Rusland-Duitsers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Wolga-Duitsers)
Ga naar: navigatie, zoeken
Etnische Duitsers uit het Wolga-gebied in een vluchtelingenkamp in het Duitse Schneidemühl in 1920

Met Rusland-Duitsers (Duits: Russlanddeutsche; Russisch: Российские немцы, Rossijskie nemtsjie) of Wolga-Duitsers (Duits: Wolgadeutsche, Russisch: Поволжские немцы, Povolzhskie nemtsjie) worden de Volksduitsers bedoeld die in Rusland of de Sovjet-Unie wonen of gewoond hebben. Heden ten dage wonen hun afstammelingen in Rusland, Kazachstan, Duitsland en Amerika.

Met Rusland-Duitsers (Duits: Russlanddeutsche, Russendeutsche; Russisch: Российские немцы, Rossijskie nemtsjie) wordt in overkoepelende zin het geheel aangegeven van Duitstaligen in het Tsaristische Rijk, waaronder toentertijd ook de Baltische landen en het grootste deel van Polen behoorden. In 1910 waren dat 1,8 miljoen Russische staatsburgers. De 1,2 miljoen Duitstaligen in dat gedeelte van het Russische Rijk dat na 1916 de Sovjet-Unie zou gaan vormen, kregen vervolgens de naam Sovjet-Duitsers.

De vermindering met 0,6 miljoen ten opzichte van hun aantal in de tsaristische periode is een gevolg van de gebiedsafstand van het Russische deel van Polen aan de nieuwe staat Polen, de verzelfstandiging van de drie Baltische staten en Finland en de afstand van de provincie Bessarabië (nu: Moldova) aan Roemenië. In deze gebieden woonden omvangrijke Duitstalige bevolkingsgroepen waarvan zeker de Baltische Duitsers een geheel andere historische achtergrond hadden dan de hier te behandelen afstammelingen van boerenkolonisten. Tezamen met miljoenen anderen, eveneens behorende tot Duitstalige minderheden in de staten van Midden- en Oost-Europa, worden zij traditioneel als Volksduitsers aangeduid.

De 0,4 miljoen Wolga-Duitsers (Duits: Wolgadeutsche, Russisch: Поволжские немцы, Povolzhskie nemtsjie) vormden een derde deel van de Sovjet-Duitsers. Zij woonden geografisch zodanig bijeen dat hun in 1924 toegestaan kon worden om een eigen autonome sovjet-republiek in te richten.

Heden ten dage wonen de afstammelingen van de Sovjet-Duitsers nog maar voor een klein deel in Rusland en Kazachstan. Velen zijn geëmigreerd naar de Verenigde Staten, Canada en Zuid-Amerika. Na 1990 volgde een massale uittocht naar Duitsland.

Kolonisten[bewerken]

Nadat de zuidelijke Oekraïne en het Wolgagebied waren veroverd en gepacificeerd liet Tsarina Catharina de Grote deze streken na 1763 bevolken door kolonisten. De Kozakken vormden een deel van deze kolonisten, maar zij werden ook geworven onder arme boeren uit de Duitse landen en dan voornamelijk uit het zuiden van Hessen en uit de Palts (Pfalz). Zij vormden aparte, grotendeels autarkische gemeenschappen met grote locale bestuurlijke, religieuze en economische vrijheden, waardoor zij zich sterk onderscheidden van de Russische boeren die in de regel lijfeigenen zonder rechten en bezit waren. De 25.000 kolonisten aan de Wolga vestigden zich in meer dan 100 kolonies, vermeerderden zich aanzienlijk en telden zodoende in 1850 al 165.000 inwoners in 170 dorpen, en in 1900 400.000 inwoners in ca. 200 dorpen. In de eerste jaren hadden deze jonge kolonies sterk te lijden van rooftochten van Kazakken, Tataren en Kalmukken. In de Oekraïne begon de kolonisatie iets later, na 1783, met 65.000 boeren uit Württemberg, Baden, de Elzas en Beieren. Deze Oekraïne-Duitsers, ook wel Zwarte-Zee-Duitsers genoemd, waren in 1900 toegenomen tot 0,6 miljoen in meer dan 200 dorpen. Een aparte groep vormden Mennonieten die na 1803 vertrokken uit de omgeving van Danzig) in West-Pruisen om de Pruisische militaire dienstverplichting te ontwijken. Tegen het midden van de 19de eeuw hield de immigratie uit de Duitse landen op, maar de grote bevolkingsaanwas in de oude kolonies zorgde steeds en ook nadien voor de stichting van vele nieuwe dorpen in de omgeving van de oudere vestigingen en in verder weg gelegen streken, zoals op de Krim, in de Kaukasus en het westen van Siberië.

Vooral de Oekraïense dorpen, en daaronder de Mennonitische in de eerste plaats, kwamen tot grote welvaart. Zij voerden de eerste technische vernieuwingen in en stichtten ook industrieën voor landbouwmachines, die weldra de helft van de gehele Russische productie omvatten. Daarnaast hielden zij de agrarische handel in eigen handen en gebruikten daarvoor hun eigen kredietbanken. Ook de verwerking van agrarische producten, met name ten behoeve van de textielindustrie, kwam in eigen handen tot een grote ontwikkeling. Hoewel de Rusland-Duitsers in deze gebieden niet meer dan een tiende van de bevolking uitmaakten, verwierven zij in de loop der tijden een vierde tot een derde van de landbouwgronden. Een geheel eigen groep vormden de Mennonieten uit de Weichsel-delta. Hun vrijheden werden door de Pruisische koningen gaandeweg ingetrokken. In 1773 werd een militaire belasting ingevoerd voor degenen die niet onder de wapenen wilden komen, in 1789 moesten zij hun oproep voor de dienst afkopen, in 1848 werden ze ook opgeroepen hoewel in 1867 werd toegestaan dat ze facilitaire functies verrichtten in het Pruisische leger. Deze politiek had tot gevolg dat de helft van hun - 10.000 - in de loop van deze tijd naar Rusland vertrokken waar zij zich tot 150.000 vermeerderden. Omdat ook de tsaren hun aanvankelijke dienstplichtvrijheid in 1874 introkken, emigreerden 30.000 Mennonieten naar Amerika, waar velen van hun zich aansloten bij de Amish en anderen kolonies stichtten in Paraguay.

Taal[bewerken]

De dagelijkse omgangstaal werd een dynamisch amalgaam van dialecten uit het zuidwesten van Duitsland. De Mennonieten weken daarvan af met hun variant van het Pruisische Nederduits ('Platt'). Dit dialect staat nog steeds bekend als Plautdietsch. Sommigen willen er Nederlands in horen omdat er elementen in bewaard gebleven zijn van de taal van de voorouders van deze Mennonieten die als Doopsgezinden ofwel Mennisten rond 1600 vanuit de Nederlanden naar Westpruisen getrokken zijn. Overigens werd in de kerken en op de scholen in alle Duitse dorpen in Rusland het Hoogduits als overkoepelende taal geleerd en gebruikt, vooral onder de Lutheranen welke twee derde van het totaal aan Duitstaligen omvatten. Zij ontwikkelden onderwijsvoorzieningen op hoog niveau en bereikten in het midden van de 19de eeuw een alfabetismecijfer van 80% terwijl het percentage onder de Russen toen nog beneden 20% lag.

Discriminatie en vervolging[bewerken]

Huwelijken tussen Duitsers en Russen vonden niet plaats door het verschil in rechtspositie en godsdienst en ook door het verbod voor Russisch-orthodoxen om over te gaan tot een andere godsdienst dan die van de staat. Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden de eerste vervolgingen door de onteigening en collectivisering van het grondbezit. Als koelakken werden ook de Sovjet-Duitsers slachtoffer van de grote hongersnood van de jaren 1921-1922 waaraan alleen al 50.000 Wolga-Duitsers en vermoedelijk niet minder Oekraïne-Duitsers stierven, naast overigens 4 miljoen Oekraïense en Russische boeren. Een deel van de Mennisten slaagden er in om in de jaren twintig te emigreren naar Canada en de Verenigde Staten, en ook naar Brazilië en naar Paraguay, waar de nog steeds bestaande kolonies Friesland, Volendam, Menno, Neuland en Fernheim door hen bewoond worden. Omdat het Sovjet-rechtssysteem geen religieuze identiteit erkende, verscholen de Mennisten zich om toestemming tot emigratie te krijgen vaak onder de dekmantel van ‘Hollanders’.

Autonome Republiek van de Wolga-Duitsers[bewerken]

In 1924 mochten de Wolga-Duitsers een autonome socialistische sovjetrepubliek, de Sovjetrepubliek der Wolga-Duitsers, oprichten, met de vrijheid hun taal te gebruiken, in beperkte en vooral lokale zin want deze republiek werd bestuurd door een in meerderheid Russischtalig ambtenarencorps. Het tot dusverre door de kerken georganiseerde plaatselijke onderwijs werd vervangen door Russischtalig staatsonderwijs en dat verdubbelde voorlopig het analfabetisme onder de Duitstalige kinderen.

1rightarrow blue.svg Zie Volksduitsers voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow blue.svg Zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onmiddellijk na de Duitse inval in de Sovjet-Unie, in augustus 1941, werd deze republiek opgeheven en haar bevolking gedeporteerd naar Siberië en Kazachstan, zogenaamd omdat zij voorbereidingen zou hebben getroffen voor de ontvangst van de Duitse troepen. Dat was een logistieke onmogelijkheid en diende als voorwendsel. Tijdens de deportatie kwamen één op de vijf, honderdduizend in totaal, om. Nadat zij zich in de jaren vijftig weer vrij mochten vestigen, raakten Wolga-Duitsers verstrooid over de Sovjet-Unie en de jonge generatie mengde zich door huwelijken onder de Russen zodat hun cultuur en taal meer en meer naar de achtergrond gedrongen werden. Na hun officiële rehabilitatie in 1956 zouden pogingen om de Wolga-Duitse Autonome Socialistische Sovjetrepubliek opnieuw op te richten op niets uitlopen.

De Oekraïne-Duitsers woonden in gebieden die in 1941 door het Duitse leger onder de voet werden gelopen. De Duitse bezettingsautoriteiten bewapenden hen voor hun zelfbescherming tegen partizanen en maakten hen dienstbaar in de bezettingsterreur, met name door hen opsporings-, controle- en bewakingsfuncties te laten uitvoeren. Bij de terugtrekking van het Duitse leger, in 1943 en 1944, moesten zij zich mee laten evacueren naar het westen. Een kwart miljoen kwamen in Polen en Duitsland aan, maar 75.000 werden achterhaald door het Sovjetleger en teruggevoerd om vervolgens na collectieve veroordeling wegens landverraad en collaboratie met de vijand in Goelag-kampen te verdwijnen.

In 1975 telde de Sovjetstatistiek ruim 1,8 miljoen 'Duitsers' in de Unie, waarvan bijna de helft in de Sovjetrepubliek Kazachstan. Velen van hen waren kinderen uit gemengde Duits-Russische huwelijken. Bijna 75% gaf het Duits als moedertaal op, waarbij dat onder de jongste generatie niet meer dan de helft gold. Hun recht op Duitstalig onderwijs bleef door hun geografische verspreiding meestal theorie. Godsdienstige Duitstalige gemeenten konden zich vaak alleen op kleine schaal als huiskamerbijeenkomsten handhaven. Wel waren Duitstalige theaters, kranten en tijdschriften toegestaan en daarin kon een zekere Duitstalige cultuur zich wel op ruime schaal handhaven. Als hoogtepunten uit dit culturele leven kunnen de pianist Sviatoslav Richter en de componist Alfred Schnittke genoemd worden. Na 1965 mochten Duitsers beperkt emigreren naar Duitsland en een kwart miljoen van hen wist daar gebruik van te maken. Na 1990 kregen alle Duitsers, of liever gezegd, elke Rus die een aantal Duitse voorouders kon aantonen, het recht om zich in Duitsland te vestigen. Tot 1997 maakten 1,3 miljoen daarvan gebruik. Hun integratie gaf en geeft nog steeds problemen. Enkele duizenden Ruslandduitsers hebben zich inmiddels in de voormalige Duitse provincie Oost-Pruisen, sinds 1945 de Russische Oblast Kaliningrad, gevestigd.

Mennonieten[bewerken]

Onder de in de 18de eeuw naar Rusland vertrokken Duitstaligen bevonden zich vele Mennonieten. Daaronder moeten dan ook Hutterer ook wel Moravische Broeders begrepen worden. Een aantal Lutheranen ging over tot de Mennonietengemeenten. De meesten zijn al na 1874, na 1920 en na 1945 naar Amerika geëmigreerd. Door bekering van Russen is hun omvang weer aangegroeid en tellen zij in 2005 ongeveer 86.000 personen. Deze Baptisten vallen op door hun handel en wandel. De uiterlijke kenmerken zijn: meisjes en vrouwen hebben lang haar, ze dragen een rok en (als ze getrouwd zijn) een hoofddoek. De gezinnen zijn groot; gezinnen met acht of tien kinderen zijn geen uitzondering. Kerkdiensten duren ongeveer twee uur, soms nog langer. Televisie wordt afgewezen, vooral bij de strengere baptistengemeenten. Roken en drinken zijn taboe. Het leiderschap in de gemeenten staat in geen enkel opzicht open voor vrouwen. Een aantal baptistengemeenten is na 1990 verhuisd naar Duitsland, met concentraties in Sauerland, Teutoburgerwoud, Kassel en Hunsrück. De grootste gemeente bevindt zich in Paderborn, al in 1974 gesticht door Walter Wedel die met zijn gemeente vanuit Kirgizië naar de Bondsrepubliek mocht vertrekken. Aan het eind van de jaren '70 was de gemeente gegroeid tot ruim 500 gedoopte leden. De zondagse diensten werden bezocht door een kleine duizend mensen, van wie een deel buiten onder een groot tentzeil moest blijven staan. In 1980 nam de baptistengemeente een groot nieuw gebouw aan de Dr. Röhrig Damm in gebruik, dat plaats biedt aan 1400 mensen. Nog steeds komen zij daar samen. Het wekelijkse aantal bezoekers ligt nu rond de 600. In en rond Paderborn zijn zeven gemeenten ontstaan, de grootste met 1.200 gedoopte leden. Ze is eind jaren 90 door verschil van inzicht binnen de moedergemeente ontstaan. In Bielefeld hebben de Mennonieten een kerk gebouwd met 3.050 zitplaatsen, een van de grootste van Duitsland. In Espelkamp is een kerk gebouwd met 2200 zitplaatsen.[1]

Bronnen[bewerken]

  • W. Kahle, Aufsaetze zur Entwicklung der evangelischen Gemeinden in Russland, Leiden 1962
  • B. Pinkus en I Fleischhauwer, Die Deutschen in der Sowjetunion, Baden-Baden 1987
  • D. Brandes;, Von den Zaren akzeptiert. Die Deutschen kolonisten 1751-1914, Muenchen 1993
  • M. Buchsweiler, Russlanddeutsche im Sowjetsystem bis zum Zweiten Weltkrieg, Essen 1995
  • G. Stricker, Deutsche Geschichte im Osten Europas. Russland, Berlijn 1997

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties