Wolfgang Schäuble

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wolfgang Schäuble
WSchaeuble.jpg
Geboren 18 september 1942
Freiburg im Breisgau, Duitsland
Politieke partij Christlich Demokratische Union Deutschlands (CDU)
Beroep Politicus
Religie Evangelische Kerk in Duitsland
Minister van Financiën
Huidige functie
Aangetreden 28 oktober 2009
Voorganger Peer Steinbrück
Minister van Binnenlandse Zaken
Aangetreden 22 november 2005
Einde termijn 27 oktober 2009
President Horst Köhler
Voorganger Otto Schily
Opvolger Thomas de Maizière
Aangetreden 21 april 1989
Einde termijn 26 november 1991
President Richard von Weizsäcker
Voorganger Friedrich Zimmermann
Opvolger Rudolf Seiters
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Wolfgang Schäuble (Freiburg im Breisgau, 18 september 1942) is een Duits politicus. Hij is lid van de Christlich Demokratische Union Deutschlands (CDU). Sinds 22 november 2005 is hij minister voor Binnenlandse Aangelegenheden in het kabinet-Merkel I. Op 28 oktober 2009 trad het kabinet-Merkel II aan, waarin Schäuble minister van Financiën werd.

Jeugd, studie en carrière[bewerken]

Schäuble werd geboren in Freiburg im Breisgau in 1942 als zoon van een belastingconsulent. Hij behoort tot de Evangelische Kerk in Duitsland. In 1969 huwt hij Ingeborg Hensle. Samen krijgen ze 4 kinderen. Wolfgangs broer Thomas is een tijd minister van Binnenlandse Zaken van de deelstaat Baden-Württemberg geweest.

Na het behalen van zijn middelbareschooldiploma in 1961 studeert Schäuble rechten en economie aan de universiteiten van Freiburg en Hamburg. In 1966 legt hij zijn eerste staatsexamen rechten af, en werkt verder als assistent aan de universiteit van Freiburg. Van 1968 tot 1970 loopt hij stage aan een rechtbank, en in 1970 zijn tweede staatsexamen Rechten af. In 1971 promoveert hij tot doctor met een dissertatie over het juridisch-economische thema "Berufsrechtliche Stellung von Wirtschaftsprüfern in Wirtschaftsprüfungsgesellschaften" (Nederlands: de rechtspositie van accountants in accountantsfirma's).

Na zijn doctoraat begint Schäuble zijn professionele loopbaan bij de belastingdienst van de deelstaat Baden-Württemberg. Van 1978 tot 1984 is hij als advocaat aan de rechtbank van Offenburg geregistreerd.

Politiek[bewerken]

Eerste jaren in de politiek[bewerken]

Tijdens zijn studententijd treedt Schäuble tot de Ring Christlich-Demokratischer Studenten (RCDS), die nauw aanleunt bij de Christlich Demokratische Union Deutschlands (CDU), toe. Hij wordt voorzitter van de afdelingen van Hamburg en later Freiburg.

In 1961 wordt Schäuble lid van de Junge Union, de jongeren-afdeling van de CDU. In 1965 wordt hij ook lid van de CDU.

Van 1969 tot 1972 is hij voorzitter van de Junge Union Südbaden, in 1973 wordt hij lid van het Baden-Württembergische bestuur van de CDU, van 1976 tot 1984 is hij voorzitter van het Sportcomité van de nationale CDU.

Van parlementslid tot minister[bewerken]

In 1972 wordt hij voor het eerst in de bondsdag gekozen. Tot bij de verkiezingen van 2002 werd hij telkens rechtstreeks (via zogenaamde eerst-stemmen) verkozen. In 2002 haalde hij in het kiesdistrict Offenburg 52,9% van de geldige stemmen.

In 1973 wordt Schäuble benoemd tot CDU-verslaggever van de onderzoekscommissie Steiner-Wienand van de Bondsdag. Dit comité moet onderzoeken of de SPD-afgevaardigde Karl Wienand de CDU-afgevaardigde Julius Steiner omgekocht had, zodat deze zich bij de motie van wantrouwen (1972) tegen de toenmalige kanselier Willy Brandt zou onthouden. De presentatie in 1974 van de resultaten van het onderzoek is Schäubles eerste echt belangrijk optreden in de Bondsdag.

In het parlement ontwikkelt Schäuble zich tot een van de trouwste medewerkers van de nieuwe oppositieleider Helmut Kohl.

Van 1975 tot 1984 is hij lid van het parlementaire comité van de Raad van Europa, van 1979 tot 1982 voorzitter van de Werkgemeenschap der Europese Grensregio's.

In 1978 is Schäuble opnieuw een van de verslaggevers van een onderzoekscommissie, ditmaal om de spionage-affaire Lutze. Renate Lutze, een secretaresse in het ministerie van Defensie, werd verweten jarenlang voor de Stasi gespioneerd te hebben. Het comité moest de verantwoordelijkheden in deze zaak bepalen.

Van juni 1981 tot november 1984 is hij parlementair zaakvoerder van de Union-bondsdagsfractie. Naar aanleiding van de Flick-affaire werkt hij een amnestieplan voor belastingontduiking uit, dat echter op zoveel weerstand stuit dat het weer opgegeven wordt.

Op 15 november 1984 wordt hij als bondsminister voor Bijzondere Opdrachten en als chef van het kanseliersambt in de regering van Helmut Kohl opgenomen. Als zodanig is hij Kohls nauwste raadgever op het gebied van de Duits-Duitse relaties. In deze functie ontmoet hij december 1985 Alexander Schalck-Golodkowski, de "Chef der Kommerziellen Koordinierung (KoKo)" van de DDR, met wie hij in de volgende jaren over de binnen-Duitse aangelegenheden onderhandelt, en bereidt hij later het eerste staatsbezoek van Erich Honecker (1987) aan de Bondsrepubliek voor.

Bij de herschikking van het kabinet op 21 april 1989 neemt hij de functie van minister van Binnenlandse Zaken over. Een hervorming van het vreemdelingenrecht en wetgeving over de bescherming van veiligheidsgerelateerde gegevens dragen zijn signatuur.

In deze laatste functie is hij de chef-onderhandelaar van het team dat het herenigingsverdrag met de DDR afsluit. In 1988 (9 en 10 november) ontmoet Schäuble in Oost-Berlijn de Oost-Duitse president Honecker en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Oskar Fischer voor gesprekken over de Duits-Duitse relaties. In juli-augustus 1990 leidt Schäuble de onderhandelingen over het herenigingsverdrag tussen de Bondsrepubliek en de DDR. Op 3 oktober vindt de hereniging plaats.

Op 12 oktober 1990 pleegt een geestelijk gestoorde man een aanslag op Schäuble. Tijdens een verkiezingsoptreden in Oppenau wordt hij neergeschoten en raakt zwaargewond. Hij wordt geopereerd, maar blijft vanaf de derde borstwervel verlamd, en voortaan op een rolstoel aangewezen. Toch keert hij na een viertal weken reeds op het politieke toneel terug.

In 1991 wordt Schäuble voorzitter van de CDU/CSU-fractie in de Bondsdag. Hij zet zich in voor de verhuizing van de regering naar Berlijn. Schäuble wordt Kohls vertrouweling, en in 1992 deelt Kohl mee dat hij in Schäuble 'zijn opvolger' ziet.

In 1994 publiceert hij het stuk "Und der Zukunft zugewandt", waarin hij zich beklaagt over het individualisme en onbeweeglijkheid op sociaal vlak van velen, en een pleidooi houdt voor een herbezinning op basis van gemeenschapsgeoriënteerde waarden.

In 1996 heeft hij de leiding over de CDU-commissie "Zukunft des Steuersystems" en propageert een hervorming van het belastingstelsel. Het concept "Tarif 2000 - weniger Steuern, mehr Arbeitsplätze" stelt een verlaging van de directe belastingen en een gebalanceerde verhouding tussen directe en indirecte belastingen voor om meer werkgelegenheid te scheppen.

In 1997 bevestigt Helmut Kohl dat Schäuble zijn wenskandidaat is voor zijn opvolging als partijvoorzitter en kanselier. Kohl laat echter ook weten nog een periode in ambt te willen blijven, zodat de opvolging pas voor 2002 voorzien is.

Na de regering Kohl en het partijfinancieringsschandaal[bewerken]

In 1998, nadat de CDU/FDP regering de verkiezingen verliest, neemt Kohl ontslag als partijvoorzitter. Schäuble wordt op de partijdag van 7 november tot nationaal voorzitter van de CDU verkozen. In zijn dankrede legt hij nadruk op de maatschappelijke positie van de CDU als "grote integrerende volkspartij van het midden".

In 1999 wekt Schäuble politiek opzien met de CDU-campagne "Integration ja - Doppelte Staatsbürgerschaft nein" (Integratie ja, dubbele nationaliteit nee). Hij initieert een handtekeningeninzameling om tegen een door de regering geplande wijziging (vereenvoudiging) van de inburgeringsregels te protesteren. Sommigen verwijten hem en de CDU door deze actie vreemdelingenhaat aan te wakkeren, en stemmen te willen vangen in het extreem rechtse milieu.

Ook in 1999 breekt het CDU-partijfinancieringsschandaal uit. Uit onderzoek blijkt dat de partij onder leiding van Kohl een uitgebreid systeem van geheime rekeningen had waarop illegale partijgiften terecht kwamen. Op 26 november eist Schäuble dat de boekhouding van de partij door een onafhankelijk accountantskantoor doorgelicht zou worden. Wanneer Kohl op 30 november toegeeft dat er een parallel boekhoudsysteem bestaat, keert Schäuble zich, samen met Angela Merkel zich af van zijn vroeger sponsor Helmut Kohl, en eist volledige opklaring van de zaak. Schäuble blijft voorzitter tot 2000, wanneer hij zijn partij- en fractievoorzitterschap als gevolg van zijn verwikkeling in het schandaal niet meer kan voortzetten.

Op 10 januari 2000 geeft Schäuble toe dat hij in 1994 een gift van 100.000 DM (50.000 euro) in contanten van de wapenhandelaar Karlheinz Schreiber aangenomen heeft. Volgens zijn verklaringen zou hij deze som aan penningmeesteres Brigitte Baumeister overhandigd hebben. Baumeisters versie is anders: zij beweert de som van Schreiber ontvangen te hebben en aan Schäuble verder gegeven te hebben. Tevens verzekert hij Schreiber maar een keer gesproken te hebben. Op 31 januari geeft Schäuble dan toe, in tegenspraak met zijn vroegere verklaringen, Schreiber ook in 1995 ontmoet te hebben. Schäubles geloofwaardigheid komt in het gedrang, en op 16 februari verklaart hij niet langer voor het partij- en fractievoorzitterschap ter beschikking te staan.

Op 29 februari 2000 wordt Friedrich Merz tot nieuwe fractievoorzitter gekozen, op 10 april volgt Angela Merkel hem op als partijvoorzitter. Schäuble blijft echter lid van het nationale bestuur van de partij.

In een televisie-uitzending van 6 april met als titel "Schäubles Fall: Innenansicht einer Affäre" bestempelt hij zichzelf als slachtoffer van een intrige vol criminele elementen. Op 13 april 2000 verschijnt Schäuble voor het parlementscomité dat het schandaal onderzoekt. Onder eed stelt hij er nogmaals dat noch CDU, noch de regering onder Helmut Kohl omkoopbaar waren. Bovendien herhaalde hij zijn verklaringen aangaande de gift van 100.000 DM die hij van Karlheinz Schreiber ontvangen zou hebben. Het blijft dus bij zijn woord tegen dat van Brigitte Baumeister. In juni zal Schreiber om deze verklaring een klacht wegens meineed tegen Schäuble indienen.

De comeback[bewerken]

Nadat op 16 juni 2001 Eberhard Diepgen het vertrouwen van het Berlijnse Huis van Afgevaardigden, als gevolg van het bankschandaal, verloren had, en Klaus Wowereit (SPD) als nieuw regerende burgemeester aangetreden was, wordt Schäuble als CDU-topkandidaat voor vervroegde verkiezingen van oktober 2001 naar voor geschoven. De partijdag van de Berlijnse CDU geeft echter de voorkeur aan de lokale voorman Frank Steffel.

In oktober 2000 publiceert hij zijn boek "Mitten im Leben". Hierin geeft hij zijn visie op de ontwikkeling van de CDU na de verkiezingsnederlaag van 1998 weer. Belangrijke thema's hierbij zijn het financieringsschandaal en de richtingen- en machtsstrijd binnen de partij.

Tijdens de verkiezingen van 2002 maakt hij deel uit van het competentie-team van Unionskandidaat Edmund Stoiber.

In het parlement wordt hij plaatsvervangend fractievoorzitter voor buitenlandse, veiligheids- en Europapolitiek (oktober 2002). Als parlementslid maakt hij als plaatsvervangend lid deel uit van de volgende comités:

  • Buitenlandse zaken
  • Verdediging
  • Mensenrechten en humanitaire hulp
  • Europese aangelegenheden

In 2003 valt hij politiek op door zijn duidelijke pro-Amerikaanse houding inzake de Irak-oorlog. In verschillende talkshows en interviews verdedigde hij de houding en het optreden van de USA, en wees kritiek ter zake scherp van de hand.

Ook voor de presidentsverkiezingen van 2004 was Wolfgang Schäuble voor de CSU en grote delen van de CDU de wens-kandidaat. Niettegenstaande de steun van de Beierse minister-president Edmund Stoiber (CSU) en van de Hessische minister-president Roland Koch haalde hij de nominatie niet, daar een aantal CDU-politici, onder wie voorzitster Angela Merkel, en de FDP hun ondersteuning weigerden omdat zijn rol in het partijfinancieringsschandaal nog steeds niet volledig duidelijk was. Uiteindelijk werd Horst Köhler als gemeenschappelijke kandidaat van de Union en de FDP voorgedragen (en ook verkozen).

Tijdens de verkiezingen van 2005 maakt hij, als specialist voor buitenlandse zaken, deel uit van het competentieteam van Unionskandidatin Angela Merkel. Van 2005 tot en met 2009 is hij minister voor Binnenlandse Zaken in het kabinet-Merkel I. In oktober 2009 wordt bekend dat hij in het kabinet-Merkel II minister van Financiën zal worden.

In de jaren tussen 2010 en 2013 speelde hij een cruciale rol in de Europese staatsschuldencrisis.

Sinds 26 maart 2014 is Schäuble het langstzittende Bondsdaglid. Tot die tijd was Richard Stücklen (CSU), die van 1949 tot 1990 lid van de Bondsdag was, het langstzittende lid.

Uitspraken[bewerken]

  • "In principe zijn alle mensen gehandicapt. Het voordeel van ons soort gehandicapten is echter, dat wij dit weten." (Uit: Focus Nr.12/2006)
  • "Ik weet alleen dat wat wij weten. Of ik alles weet wat wij weten, weet ik ook niet. Maar ik weet natuurlijk dat niemand weet wat hij niet weet." (Uit een persconferentie in 2007, geciteerd uit zdf.de, 22/5/2007)
  • "Schubert, Haydn, Mozart en veel andere klassieke componisten hebben ons laten zien dat de vermenging van het populaire met het artistieke niet ten koste hoeft te gaan van de kwaliteit. Integendeel. Het kan de aantrekkelijkheid zelfs nog verhogen." (Dit werd uitgesproken tegenover Sir Simon Rattle, 6/2/2006. Redearchiv des Bundesministeriums des Innern)
  • "Aan mijn rolstoel bevestig ik geen Duitse vlag. De Berlijnse senator heeft gezegd, dat aan voertuigen van de politie geen vlaggen horen. Als Minister van Binnenlandse Aangelegenheden ben ik de senior werkgever van politie, dus is mijn rolstoel eigenlijk ook een politievoertuig. In de brede zin des woords." (Uit: Focus Nr.27, 3/7/2006)
  • "Als je je toch eens de gigantische hoogte van de sociale uitkeringen bekijkt, dan loopt er in dit land toch iets in het honderd." (Uit een interview, Süddeutsche Zeitung, 30/12/2006, bmi.bund.de)

Prijzen en eretekens[bewerken]

Publicaties[bewerken]

  • Der Vertrag. Wie ich über die deutsche Einheit verhandelte (DVA, 1991)
  • Und der Zukunft zugewandt (Siedler, 1994)
  • Und sie bewegt sich doch (Siedler, 1998)
  • Mitten im Leben (Bertelsmann, 2000)
  • Scheitert der Westen? (Bertelsmann, 2003)

Externe link[bewerken]