Woestijnsprinkhaan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Woestijnsprinkhaan
Solitaire vorm van de woestijnsprinkhaan.
Solitaire vorm van de woestijnsprinkhaan.
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Onderstam: Hexapoda (Zespotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Orthoptera (Rechtvleugeligen)
Onderorde: Caelifera (Sprinkhanen)
Familie: Acrididae
Onderfamilie: Cyrtacanthacridinae
Geslacht: Schistocerca
Soort
Schistocerca gregaria
Forsskål, 1775
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De woestijnsprinkhaan (Schistocerca gregaria) is een insect uit de familie Veldsprinkhanen (Acrididae). Plagen van deze sprinkhaan hebben de landbouw in Afrika, het Midden-Oosten en zuidelijk Azië eeuwenlang bedreigd. De middelen van bestaan van ongeveer een tiende van de wereldbevolking kunnen door dit vraatzuchtige insect aangetast worden. De uitbraak van 2004 veroorzaakte grote oogstverliezen in West-Afrika en had een negatieve invloed op de voedselveiligheid in deze regio. Het was een van de belangrijkste factoren die bijdroegen aan de hongersnood in Niger.

Woestijnsprinkhanen zijn geschikt voor menselijke consumptie.[1][2]

Ecologie van de woestijnsprinkhaan[bewerken]

De woestijnsprinkhaan leeft een solitair leven, totdat het regent. Regen doet de vegetatie groeien en maakt de ontwikkeling mogelijk van de eieren die in de zandige grond zijn gelegd. De nieuwe vegetatie biedt voedsel en beschutting aan de nieuw uitgekomen nimfen (de larven van de sprinkhaan) tijdens hun ontwikkeling tot gevleugelde volwassenen.

Als de vegetatie, en met name de favoriete voedselplanten, niet aaneengesloten is maar uit geïsoleerde lapjes bestaat, en er voldoende nimfen (vaak hoppers genoemd) zijn, komen deze vanzelf in groepjes terecht. Bij een bepaalde dichtheid stoten ze voortdurend hun achterpoten tegen elkaar aan. Dit veroorzaakt een cascade van metabolische en gedragsveranderingen die het insect van de solitaire naar de gregaire vorm doen overgaan (fasetransitie). Ze beginnen een feromoon af te scheiden om elkaar aan te trekken, hun lichaam wordt korter en de kleur verandert van groen naar geel en zwart. De hoppers vormen groepen van honderden tot vele duizenden individuen, die honderden vierkante meters kunnen bedekken. Wanneer ze volwassen worden, vormen de sprinkhanen zwermen die vele vierkante kilometers kunnen beslaan en miljarden insecten kunnen bevatten.

Het is interessant dat nimfen een ander feromoon afscheiden dan de volwassenen. Als hoppers aan het volwassen feromoon worden blootgesteld, worden ze verward en gedesoriënteerd, want ze kunnen elkaar dan kennelijk niet meer “ruiken”, hoewel de visuele en tactiele stimuli blijven. Na enkele dagen vallen de hoppergroepen uiteen en de hoppers die aan predatie ontkomen, worden weer solitair. Misschien kan dit effect in de toekomst bij de sprinkhanenbestrijding helpen.

Eierleggende woestijnsprinkhaan

Tijdens rustige periodes, die recessies genoemd worden, is het verspreidingsgebied van de woestijnsprinkhaan beperkt tot een band van 16 miljoen vierkante kilometer die zich uitstrekt van de Atlantische Oceaan via de Sahara en het Arabische Schiereiland tot aan noordwest India. Wanneer de omstandigheden gunstig zijn, vliegen zwermen de landen aan alle kanten van het recessiegebied binnen. Tot aan 60 landen kunnen getroffen worden.

Zwermen kunnen gemakkelijk de Rode Zee tussen Afrika en het Arabische Schiereiland oversteken. Ze hebben zelfs enige keren de Atlantische Oceaan overgestoken, de laatste keer in 1989 toen honderden sprinkhanen op verschillende Caribische eilanden werden aangetroffen. Een enkele vliegende zwerm kan honderden vierkante kilometers groot zijn en kan tot 80 miljoen sprinkhanen per vierkante kilometer bevatten. Een roestende zwerm is veel kleiner en dichter.

Tijdens de zwermfase leven volwassen woestijnsprinkhanen ruim een maand tot enkele maanden afhankelijk van hoe snel zij een nieuw broedgebied vinden. Solitaire sprinkhanen daarentegen kunnen tot 9 maanden in leven blijven, als de omstandigheden niet gunstig zijn voor eierleggen. Bij voldoende regenval en dus genoeg voedsel voor de hoppers nemen de aantallen sprinkhanen rond de tien keer toe tussen twee generaties.

Oogstverlies[bewerken]

Woestijnsprinkhanen kunnen per dag ongeveer hun eigen gewicht (±2 g) aan voedsel eten: bladeren, bloemen, bast, stengels, vruchten en zaden. Bijna alle gewassen en veel wilde planten lopen risico, inclusief gierst, rijst, maïs, sorghum, suikerriet, gerst, katoen, fruitbomen, dadelpalmen, groenten, acacia’s, naaldbomen en bananenbomen.

Schade aan de oogst is al in de Bijbel en de Koran beschreven. Tijdens de twintigste eeuw kwamen plagen van de woestijnsprinkhaan voor in 1912-19, 1926-34, 1940-48, 1949-63, 1967-69 en 1986-89. Sindsdien zijn er belangrijke uitbraken geweest in 1994 en 2004. De grote oogstverliezen veroorzaakt door woestijnsprinkhanen verergeren problemen van voedseltekort en vormen een bedreiging voor de voedselveiligheid.

Bestrijding[bewerken]

NASA heeft methoden ontwikkeld voor het waarnemen door satellieten van omstandigheden in het verspreidingsgebied die tot zwermvorming kunnen leiden. Satellietdata gecombineerd met terreinverkenningen en informatie over het weer worden door de Desert Locust Information Service van de FAO gebruikt om verwachtingen te publiceren die als "locust bulletins" per post en e-mail aan belangstellenden worden gestuurd en die tevens op de website van de FAO geraadpleegd kunnen worden. De sprinkhanengroep van de FAO levert ook informatie aan getroffen landen, organiseert trainingateliers en coördineert financiering door donorlanden in het geval van belangrijke uitbraken en plagen.

De woestijnsprinkhaan is een moeilijk plaaginsect om te bestrijden en bestrijdingsmaatregelen zijn moeilijker vanwege de omvangrijke (16-30 miljoen km²) en dikwijls verafgelegen gebieden waar sprinkhanen kunnen voorkomen. Onontwikkelde basale infrastructuur in sommige getroffen landen, beperkte middelen voor het in de gaten houden en bestrijden van sprinkhanen en politieke beroering binnen en tussen getroffen landen verminderen nog verder de capaciteit van een land om zwermen te voorkomen.

Momenteel is de belangrijkste methode om sprinkhanenzwermen te bestrijden het toedienen van chemische insecticiden (m.n. organofosfaten) in geconcentreerde doses door middel van sproeiers op vrachtwagens of vliegtuigen. Het bestrijdingsmiddel moet direct aan het insect toegediend worden. Bestrijding wordt uitgevoerd door overheidsinstanties in de getroffen landen of door gespecialiseerde organisaties, zoals de Desert Locust Control Organisation for East Africa (DLCO-AE).

Een biologisch bestrijdingsmiddel is reeds beschikbaar sinds het eind van de negentiger jaren. Het is gebaseerd op een natuurlijk voorkomende entomopathogene (i.e. insecten infecterende) schimmel, Metarhizium acridum. Deze schimmel is wijd verspreid in de hele wereld en infecteert slechts een groep van veldsprinkhanen (Caelifera), waartoe ook de woestijnsprinkhaan behoort. De schimmel is daarom door het LUBILOSA-programma gekozen als actief bestanddeel van het product.

Het product is beschikbaar onder verschillende namen in Afrika en Australië. Het wordt op dezelfde manier toegediend als chemische middelen maar doodt niet zo snel. Bij de aanbevolen dosis duurt het gewoonlijk twee tot drie weken voordat 90% van de sprinkhanen gedood zijn. Om die reden wordt het voornamelijk aanbevolen voor gebruik tegen hoppers, de vleugelloze jonge stadia van sprinkhanen. Deze worden meestal in de woestijn aangetroffen ver van de akkers, waar een trage dood niet tot schade leidt. In de praktijk worden zieke sprinkhanen echter vaak binnen een week door vogels en andere predators opgegeten.

Het voordeel van dit product is dat het alleen sprinkhanen aantast, hetgeen het veel veiliger maakt dan chemische producten. Het maakt het met name mogelijk voor de natuurlijke vijanden van sprinkhanen om hun nuttige werk voort te zetten. Tot deze vijanden behoren o.a. parasitaire en roofwespen (vb. Scelio fulgidus), parasitaire vliegen (Blaesoxipha spp., Trichopsidea oestracea en Cercia sp.), bepaalde soorten kevers, mijten (Tarsonemid sp. en Leptus sp.) en nematoden (Amphimermis). Hoewel ze niet altijd plagen kunnen voorkomen, kunnen zij de frequentie van uitbraken verminderen en tot hun bestrijding bijdragen.

Momenteel is men ook bezig een andere parasitaire schimmel, Nosema locustae, commercieel beschikbaar te maken (Grasshopper Spore, Semasporic, Nolobait). Deze eencellige parasiet is selectief voor Orthoptera en infecteert het vetlichaam en andere interne organen. Hij vertraagt het geslachtsrijp worden, veroorzaakt misvormingen en doet het aantal eitjes afnemen. Het is een relatief trage bestrijdingsmethode, maar kan op de langere termijn effectief zijn.

De uitbraak van 2004[bewerken]

In 2004 stond West-Afrika tegenover de grootste sprinkhanenuitbraak in 15 jaar. De bestrijding hiervan heeft volgens de FAO meer dan $60 miljoen gekost en de oogstverliezen zijn geschat op $2,5 miljard, hetgeen een rampzalige invloed op de voedselveiligheid heeft gehad. Onvoldoende regen en lage temperaturen in het winterbroedgebied van Noordwest Afrika hebben de ontwikkeling van de sprinkhanen vertraagd en de bestrijdingsdiensten de kans gegeven de cyclus te stoppen. In 2005 zijn slechts enkele zwermen de Sahel binnengevlogen. Hoewel tijdens de zomer grote aantallen sprinkhanen uit hun eieren zijn gekomen in het grensgebied van Tsjaad en Soedan, lijkt de situatie nu voorlopig onder controle te zijn.

De landen die door de uitbraak van 2004 getroffen zijn, waren Algerije, Burkina Faso, de Canarische Eilanden, Kaapverdië, Tsjaad, Egypte, Gambia, Guinee, Libië, Mali, Mauritanië, Marokko, Niger, Saoedi-Arabië, Senegal, Soedan, Tunesië en Jemen.

Bronnen
  • FAO, The desert locust information service [1]
  • Lindsey, R. 2002. Locust![2]
  • OECD, The Desert Locust Outbreak in West Africa - Sept. 23, 2004 [3]
  • Showler, A. T. 1996. The Desert Locust in Africa and Western Asia: Complexities of War, Politics, Perilous Terrain, and Development [4]
  • Programme on biological control of locusts and grasshoppers (LUBILOSA) [5]

Referenties