Wipmolen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wipmolen met open scheprad
(Foto: Hans de Kroon)
Wipmolen met spruit (Foto: Quistnix at nl.wikipedia)
Wipstellingmolen 't Haantje te Weesp. (Foto: Quistnix at nl.wikipedia)
Bovenhuis Laaglandse Molen zonder bekleding

De wipmolen (of waterwipmolen) is het oudste type poldermolen in Nederland en ontwikkelde zich begin vijftiende eeuw uit de standerdmolen. Volgens sommige bronnen werden de eerste wipmolens in 1407 in Nederland gebouwd. Dit jaartal markeert het begin van het Nederlandse polderlandschap.

Uiterlijk[bewerken]

De wipmolen wordt gekenmerkt door het feit dat het hele bovenhuis met staart draaibaar is om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de ondertoren. Hoewel deze molens door hun 'smalle taille' kleiner lijken, hebben ze vaak respectabele afmetingen; grotere wipmolens hebben bijvoorbeeld vaak woonruimte in de ondertoren. Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle kleuren geschilderd (bijvoorbeeld rood-wit in het Rijnland). In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak zwart geteerd.

De trapschoren zitten kruislings onderaan de trapbomen vast en bovenaan aan de uiteinden van de buiten de kap uitstekende achterzomer. Sommige wipmolens in Zuid-Holland hebben daarnaast ook nog lange schoren, die vastzitten aan de laag, vooraan door het bovenhuis gestoken spruit.

De molen kan voorzien zijn van een buitenwipstok, die achteruit de molen steekt De Blokker of Blokweerse molen, een binnenvangstok (Oostmolen) of een evenaar (Laaglandse Molen) voor het bedienen van de vang (rem).

Doel van de molen[bewerken]

De wipmolen wordt vrijwel altijd gebruikt als poldermolen, dus om een polder droog te houden. Hiervoor is de molen van oudsher voorzien van een scheprad aan de buitenzijde van de ondertoren om polderwater uit te slaan. Pas later (na 1634) kwam de vijzel in gebruik en werden sommige wipmolens omgebouwd tot vijzelmolen. Een enkele keer wordt de wipmolen ook als korenmolen gebruikt. Zo'n molen wordt dan een wipkorenmolen genoemd. Vroeger waren er ook wipmolens, die ingericht waren als houtzaagmolen.

Ontstaansgeschiedenis[bewerken]

De wipmolen is in het begin van de vijftiende eeuw ontstaan uit de standerdmolen. Zoals de naam al zegt rust de standerdmolen op een zware houten standerd, waarop deze ook kan kruien (naar de wind draaien). De maalstenen staan bij een standerdmolen in de eigenlijke molen opgesteld en kruien dus mee met de hele molen.

Bij een poldermolen is het niet mogelijk het eigenlijke werktuig met de molen mee te laten kruien en daarom moest er naar een andere oplossing worden gezocht: de standerd, waar de molen op rust, werd als het ware uitgehold en vormde zo een koker. De koker bestaat uit vier, zware stijlen met daartussen vier, dikke planken. Bij kleinere molens bestaat de koker alleen uit acht, dikke planken. Het geheel wordt bij elkaar gehouden met knuppelstroppen en zware smeedijzeren spijkers (hakkelbouten). Door deze koker kan een spil worden gevoerd die de draaiende beweging vanuit het kruibare bovenhuis kan overbrengen naar het vast opgestelde scheprad (of de vijzel) die het water uit de polder in de hoger gelegen boezem overbrengt.

Een spinnenkopmolen, gebruikt voor kleine polders, heeft een soortgelijke constructie maar dan meestal kleiner uitgevoerd.

Oorsprong van de naam[bewerken]

Voor de oorsprong van de naam wipmolen worden twee verklaringen gegeven:

  • Het schudden van de molen als hij hard draait staat bekend als 'wippen'.
  • Het scheprad 'wipt' het water als het ware uit de polder in de hoger gelegen boezem.

Fotogalerij[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]