Willem van Genk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Willem van Genk (Voorburg, 1927Den Haag, 12 mei 2005) was een Nederlands kunstschilder die in het buitenland ook wel bekendstaat als de A Dutch moron painter. Hij wordt alom beschouwd als de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordiger van Outsider Art.

Biografie[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Willem van Genk kan als kind niet goed meekomen op school, liever tekent hij de hele dag. Als hij vijf jaar oud is sterft zijn moeder en hij blijft achter met zijn negen oudere zusters en zijn vader, die erg teleurgesteld is in zijn onaangepaste zoon. In 1937 wordt Willem van Genk naar een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens gestuurd, waar harde tucht heerst en hij verder weinig leert.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, Willem van Genk is dan zeventien jaar oud, valt de Gestapo zijn ouderlijk huis binnen, op zoek naar zijn vader die lid is van de Nederlandse verzetsbeweging. Bij het verhoor wordt de jonge Willem mishandeld. De agressieve Gestapomannen in hun lange leren jassen boezemen hem angst in, maar fascineren hem tegelijkertijd. Aan deze traumatische gebeurtenis zal hij een levenslange obsessie met macht en onmacht overhouden, die sterk tot uitdrukking komt in zijn kunst. Als Van Genk senior na de Tweede Wereldoorlog hertrouwt, zet hij zijn vervuilde zoon het huis uit. Deze trekt in bij diens zus in Den Haag, en na haar overlijden blijft hij het grootste deel van zijn leven alleen in het appartement wonen.

Volwassenheid[bewerken]

Van Genk probeert zijn geluk onder meer als tekenaar op een reclamebureau. Hier levert hij kwalitatief goed werk af, maar hij wordt ontslagen omdat hij er niet in slaagt zich aan opdrachten en deadlines te houden. Ook gaat hij onder werktijd vaak urenlang naar treinen kijken. Na zijn ontslag wordt hij verplicht tewerkgesteld in een ‘werkplaats voor onvolwaardigen’. Het is wederom een vernederende ervaring, die zijn minderwaardigheidscomplex en zijn obsessie voor macht versterkt. Wel krijgt hij in deze periode voor het eerst psychiatrische hulp voor zijn psychische problemen: hij heeft dan al vaak last van paranoïde wanen en hoort stemmen.

In 1958 meldt Van Genk zich aan bij de Koninklijke Academie in Den Haag. Directeur J. Beljon onderkent direct de kwaliteit van zijn werk, maar realiseert zich ook dat de jonge kunstenaar onbereikbaar is voor de lessen van de docenten. Op instigatie van Beljon mag Van Genk op de academie vervolgens zijn eigen gang gaan, als gevolg waarvan hij in feite autodidact blijft.

In 1964 wordt de eerste solotentoonstelling van Willem van Genk georganiseerd in Hilversum. Hij geniet dan reeds enige jaren een zekere landelijke bekendheid: zo was in 1961 een televisieuitzending aan hem gewijd, een feit dat hem overigens vooral beangstigde. In deze beginperiode wordt Van Genk vooral gezien als een briljante naïeve schilder en als een zwakzinnig genie (interessant in deze context is dat de kunstenaar aan zichzelf refereert als ‘Dutch moron painter’). Geschrokken door alle aandacht trekt Van Genk zich begin jaren zestig terug uit de openbaarheid. Omdat hij inmiddels arbeidsongeschikt is verklaard, kan hij nu wel al zijn tijd aan zijn kunst wijden.

Pas in 1976 wordt er weer een expositie gehouden met zijn werk en wordt hij nu vertegenwoordigd door een galerie. Van Genk wordt inmiddels niet langer ten onrechte vergeleken met de naïeve schilders - hij imiteert de geschoolde kunst immers niet, en is evenmin uit op erkenning door de kunstwereld -maar wordt erkend dat zijn werk op zichzelf staat.

In 1996 wordt Willem van Genk getroffen door enkele herseninfarcten, hierdoor kan hij niet meer werken. Twee jaar later wordt hij opgenomen in een verpleegtehuis, en wordt zijn woning in Den Haag ontruimd. Op 12 mei 2005 overlijdt Willem van Genk aan de complicaties van een longontsteking.

Werk[bewerken]

Stijl en techniek[bewerken]

Willem van Genk had al vanaf zijn kindertijd veel getekend. In zijn adolescentie begon hij geleidelijk steeds complexere beelden te scheppen: imaginaire stadspanorama’s (hij zou pas vanaf begin jaren zestig reizen gaan maken naar diverse Europese steden. Vanaf dat moment tekende hij imposante gebouwen die hij op zijn reizen door Europa had gezien, zoals het Keleti-station in Boedapest en Station Berlin-Ost) raakten gevuld met wild meanderende straten en drukke processies, het luchtruim met machtige zeppelins en bommenwerpers. Deze vroege werken werden uitgevoerd in potlood en zwarte inkt - vanaf 1964 zou hij grotendeels overstappen op olieverf - en aangevuld met titels en slogans, stukken afval en knipsels uit reisbladen en geschiedenisboeken. De schilderijen, door Van Genk zelf ‘plakkaten’ genoemd, kenden vaak een duidelijke indeling: een sterk centrum - vaak een gebouw of portret - met daaromheen randen met tekeningen en schilderingen.

In later werk worden stadstaferelen van dichtbij afgebeeld, alsof de kunstenaar van bovenaf in de stad is neergedaald, teneinde haar bombardement aan visuele indrukken te tonen: haar krioelende mensenmassa’s, verkeersstromen en duizenden reclameteksten. Gaandeweg ontwikkelen de schilderijen zich tot een ware kakofonie aan beelden. Met het verloop van de tijd wordt Van Genks werk ook steeds drukker en ingewikkelder van constructie, de strakke compositie wordt losgelaten, ook worden de beelden meer afgewisseld door teksten. De werken hebben vaak een obsessief karakter: het gaat om een overweldigende hoeveelheid dicht opeengepakte beelden. Deze ontwikkeling in Van Genks werk hangt samen met het verloop van zijn schizofrenie. In de jaren negentig beperkt hij zich nog slechts tot het bewerken van kopieën van eerder werk met verschillende kleuren balpen.

Willem van Genk als outsider[bewerken]

Het werk van Willem van Genk is Outsider Art in de ware zin van het woord: zijn werk staat buiten de officiële kunsttraditie, en wordt er ook niet door beïnvloed. Dat zijn werk verwantschap toont met dat van andere kunstenaars - onder meer Heinrich Vogeler (collage-techniek) en August Walla (thematiek) - kan toeval genoemd worden. Ook werkte hij vanuit zijn obsessies - zijn kunst lag als het ware op het snijpunt van zijn angsten en zijn behoeften - niet vanuit rationeel bedachte concepten. Het werk is er niet op gericht met de toeschouwers te communiceren of emoties bij hen los te maken.

Thema’s[bewerken]

Het centrale thema in het werk van Willem van Genk is macht. Als gevolg van verschillende gebeurtenissen in zijn leven was de kunstenaar geobsedeerd geraakt door macht en machteloosheid. Zo was hij in zijn eigen beleving enerzijds oppermachtig, de ‘Koning der Stations’, anderzijds een onvolwaardige, een outcast, een machteloze die van alle kanten werd bedreigd.

Willem van Genk leed aan paranoïde schizofrenie en was daarnaast autistisch. Hij is gedurende zijn leven verschillende keren opgenomen geweest in een psychiatrische inrichting. Door middel van zijn werk trachtte hij de onvoorspelbare chaos in zijn hoofd in kaders te dringen en zijn angsten te bedwingen. Hij verwierf op deze manier macht over de processen die zich in de griezelige buitenwereld afspelen, en dekte zich in tegen vermeende complotten en aanvallen van buitenaf. Zijn kunst fungeerde dus als verdedigingsmechanisme. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Van Genk grote moeite had er afstand van te doen, slechts incidenteel verkocht hij een schilderij, en dan nog alleen aan musea.

Het werk van Willem van Genk heeft een grote symbolische lading: veel voorkomende machtssymbolen zijn: reusachtige gebouwen, treinstations, treinen (met name locomotieven), trolleybussen, zeppelins en vliegtuigen. Andere passies/obsessies die in zijn oeuvre steeds terugkeren zijn: klassieke muziek, kapsalons (lang haar) en machtige mannen. Willem van Genk refereert in zijn schilderijen vaak aan ideologieën en religies, teneinde de angst die zij hem inboezemen te bezweren. Zijn kunst is gebaseerd op een onderliggende, allesomvattende filosofie, ingegeven door vrees. Communisme, fascisme, katholicisme, kapitalisme, de internationale vredesbeweging en de provocultuur: in zijn ogen zijn ze gelijkwaardige machtsfactoren in een grote, bedreigende wereld. Allemaal even doortrapt en gevaarlijk: voor je het weet stoppen ze je in een werkkamp, waar je vervolgens nooit meer uit komt.

Categorieën[bewerken]

In het werk van Willem van Genk zijn vier categorieën te onderscheiden:

  1. Tekeningen en schilderijen (circa 100 stuks);
  2. Zijn collectie regenjassen;
  3. De installatie ‘Station Arnhem’ en zijn verzameling zelfgemaakte trolleybussen;
  4. De inrichting van zijn woning (inmiddels ontruimd).

Tekeningen en schilderijen[bewerken]

In het tweedimensionale werk van Willem van Genk worden vaak stedelijke landschappen afgebeeld. De schilderijen worden gekenmerkt door een grote gedetailleerdheid. Het zijn vaak collages: één centraal beeld wordt omgeven door meerdere kleinere beelden. Het verband tussen de afgebeelde objecten is vaak sterk associatief. Het resultaat is een overweldigend rijk, intens totaalbeeld. Ook wordt in de collages vaak tekst gebruikt. Titels en slogans worden als commentaar op de getoonde beelden gebruikt. Hierdoor lijkt het alsof de kunstenaar een bijna ‘almachtig’ overzicht heeft over de stad en de economische, sociale en politieke processen die er zich afspelen: hier weergegeven in de vorm van de boven- en ondergrondse activiteiten van het stedelijk transportsysteem.

Regenjassen[bewerken]

Willem van Genks fascinatie voor lange (leren) jassen is rechtstreeks terug te voeren op de traumatische ervaring uit zijn jeugd, waarbij hij door leden van de Gestapo werd mishandeld. Deze gebeurtenis resulteerde niet alleen in een levenslange obsessie met macht en onmacht, ook leidde het ertoe dat de kunstenaar lange (regen)jassen ging verzamelen. In zijn huis waren honderden van dergelijke jassen te vinden, ze werden nooit weggegooid. Van Genk voorzag de jassen persoonlijk van drukknopen, teneinde ze ‘functionerend’ te maken, een handeling die door hem zelf als ‘artistieke ontucht’ werd omschreven. Gelijk zijn tweedimensionale werk golden de lange leren jassen, vanwege hun associatie met politie en leger, als een methode om zich macht toe te eigenen. Als hij gekleed in zo’n jas (hij droeg ze vaak slechts één keer) de straat opging voelde hij zich machtig, ook had het een sterk erotiserende uitwerking op hem. Hier en daar duiken afbeeldingen van lange regenjassen ook op in zijn schilderijen.

Installatie 'Station Arnhem'[bewerken]

Bij de ontruiming van het appartement van Willem van Genk werd een grote zelfgemaakte installatie aangetroffen. Het gaat hier om een weergave van het trolleybusstation in Arnhem. De gebouwen en de tientallen trolleybussen zijn vervaardigd uit o.a. bouwplaten, melkpakken, snoeppapier en speelgoed, en wederom voorzien van een groot aantal (reclame)teksten en slogans.

Inrichting woning[bewerken]

Willem van Genks appartement in Den Haag was volgestouwd met boeken, regenjassen en grote hoeveelheden (secuur gerangschikte) gehamsterde spullen. De wanden had de kunstenaar omgetoverd in grote collages à la zijn schilderijen. Zijn huis diende als een veilig fort waarin hij zich verschanste en had daarmee dezelfde beschermende functie als de schilderijen en jassen. Het aanbrengen van veranderingen in de flat of het weggooien van spullen was dan ook ondenkbaar. De inrichting van Van Genks woning stond in de traditie van Gesamtkunstwerken als ‘Bottle Village’ van ‘Grandma’ Prisbey en Helen Martin’s ‘Owl House’. Het appartement is in 1998 ontruimd.

Exposities en aankopen[bewerken]

In 1997 won hij de Grand Prix tijdens een internationale expositie van naïeve kunst en outsiderkunst in Bratislava. Het werk van Willem van Genk is door de jaren heen aangekocht door verschillende musea en particuliere verzamelaars en is onder andere te zien geweest in:

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • D. Walda, Koning der Stations (Ruinen, 1997).
  • Ans van Berkum, Willem van Genk: a marked man and his world/een getekende wereld (Zwolle, 1998).
  • J. Keya, D. Walda, Ver van huis (documentaire, 2002).