • 1870 Der Schüdderump
  • 1873 Christoph Pechlin. Eine internationale Liebesgeschichte
  • 1874 Meister Autor, oder die Geschichten vom versunkenen Garte
  • 1881 Alte Nester
  • 1884 Pfisters Mühle. Ein Sommerferienheft
  • 1885 Unruhige Gäste. Ein Roman aus dem Säkulum
  • 1887 Im alten Eisen
  • 1892 Stopfkuchen. Eine See- und Mordsgeschichte (Ned. vert. Ard Posthuma: Oliebol. Een zee- en moordverhaal, 2007)
  • 1891 Gutmanns Reisen
  • 1896 Die Akten des Vogelsangs
  • 1911 Altershausen; (onvoltooid werk)

Verhalen

  • 1857 Der Weg zum Lachen
  • 1857 Ein Frühling
  • 1857 Der Student von Wittenberg
  • 1858 Weihnachtsgeister
  • 1858 Lorenz Scheibenhart. Ein Lebensbild aus wüster Zeit
  • 1858 Einer aus der Menge
  • 1859 Halb Mär, halb mehr!; (verhalen, schetsen en rijmen)
  • 1859 Die Kinder von Finkenrode
  • 1859 Die alte Universität
  • 1859 Der Junker von Denow
  • 1860 Aus dem Lebensbuch des Schulmeisterleins Michel Haas
  • 1860 Wer kann es wenden? Eine Phantasie in fünf Bruchstücken
  • 1860 Ein Geheimnis. Lebensbild aus den Tagen Ludwigs XIV
  • 1861 Auf dunkelm Grunde
  • 1861 Die schwarze Galeere
  • 1862 Unseres Herrgotts Canzlei
  • 1862 Das letzte Recht
  • 1862 Verworrenes Leben; (novellen en schetsen)
  • 1863 Eine Grabrede aus dem Jahre 1609
  • 1863 Holunderblüte. Eine Erinnerung aus dem "Hause des Lebens"
  • 1863 Die Hämelschen Kinder
  • 1864 Keltische Knochen
  • 1865 Else von der Tanne. Oder das Glück Domini Friedemann Leutenbachers, armen Dieners am Wort Gottes zu Wallrode im Elend
  • 1865 Drei Federn
  • 1865 Ferne Stimmen
  • 1866 Die Gänse von Bützow
  • 1866 Sankt Thomas
  • 1866 Gedelöcke
  • 1866 Im Siegeskranze
  • 1868 Theklas Erbschaft. Oder die Geschichte eines schwülen Tages
  • 1869 Der Regenbogen
  • 1870 Der Marsch nach Hause
  • 1870 Des Reiches Krone
  • 1872 Der Dräumling
  • 1873 Deutscher Mondschein
  • 1874 Zum Wilden Mann
  • 1874 Eulenpfingsten
  • 1875 Höxter und Corvey
  • 1875 Frau Salome
  • 1875 Vom alten Proteus. Eine Hochsommergeschichte
  • 1876 Die Innerste
  • 1876 Horacker
  • 1912 Der gute Tag. Oder die Geschichte eines ersten Aprils
  • 1878 Wunnigel
  • 1878 Deutscher Adel
  • 1878 Auf dem Altenteil
  • 1879 Krähenfelder Geschichten
  • 1881 Das Horn von Wanza
  • 1882 Fabian und Sebastian
  • 1883 Prinzessin Fisch
  • 1884 Villa Schönow
  • 1884 Ein Besuch
  • 1888 Das Odfeld
  • 1889 Der Lar. Eine Oster-, Pfingst-, Weihnachts- und Neujahrsgeschichte
  • 1894 Kloster Lugau
  • 1899 Hastenbeck
Bronnen, noten en/of referenties
  • Gerhard Fricke & Mathias Schreiber (1988); Geschichte der deutschen Literatur. Paderborn: Ferdinand Schöningh
  • Bengt Algot Sørensen (1997); Geschichte der deutschen Literatur. Band II. Vom 19. Jahrhundert bis zur Gegenwart. München: C. H. Beck. [= Beck'sche Reihe 1217]
  • Wolf Wucherpfennig (1986); Geschichte der deutschen Literatur. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. Stuttgart: Ernst Klett
  • Projekt Gutenberg Deutschland