Wilsele

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wilsele
Deelgemeente in België Vlag van België
Wapen van Wilsele
Wilsele
Wilsele
Situering
Gewest Flag of Flanders.svg Vlaanderen
Provincie Flag of Flemish-Brabant.svg Vlaams-Brabant
Gemeente Flag of Leuven.svg Leuven
Fusie 1977
Coördinaten 50° 54′ NB, 04° 42′ OL
Algemeen
Oppervlakte 8,86 km²
Inwoners (31/12/2007) 9.454 (1067 inw/km²)
Overig
Postcode 3012
Netnummer 016
Detailkaart
Wilsele
Wilsele
Portaal  Portaalicoon   België
Voormalige gemeentehuis van Wilsele.

Wilsele (Latijn: Wilsela) is sinds de fusie van 1977 een deelgemeente van Leuven. Voorheen omvatte Wilsele zelf de parochies Wilsele-Dorp en Wilsele-Putkapel die van elkaar gescheiden worden door de Leuvense Vaart, de spoorlijn tussen Leuven en Brussel en de spoorlijn tussen Leuven en Mechelen. Wilsele telde einde 2007 9454 inwoners. Wilsele dient niet verward te worden met Winksele, een nabijgelegen dorp in de gemeente Herent.

Op 15 januari 1875 stichtten enkele Leuvense professoren en studenten in de pastorie van Wilsele het Davidsfonds.

Wapen[bewerken]

De gemeente Wilsele ontving haar oude wapen bij Koninklijk Besluit van 3 januari 1951: "twee naast elkaar geplaatste schilden. Rechts (=links voor de toeschouwer): gevierendeeld; 1 en 4 van goud met vijf schelpen van sabel (=zwart) kruisgewijs geplaatste (wat familie Van der Noot is, zie ook Brabantse Omwenteling); 2 en 3 van sabel, bezaaid met gouden leliën (wat Duras is). Links: gevierendeeld; 1 en 4 van goud met een dwarsbalk van azuur (=blauw) met een schuinkruis van keel over alles heen (wat Grimberghe d'Assche is); 2 en 3 van zilver met vijf ruiten van keel schuin boven elkaar (wat Ophem is). Schildhouders: twee geluipaarde (=stappende) leeuwen van goud. De naast elkaar geplaatste schilden zijn getopt met een kroon van drie fleurons (=gestileerde bladeren), gescheiden door een groep van drie parels, opgesteld als volgt: één op twee".

Dit dubbel wapen is het wapen dat voorkwam op het zegel van de schepenbank van Wilsele en Putte in 1779. In feite gebruikten de schepenen toen het dubbele wapen van de Vrouwe van Wilsele, barones Honorina Francisca Antonia van Hamme (Gent 1707 - 1793), die als weduwe van Filips Jozef Lodewijk van der Noot, graaf van Duras (1710 - Leuven 1748), de heerlijkheid Wilsele in 1761 had gekocht. Het heraldisch rechtse schild is inderdaad het wapen van haar echtgenoot, die het eigen familiewapen (in 1 en 4) had gevierendeeld met dit van de graven van Duras, daar zijn moeder, Anna Antonia van Oyenbrugge, de enige dochter en erfgename van Ernest-Balthazar van Oyenbrugge, graaf van Duras, was. Het heraldisch linkse schild is een samengesteld wapen dat de familie van Hamme reeds in de veertiende eeuw voerde.

De Raad van Adel van België heeft Wilsele bovendien op 21 december 1961 een vaandel gegeven: een geel vlak met kelen Sint-Andrieskruis.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

Wilsele-Putkapel bestond voornamelijk uit een aantal familieboerderijen waarvan er nu nog maar enkele de tijd overleefden. De boerderij "de Vier Huizen", waarnaar een straat in Wilsele-Putkapel genoemd is (ironisch genoeg niet de straat waarin de boerderij zelf staat), is één van deze. Dus terwijl in Wilsele-Putkapel meer de boerderijen stonden, stonden in Wilsele-Dorp meer de huizen van handelslieden,... Geleidelijk aan verschoof de dorpskern dan ook van Wilsele-Dorp tot in Wilsele-Putkapel, waar nu het oude gemeentehuis staat en de aanwezigheid van de Centrumstraat nog van de centrumfunctie getuigt. Van de vele oude Wilselse families zijn de meesten er nog: De families Verbeeck, Van de Put, Geleyns, de Neuter, B(e)ulens, Mar(r)ant,...

Gemeente[bewerken]

De architect Joseph François Piscador (op 27 mei 1866 geboren te Gent en gestorven op 31 januari 1928) had zijn buitengoed "Het Puthof" in Wilsele-Putkapel. Piscador wordt soms ook wel eens de Belgische Gaudí genoemd en was een leerling van de grootmeester van de Neo-gotiek, Joris Helleputte (1852-1925). Hij overleed daar na een slepende ziekte.

De naam Putkapel komt naar alle waarschijnlijkheid voort van een waterput en kapel gewijd aan de heilige Agatha die zich naast de Vunt bevond. Op een Ferrariskaart uit 1775 noemt men de kapel 'die capelle van put' vandaar de naam 'putkapel'. De kapel verdween enkele jaren nadat er enkele kilometers noordelijker een neogotische kerk door Pieter Langerock gebouwd was.

Op het kerkhof van Sint-Martinus (in Wilsele-Dorp) ligt Pieter-Jozef Verhaghen (geboren in 1728 te Aarschot en gestorven in 1811 te Leuven) begraven. Verhaghen is een van de laatste schilders die in de stijl van Rubens bleef verder schilderen. Hij is de broer van de "Pottekes" Verhaghen, die zich specialiseerde in het schilderen van stillevens en vooral aardewerk. Hun werk is te bezichtigen in verschillende musea, kerken, abdijen en privéhuizen. Een kopie van een marmeren borstbeeld is tegen de kerkhof muur te bewonderen. Het origineel is te bewonderen in het Stedelijk Museum Vanderkelen-Mertens te Leuven.

Parochie[bewerken]

Eeuwenlang is er voor de gemeente Wilsele slechts één parochie geweest: de St. Martinusparochie. Een schepenzegel van in 1298 leverde het bewijs dat St. Martinus van in de vroegste tijden patroon was van de parochie en de latere kerk is geweest.

Deze parochie was zeer uitgestrekt. De grenzen ervan kwamen overeen met die van de latere gemeente Wilsele. Bij de oprichting van de "burgerlijke gemeenten" tegen het einde van de 18de eeuw werden immers de parochiegrenzen gewoon veranderd in gemeentegrenzen. De uitgestrektheid van de latere gemeente Wilsele was dus het gevolg van het feit dat er ter plaatse altijd slechts één parochie is geweest, en dit wegens het geringe aantal inwoners.

De St. Martinusparochie is vermoedelijk ontstaan in de loop van de 10e eeuw, toen tot het christendom bekeerde Franken zich langs de oevers van de Dijle, ten noorden van Leuven, zijn komen vestigen.

Nu heeft Wilsele, sinds zijn eerste vorming, zowel parochieel als gemeentelijk, altijd bestaan uit twee gescheiden en te onderscheiden delen.

Gescheiden, om de eenvoudige reden dat de eerste bewoners zich hebben gevestigd aan weerskanten van de Dijle. Later is die scheiding o.a. door het graven van een kanaal en door de aanleg van verschillende spoorwegen, nog duidelijker geworden. We kregen daardoor dus Zuid-Wilsele of Hoog-Wilsele of gewoon Wilsele-Dorp en aan de andere kant Noord- of Laag-Wilsele (Wilsele-Putkapel).

Onderscheiden, omdat alle bronnen, zowel mondeling als geschreven, duidelijk aangeven welk gedeelte van die grote parochie wordt bedoeld, over welke van de twee gemeenschappen men het heeft.

Een drietal voorbeelden uit oude geschriften bewijzen dat:

"Denombrement van Heerlyckheydt van Wilsele de anno 1440, waer bij de selve Heerlyckheydt, sonder die van Putte..."

"Denombrement van Wilsele ende Putte te samen, van date 9 januarij 1595..."

"... de voorschreven Purgen zijn gedaen door den selven deurwaeder aen Put-Capelle naer den Dinst der Misse, gelijck oock naer den Dinst der Hoogh-Misse tot Wilsele (1757)." Hier zien we voor het eerst het woord Putkapel verschijnen; voordien was het steeds Put, Putte, Puth...

Politiek en macht in Wilsele (1290 - 1976)[bewerken]

De (politieke) macht in Wilsele lag rond 13e eeuw in de handen van enkele families, die generatie op generatie bekendstonden als "de Heren van Wilsele en Put (=Putkapel)". Deze families bewoonden het Puthof. Later kwamen er burgemeesters die Wilsele bestuurden. In 1976 fuseerde Wilsele met Leuven en had het geen eigen burgemeester meer. Hieronder vindt men lijsten van de machthebbers in Wilsele.

Bezienswaardigheden en historische gebouwen[bewerken]

Van de vele bezienswaardigheden zijn vele privé-eigendom geworden of afgebroken. De enige nog echt toegankelijke gebouwen zijn de Sint-Agathakerk en het oude gemeentehuis.

Bekende Wilsenaren[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Hueber, A. (O.S.B.) en Debecker, GH.K. geschiedenis van Wilsele. Zijn opkomst en ontwikkeling, 1969.
  • Wapen: Geschiedenis van het Stadsgewest Leuven tot omstreeks 1600, deel I - wettelijk depot D/1980/0711/1, blz. 13-14.