Yasser Arafat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nobel prize medal.svg
Yasser Arafat
ArafatEconomicForum.jpg
Geboren 24 augustus 1929
Vlag van Egypte Caïro, Egypte
Gestorven 11 november 2004
Vlag van Frankrijk Clamart, Parijs, Frankrijk
Politieke partij Fatah
Partner Suha Daoud Dawil
President van de Palestijnse Autoriteit
Aangetreden 5 juli 1994
Einde termijn 11 november 2004
Opvolger Rawhi Fattuh
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Yasser Arafat

Yasser Arafat (Arabisch: ياسر عرفات Yāsir `Arafāt) (Caïro, 24 augustus 1929Clamart, 11 november 2004) was een Palestijns strijder en politicus, en samen met Yitzchak Rabin en Shimon Peres in 1994 winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Hij was tot zijn dood president van de Palestijnse Autoriteit en leider van zowel het Front voor de Bevrijding van Palestina (PLO) als van zijn voornaamste fractie Al Fatah. Vanwege zijn betrokkenheid bij aanslagen op burgers wordt hij vaak als een terrorist[1] beschouwd.

Inhoud

Namen [bewerken]

Yasser Arafat werd bij geboorte "Mohammed Abdel Rahman Abdel Raouf Arafat Al Qudua Al Husseini" genoemd. Said K. Aburish, zijn Palestijnse biografieschrijver (in Arafat: From Defender to Dictator, Bloomsbury Publishing, 1998, pagina 7) schrijft "Mohammed Abdel Rahman" zijn de voornamen; "Abdel Raouf" zijn vaders naam, "Arafat" zijn grootvaders naam; "Al Qudua" is zijn familienaam; "Al Husseini" is de naam van de clan waartoe de Al Quduas behoorden. Deze Al Husseini-clan dient niet verward te worden met de Al Husseini's uit Jeruzalem, waartoe moefti Mohammad Amin al-Hoesseini en de politicus Faisal Husseini behoorden. In tegenstelling tot wat (ook door Yasser Arafat) beweerd werd is Yasser Arafat geen directe, maar via zijn moeder wel verre familie van Mohammad Amin al-Hoesseini.[2] "Arafat" is een belangrijke islamitische plaats bij Mekka. Yasser Arafat staat overigens ook bekend als "Yassir Arafat" of "Abu Ammar".

Levensloop [bewerken]

Geboorte [bewerken]

Een fotoportret van een jonge Arafat, rond 1940

Over zijn geboorteplaats en -datum bestond tot voor kort geen zekerheid. Vaak noemden mensen die hem van jongs af kenden Caïro in Egypte (op 24 augustus, 1929) als zijn geboorteplaats en ook zijn duidelijke Egyptisch-Caïroese accent duidde hierop, maar Arafat stelde steevast te zijn geboren in Jeruzalem (op 4 augustus 1923) 'zoals een Palestijns leider past'. Ook werd de stad Gaza wel eens genoemd als zijn geboorteplaats. Een latere vondst van zijn geboortebewijs maakte een einde aan die onduidelijkheid hoewel Arafat aanvankelijk volhield dat dit een vervalsing betrof. Arafat bleek toch in Caïro te zijn geboren.

Arafat was de vierde van zeven kinderen van een kleine winkelier Abdel Rauf al-Qudwa, die omstreeks 1927 uit Gaza naar Egypte was gekomen omdat hij land in Egypte had geërfd. Hij kreeg uiteindelijk dit stuk land nooit in zijn bezit door juridische verwikkelingen. Zijn moeder Zahwa was een Husseini. Arafat groeide op in een wijk van de middenklasse van Caïro tussen Joden en Libanese christenen.

Studentenleider en ingenieur [bewerken]

In Caïro studeerde Arafat voor ingenieur, maar de politiek interesseerde hem meer. Hoewel hij later beweerde goed te zijn in wiskunde, zakte hij daar aanvankelijk op. Hij volgde een militaire training bij de Moslim Broederschap en bleef zijn leven lang een trouw moslim, meer dan andere Arabische leiders van zijn tijd.[3] Zijn politieke loopbaan begon hij in de Palestijnse Club in Egypte. In 1952 nam hij met een medestudent Salah Khalaf, ook bekend als Abu Iyad de Palestijnse Studentenbond over. Hij werd verkozen tot voorzitter en organiseerde onder meer debatten en een studentenblad. Arafat ontmoette ook Abu Jihad, zijn andere latere medewerker. In 1956 werkte Arafat na zijn afstuderen bij de Egyptische Cement Corporation en later in Koeweit aan wegenaanleg voor de overheid daar.

Fatah [bewerken]

Op 10 oktober 1959 stichtte Arafat met andere Palestijnen in Koeweit de Fatah-beweging.

Palestijns leider [bewerken]

PLO [bewerken]

Arafat, Oost-Berlijn (1971)
Rabin, Clinton en Arafat in 1993

In de jaren 60 van de 20e eeuw wist Arafat de Palestijnse kwestie op de internationale agenda te krijgen. Vanuit zijn overkoepelende organisatie, de PLO, gaf hij leiding aan de Palestijnen. In 1970 werd hij door Koning Hoessein van Jordanië met krachtige hand het land uitgezet omdat de PLO een bedreiging werd voor de eenheid van Jordanië en een mislukte staatsgreep pleegde. Arafat verplaatste zijn hoofdzetel naar Beiroet in Libanon. Vanuit Libanon zette hij de strijd voor de Palestijnse zaak voort. Syrië verhinderde dat Palestijnse guerrilla's vanuit Libanon via Syrië Jordanië binnenvielen. Hij maakte daarbij gebruik van geweld en terreur.

Diplomatie [bewerken]

Ook betrad hij in de jaren 70 diplomatieke wegen. In 1974 sprak hij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toe over het Palestijnse vraagstuk. In 1982 verplaatste Arafat zijn hoofdkwartier naar Tunis, nadat het Israëlische leger Libanon binnenviel en rondom Beiroet gelegerd was. In 1988 riep de PLO de Palestijnse staat uit, die door zo'n negentig landen erkend werd. In 1990 koos Arafat de zijde van Saddam Hoessein nadat deze Koeweit veroverd en bezet had. Na de daaropvolgende Golfoorlog (1990-1991) stond Arafat aan de internationale zijlijn.

Vredesproces 1993 - 2001 [bewerken]

In 1993 bleek echter dat Israël niet om Arafat heen kon. In het kader van de Oslo-akkoorden schudde hij in de tuin van het Witte Huis premier Rabin van Israël de hand. Hierbij verklaarde Arafat Israël als land te erkennen. In 1994 ontving Arafat samen met Yitzchak Rabin en Shimon Peres de Nobelprijs voor de Vrede. Arafat werd verkozen tot voorzitter van de Palestijnse Autoriteit. Ondertussen begonnen echter onder leiding van Hamas uiterst bloedige zelfmoordaanslagen in Israël, gevolgd door Israëlische tegenacties. In 2000 waren er nieuwe gesprekken over vrede tussen Israël en de Palestijnen. Deze mislukten volgens de ene bron omdat Arafat geen enkele concessie wilde doen, volgens de andere bron omdat de voorstellen van Barak de Palestijnse Gebieden fragmenteerden en de vluchtelingen en de status van Jeruzalem niet behandeld werden. Na de mislukte vredesbesprekingen laaide het wederzijdse geweld weer op.

Rol uitgespeeld 2001 - 2004 [bewerken]

De Amerikanen kenden sinds 2000 geen rol van betekenis meer toe aan Arafat in de vredesregeling voor het Midden-Oosten. Israël beschouwde Arafat als volkomen onbetrouwbaar. Er werd zelfs gedreigd met liquidatie, volgens Arafat. Bij een minderheid van Palestijnen behield Arafat zijn status als leider van de natie.

In maart 2002 kwamen in een golf van terroristische aanslagen 129 Israëlische burgers om.[4] De dag na de aanslag op het Park Hotel in Netanya verklaarde Arafat zich na twee weken onderhandelen met de Amerikaanse onderhandelaar Anthony Zinni bereid een staakt-het-vuren te aanvaarden, terwijl een Palestijnse terrorist vier Joodse burgers doodschoot op de West Bank. Het Israëlische leger lanceerde een aanval op het complex in Ramallah dat Israël in 1995 aan hem afstond als hoofdkwartier. Het gebouw, een voormalig Brits politiebureau, werd zwaar beschadigd, maar uiteindelijk trok het Israëlische leger zich onder internationale druk terug. Sindsdien leefde Arafat er onder permanente Israëlische controle.

Huwelijk [bewerken]

Hoewel Arafat altijd verklaarde "gehuwd te zijn met de Palestijnse zaak", is hij op late leeftijd, aanvankelijk in het geheim, in 1990 gehuwd met Suha Daoud Dawil. Het echtpaar kreeg in 1995 een dochtertje, Zahwa, dat in het Amerikaanse ziekenhuis bij Parijs geboren werd. Het paar leefde sinds het begin van de Palestijnse opstand (de Tweede intifada) samen en is in 2000 gescheiden. Zijn vrouw en dochtertje wonen in Parijs. Mevrouw Arafat heeft onlangs de Franse nationaliteit verkregen.

Ziekte [bewerken]

Sinds een vliegtuigongeluk in 1992 dat hem bijna het leven kostte, leed Arafat aan neurologische aandoeningen. Hij had tremor in zijn handen en onderlip, een symptoom van de ziekte van Parkinson. In 2003 gingen er geruchten dat Arafat aan maagkanker leed, maar later bleek hij last van galstenen te hebben.

Eind oktober 2004 ging het met de gezondheid van Arafat snel achteruit. Er werd een comité benoemd dat hem moest vervangen: premier Ahmed Qurei, diens voorganger Mahmoud Abbas en de voorzitter van de Palestijnse Nationale Raad, Salim al-Zaanoun. Het trio zou de taken van Arafat waarnemen indien hij een operatie zou moeten ondergaan. Nadat de Israëlische premier Ariel Sharon had beloofd dat Arafat veilig Ramallah kon verlaten en zijn eventuele terugkomst werd gegarandeerd, werd Arafat op 29 oktober overgebracht naar een militair ziekenhuis in de Franse plaats Clamart bij Parijs.

Begin november werd meegedeeld dat Arafat in coma lag. Regelmatig deden er geruchten de ronde over zijn gezondheidstoestand die varieerden van erg optimistisch tot de melding dat Arafat hersendood zou zijn.

Eind 2011 is op initiatief van nieuwszender Al Jazeera een onderzoek gestart naar de nooit opgehelderde omstandigheden waaronder Arafat stierf. Een duidelijk ziektebeeld is namelijk nooit vastgesteld en autopsie heeft niet plaatsgevonden. Terwijl de autoriteiten en bij de behandeling betrokken artsen weigeren mee te werken, stelt de weduwe Suha Arafat een hoeveelheid persoonlijke bezittingen van Arafat zijn laatste levensdagen in het ziekenhuis ter beschikking voor onderzoek. Hierop wordt door Zwitserse wetenschappers een verhoogde hoeveelheid onnatuurlijk polonium-210 aangetroffen. De resultaten zijn basis voor speculatie. Om onomstotelijk vergiftiging met polonium-210 vast te stellen, is meer biologisch materiaal vereist.

Overlijden en begrafenis [bewerken]

In de vroege ochtend van 11 november 2004 overleed hij in het ziekenhuis te Clamart op 75-jarige leeftijd. Dezelfde dag nog werd zijn stoffelijk overschot naar de Egyptische stad Caïro overgebracht.

Arafats graf in Ramallah

Hier vond de volgende ochtend een islamitische uitvaartplechtigheid plaats in aanwezigheid van onder meer de gezant voor het Midden-Oosten van de VN Terje Rød-Larsen, de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-landen, India, Iran en Turkije, de vicepremier van China, de eerste ministers van Maleisië, Pakistan, Sri Lanka en Zweden, de (toenmalige) kroonprins van Saoedi-Arabië Abdoellah, de vicepresident van Irak, de presidenten van Algerije, Bangladesh, Egypte, Indonesië, Libanon, Soedan, Tunesië, Jemen, Zimbabwe en Zuid-Afrika. De Verenigde Staten werden vertegenwoordigd door William Burns, een adviseur van de minister van Buitenlandse Zaken. Van Israëlische zijde kwam niemand.

Een tweede uitvaartplechtigheid vond 's middags plaats in Ramallah op de Westelijke Jordaanoever waar Arafat vervolgens werd begraven; die plechtigheid verliep zeer chaotisch vanwege de enorme Palestijnse menigte die zich verdrong rond Arafats lijkkist. Volgens de Palestijnen is zijn graf 'voorlopig' omdat zij Arafat in de toekomst willen laten herbegraven op de Tempelberg in Jeruzalem als zij eventueel zeggenschap over Oost-Jeruzalem krijgen. Op het Palestijnse verzoek om Arafat direct na zijn dood op de Tempelberg te mogen begraven, reageerde de Israëlische regering afwijzend. Bepaalde extremistische Palestijnse groeperingen zoals al-Aqsa Martelarenbrigades en Hamas beschuldigden Israël ervan voor Arafats dood verantwoordelijk te zijn.

Ook in Israël waren de reacties gevarieerd: Op de Westelijke Jordaanoever stelde men zich terughoudend op en stond tijdelijk het dragen van wapens door Palestijnse agenten (soldaten) toe. Sharon verzocht zijn ministers zich terughoudend uit te drukken. In Nazareth hielden Arabische Israëliërs een vredige optocht in Arafats nagedachtenis. Ook de internationale reacties waren gevarieerd. President Bush van de Verenigde Staten sprak over het overlijden als "een belangrijk moment in de Palestijnse geschiedenis". President Chirac van Frankrijk stelde: "met Arafat verdwijnt een moedig en overtuigd man, die veertig jaar lang de strijd van de Palestijnen voor erkenning van hun nationale rechten belichaamde."

Onderzoek doodsoorzaak [bewerken]

Het lichaam van de overleden Palestijnse leider is op 27 november 2012 opgegraven en er zijn monsters genomen die zullen worden getest op de aanwezigheid van het radioactieve polonium, omdat er hoge concentraties polonium op zijn kleding zouden zijn gevonden. Het stoffelijk overschot wordt onderzocht om een einde te maken aan het mysterie rond zijn dood. Het stoffelijk overschot is meteen daarna in het mausoleum teruggeplaatst.

Terrorist [bewerken]

Eerste aanslagen [bewerken]

Tussen september en december 1967 organiseerde Arafat met zijn Fatah-groep vanuit Nablus op de West Bank een zestigtal aanslagen op vooral Israëlische burgerdoelen als boerderijen, fabrieken en een bioscoop. Israël sloeg terug. In totaal had dit ongeveer 600 gewonden en 200 doden als gevolg.[5]

Tussen 1969 en 1985 pleegden PLO-groepen meer dan 8000 aanslagen, waarvan tenminste 435 in het buitenland. Meer dan 650 Israëli's (waarvan driekwart burgers), 28 Amerikanen en tientallen burgers van andere landen kwamen daarbij om.[6]

Motivatie [bewerken]

In 1968 legde Arafat in een interview uit, dat geweld moest worden gebruikt tegen de Israëlische burgers "om een klimaat van spanning en angst te creëren en te laten voortduren, zodat de Zionisten begrijpen dat het voor ze onmogelijk is om in Israël te wonen."[7] Later zei hij dat "de Israëli's één grote angst hebben, namelijk voor slachtoffers", die hij wilde uitbuiten. Het alternatief was om het Israëlische leger aan te vallen, wat moeilijker was. Het doel was om

"immigratie te voorkomen en emigratie te bevorderen,.. het toerisme te vernietigen, immigranten zich niet laten hechten, de Israëlische economie te verzwakken en een deel van de welvaart te laten besteden aan veiligheid."

Op deze wijze zou de PLO Israël onontkoombaar verzwakken, waarna "een snelle klap door legers op het goede moment" Israël zou opheffen.[8]

Arafat wist terrorisme en diplomatie te combineren.[9] De bijnaam teflon terrorist van Westerse inlichtingendiensten dankte hij aan het feit dat zijn betrokkenheid bij aanslagen hem in het Westen niet schaadde.[10] Bij een diner met de Roemeense dictator Ceauşescu in mei 1973 beriep Arafat zich op zijn moord op de Amerikaanse ambassadeur in Soedan. Toen zijn tafelgenoten hem er op wezen dat het gevaarlijk was dit toe te geven, zei Arafat: "Ik? Ik heb er niets mee te maken!".[11]

In 1971 richtte Arafat een geheime internationale terroristische groep op, de Zwarte September, die aanslagen pleegde onder meer in Egypte, Jordanië, Duitsland en Soedan. Achttien maanden na de aanslag in München kon Arafat in november 1974 de Assemblee van de Verenigde Naties toespreken.

Abu Ubeid al-Qurashi, een medewerker van Osama bin Laden, verklaarde[12] dat de aanslagen van de PLO een voorbeeld waren geweest voor de terreuraanslagen van 11 september 2001. De aanslag in München van 1972 leidde niet tot inwilliging van de eisen, maar wel werden de doelen van de PLO bekend bij miljoenen. Duizenden jonge Palestijnen meldden zich aan bij de PLO en in het Midden-Oosten werden nieuwe terroristische groepen opgericht.

München 1972 [bewerken]

1rightarrow.png Zie Bloedbad van München voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 5 september 1972 werd de Israëlische Olympische ploeg in München, tijdens de Olympische Spelen, gegijzeld door de Palestijnse Zwarte Septemberbeweging. Deze gebeurtenis gaf destijds een enorme schok. Onlangs is uit de autobiografie van Abu Daoud, de Palestijn die deze aanslag heeft beraamd, duidelijk geworden dat hij handelde in opdracht van en met medeweten van Yasser Arafat. Twee Israëliërs werden direct gedood. De gijzelnemers eisten de vrijlating van een groot aantal (200) gevangengenomen Palestijnen. De bevrijdingsactie, op het vliegveld van München, kostte aan nog 9 Israëliërs, 5 Palestijnen en één Duitse politieman het leven. Drie Palestijnen werden gearresteerd en na een volgende gijzelneming vrijgelaten. Het Duitse openbaar ministerie had, na de uitgave van de biografie, een arrestatiebevel tegen Oudeh uitgevaardigd. Oudeh was lid van de Palestijnse Nationale Raad en advocaat in Ramallah. De Palestijnse Autoriteit weigerde Oudeh uit te leveren aan Duitsland.

Khartoem 1973 [bewerken]

De FBI, de nationale recherche van de Verenigde Staten, heeft onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van Arafat bij de moord op twee Amerikaanse diplomaten in Khartoem in Soedan. Op 1 maart 1973 bezetten acht leden van de terroristische organisatie de Zwarte September, een aan de PLO gelieerde organisatie, de Saoedische ambassade in Soedan en namen onder meer de diplomaten Cleo A. Noel, Jr., George Curtis Moore en de Belgische ambassademedewerker Guy Eid in gijzeling.

De volgende dag werd het drietal door de gijzelnemers vermoord. De FBI heeft documenten en kopieën van documenten onderzocht waaruit zou blijken dat Arafat opdracht tot het vermoorden van de diplomaten heeft gegeven. De documenten bevatten gespreksverslagen van Arafat met de bezetters van de ambassade. Uit de door de Amerikanen onderschepte telefoongesprekken tussen de gijzelnemers en Yasser Arafat zou zijn gebleken dat Arafat opdracht tot liquidatie van de gijzelaars heeft gegeven. Door Arafats woordvoerder, Saeb Erekat, werd een dergelijke opdracht door Arafat ontkend.

De president van Soedan Jafaar Numeiri, die Arafat eerder had gesteund in Jordanië in september 1970, veroordeelde Arafat: De hulp die het Sudanese volk geeft voor de bevrijding van Palestina wordt gebruikt voor een aanval op ons. Arafat ging niet in op Numeiry's eis om mee te werken aan een onderzoek en het plaatselijk hoofd van Fatah terug te sturen om terecht te staan.

Corruptie en zelfverrijking [bewerken]

Persoonlijke rijkdom [bewerken]

Yasser Arafat beschikte volgens het zakenmagazine Forbes over een persoonlijk vermogen van circa 300 miljoen dollar. Volgens de chef van de Israëlische inlichtingendienst, Aharon Ze'evi, beliep het persoonlijk vermogen van Arafat 1,3 miljard dollar. Het is onduidelijk hoe Arafat als leider van de PLO een dergelijk groot vermogen heeft kunnen opbouwen. Een mogelijkheid is dat hij een deel van de opbrengsten van staatsmonopolies kreeg.[13]

Corruptie met openbare fondsen [bewerken]

Het IMF heeft aan de hand van de boekhouding van de Palestijnse Autoriteit duidelijk gemaakt dat Arafat 900 miljoen dollar uit publieke fondsen heeft overgeheveld naar rekeningen die hij zelf controleerde. Anderen zijn van oordeel dat Arafat waarschijnlijk tussen de 1 en 3 miljard dollar heeft verschoven naar door hem beheerde rekeningen.

De vrouw van Arafat, Suha, ontving van de Palestijnse Autoriteit elke maand 100.000 dollar als toelage. Volgens het weekblad Forbes heeft de huidige minister van Financiën van de PA als belangrijke taak om de financiële middelen die naar Arafat persoonlijk vloeien te beperken.

In oktober 2003 heeft de Franse overheid ook onderzoek gedaan naar financiële stromen rond de vrouw van Arafat. Er vond een verschuiving van 1,27 miljoen dollar plaats van bankrekeningen uit Zwitserland naar de rekeningen van mevrouw Arafat in Parijs.

Alles bij elkaar zijn er vragen te stellen bij de financiële rechtmatigheid van de verschillende verschuivingen. Volgens sommigen zou het IMF hebben vastgesteld dat Arafat 900 miljoen dollar aan financiële hulp voor de Palestijnen in eigen zak heeft gestoken. Jim Price, een Amerikaans accountant die de hele zaak namens de PA onderzocht heeft, meldt dat de 900 miljoen dollar bestemd voor Palestijnen daar niet terecht zijn gekomen. Dennis Ross, adviseur voor het Midden-Oosten voor de regering van Bill Clinton, meldt eveneens dat het geld aan de Palestijnen is onthouden. Arafat heeft het, aldus Ross, voor zichzelf van de Palestijnen gestolen.

Ook door de Europese Commissie werd misbruik van verstrekte financiële middelen door de Palestijnse Autoriteit geconstateerd. Veel hulpgelden zijn niet op de juiste plaats terechtgekomen. Overigens heeft de Europese Commissie gesteld dat de middelen niet zijn aangewend voor terreurdoeleinden.

Nederland en Yasser Arafat [bewerken]

Vanaf de jaren tachtig hadden diverse Nederlandse politici vrij regelmatig ontmoetingen met Yasser Arafat (bijvoorbeeld de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo). Deze ontmoetingen gingen ook door na het uitbreken van de Tweede Intifada in september 2000.

Interpretatie [bewerken]

In hun boek Yasir Arafat: A political biography argumenteren Rubin en Colp Rubin dat Arafat wel in staat was om de macht te behouden, maar niet om deze te gebruiken voor zijn volk. Hij was voornamelijk geïnteresseerd in permanente revolutionaire strijd, niet in verbetering van het lot van zijn volk. Daarom wees hij alle compromissen af en weigerde hij vrede met Israël bij de onderhandelingen in 2000, ondanks de concessies van Israël. Ook verhinderde Arafat als een dictator het ontstaan van representatieve Palestijnse organisaties, zodat hij alle macht in handen hield. Hij was dan ook niet geliefd bij de meeste Palestijnen, zoals bleek uit peilingen, aldus Rubin en Colp Rubin.

Volgens de Palestijnse schrijver en politiek analist Said Aburish was Arafat voor de buitenwereld een toegewijde heldhaftige strijder voor de vrijheid van de Palestijnen, in werkelijkheid een kleingeestige bendeleider die voornamelijk zijn eigen financiële belangen en die van zijn familie en enkele andere elitaire Palestijnse families op het oog had. In zijn wereldbeeld was geen plaats voor democratische beginselen en inspraak van het Palestijnse volk over het bestuur. Een groot deel van de door de VN, Europese landen en Arabische landen beschikbaar gestelde hulpmiddelen en geldsommen verdwenen in Arafats, en zijn getrouwen, geldzakken. Deze 'inkomsten' werden verder aangevuld met een ongebreidelde corruptie en incassering van 'beschermgeld' van Palestijnse ondernemers. Hij was niet geïnteresseerd in een blijvende oplossing van het Palestijnse vluchtelingenprobleem en echte vrede met Israël, de reden dat hij steeds vredesvoorstellen effectief blokkeerde, want dat zou een vermindering van zijn macht en aanslag op zijn inkomsten zijn. Ook was Arafat zijn hele leven bezig met zijn eigen verleden te herschrijven en er mythes over verspreidend die hijzelf ook steeds meer ging geloven.[14]

Chronologie [bewerken]

  • 24 augustus 1929 - Yasser Arafat wordt in Caïro geboren.
  • 1948 - Arafat beweerde later meegevochten te hebben tegen Israël in de eerste Arabisch-Israëlische oorlog, maar dit is omstreden.[15]
  • 1950 - ontvangt militaire training van de Moslimbroederschap in Egypte.
  • 1952 - neemt met anderen de macht over in de Palestijnse studentenbond.
  • 1957 - werkt in Koeweit voor de overheid.
  • 10 oktober 1959 - richt in Koeweit met andere Palestijnen de Palestijnse beweging Fatah op. Arafat wijdt zich van nu af volledig aan de politiek.
  • 1967 - Arafat begint met aanslagen op burgerdoelen op de West Bank.
  • 1969 - wordt voorzitter van de in 1964 opgerichte PLO.
  • 16 september 1970 - pleegt een mislukte staatsgreep tegen koning Hoessein en wordt uit Jordanië verdreven.
  • september 1972 - De Palestijnse terreurgroep Zwarte September gijzelt Israëlisch atleten op de Olympische Spelen te München. Er vallen 17 doden. Arafat blijkt later een van de aanstichters.
  • 13 november 1974 - spreekt voor de eerste keer de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toe over het Palestijnse vraagstuk.
  • 1982 - verdreven uit Beiroet door Syrisch leger en bondgenoten.
  • december 1987 - de Eerste Intifada (opstand) van de Palestijnen begint op de West Bank en in Gaza.
  • 15 november 1988 - roept een onafhankelijke Palestijnse staat uit op de vergadering van PLO in Algiers.
  • 1990 - kiest in de aanloop naar de Tweede Golfoorlog de zijde van Saddam Hoessein.
  • september 1993 - tekent de Oslo-akkoorden met Israël.
  • 1993 - wordt verdreven uit Tunis.
  • 1 juli 1994 - komt (voor het eerst in 27 jaar) aan in de Gazastrook om daar te gaan regeren.
  • 1994 - ontvangt samen met Yitzchak Rabin en Shimon Peres de Nobelprijs voor de Vrede.
  • 28 september 1995 - tekent Oslo-2 akkoord, dat voorzag in de terugtrekking van Israël van de West Bank.
  • 20 januari 1996 - wordt in de eerste Palestijnse verkiezingen ooit tot leider gekozen. De meesten van zijn lijst wordt in de Palestijnse wetgevende raad verkozen.
  • 11 - 25 juli 2000 - slaagt er niet in met Ehud Barak een vredesovereenkomst te sluiten. Arafat verwerpt het vredesplan van Camp David, dat in onderhandeling met Barak en met hulp van president Bill Clinton is opgesteld.
  • 23 december 2000 - verwerpt in Washington een nieuw vredesplan van president Clinton, waarmee Arafat de Gazastrook, vrijwel de gehele West Bank en delen van Oost-Jeruzalem zou krijgen. Arafat staat op het recht van terugkeer voor alle Palestijnse vluchtelingen van 1948 en hun nageslacht naar Israël.
  • januari 2001 - Arafats delegatie bereikt geen akkoord met de delegatie van Barak in Taba.
  • maart 2002 - wordt door het Israëlische leger 31 dagen belegerd in zijn hoofdkwartier te Ramallah vanwege aanhoudende Palestijnse terreurdaden.
  • 25 juni 2002 - de Amerikaanse president George Bush roept de Palestijnen op om nieuwe leiders te kiezen.
  • september 2002 - wordt na Palestijnse aanvallen op Israël opnieuw door het Israëlische leger 10 dagen belegerd.
  • 11 november 2004 - overlijdt in een ziekenhuis nabij Parijs.

Onderscheidingen [bewerken]

In 1994 ontvingen hij, Yitzchak Rabin en Shimon Peres samen de Nobelprijs voor de Vrede voor hun inzet bij de Oslo-akkoorden. Het jaar ervoor, in 1993, had het drietal ook de Félix Houphouët-Boigny-Vredesprijs van de UNESCO ontvangen.

Literatuur [bewerken]

Nederlandstalig:

Engelstalig:

Externe links [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Rubin, Barry; Judith Colp Rubin. Yassir Arafat: A political biography, blz 218-219, Oxford University Press, New York, 2003, 372 bladzijdes ISBN 13-978-0-19-516689-7. Geraadpleegd op 3 juni 2010. URL bezocht op 3 juni 2010.
  2. (en) Rubin, Barry; Judith Colp Rubin. Yassir Arafat: A political biography, blz 12, Oxford University Press, New York, 2003, 372 bladzijdes ISBN 13-978-0-19-516689-7. Geraadpleegd op 3 juni 2010. URL bezocht op 3 juni 2010.
  3. Ruben en Colp Rubin: Yassir Arafat: A political biography, p. 18
  4. Ruben en Colp Rubin: Yassir Arafat: A political biography, p. 3
  5. Ruben en Colp Rubin: Yassir Arafat: A political biography, p. 41
  6. Merari, A. en Elad, S, The internationale dimension of Palestinian terrorism (Boulder, Colorado, 1986) p 5
  7. Interview met Arafat, 22 januari 1968 in International documents on Palestine 1968, p 300.
  8. Filastin al-Thawra, januari 1970
  9. Ruben en Colp Rubin: Yassir Arafat: A political biography, p 41 en verder
  10. Martin, D.C. en Walcott, J.C., Best laid plans, New York 1988, p 164
  11. Ion Mihai Pacepa in Wall Street Journal, 10 januari 2002
  12. Abu Ubeid al-Qurashi in al-Anssar, 27 februari 2002, vertaald in Middle East Media Research Institute publicatie no 353, 12 maart 2002
  13. Ruben en Colp Rubin: Yassir Arafat: A political biography
  14. Said Aburish, Arafat: From Defender to Dictator, Bloomsbury Publishing London 1998 | ISBN 1582340005
  15. Ruben en Colp Rubin: Yassir Arafat: A political biography, p. 13-15
Winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede

1901: Dunant, Passy · 1902: Ducommun, Gobat · 1903: Cremer · 1904: Institut de Droit International · 1905: Von Suttner · 1906: Roosevelt · 1907: Moneta, Renault · 1908: Arnoldson, Bajer · 1909: Beernaert, Balluet d'Estournelles de Constant · 1910: IPB · 1911: Asser, Fried · 1912: Root · 1913: La Fontaine · 1917: ICRC · 1919: Wilson · 1920: Bourgeois · 1921: Branting, Lange · 1922: Nansen · 1925: Chamberlain, Dawes · 1926: Briand, Stresemann · 1927: Buisson, Quidde · 1929: Kellogg · 1930: Söderblom · 1931: Addams, Butler · 1933: Angell · 1934: Henderson · 1935: Von Ossietzky · 1936: Lamas · 1937: Cecil · 1938: Office international Nansen pour les réfugiés · 1944: ICRC · 1945: Hull · 1946: Balch, Mott · 1947: Friends Service Council, American Friends Service Committee · 1949: Orr · 1950: Bunche · 1951: Jouhaux · 1952: Schweitzer · 1953: Marshall · 1954: Bureau van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen · 1957: Pearson · 1958: Pire · 1959: Noel-Baker · 1960: Luthuli · 1961: Hammarskjöld · 1962: Pauling · 1963: ICRC, IFRC · 1964: King · 1965: UNICEF · 1968: Cassin · 1969: Internationale Arbeidsorganisatie · 1970: Borlaug · 1971: Brandt · 1973: Kissinger, Lê Đức Thọ · 1974: MacBride, Satō · 1975: Sacharov · 1976: Williams, Corrigan · 1977: Amnesty International · 1978: Sadat, Begin · 1979: Moeder Teresa · 1980: Esquivel · 1981: Bureau van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen · 1982: Myrdal, Robles · 1983: Wałęsa · 1984: Tutu · 1985: IPPNW · 1986: Wiesel · 1987: Arias · 1988: VN-vredesmacht · 1989: Gyatso · 1990: Gorbatsjov · 1991: Suu Kyi · 1992: Menchú · 1993: Mandela, De Klerk · 1994: Arafat, Peres, Rabin · 1995: Rotblat, Pugwash Conferences on Science and World Affairs · 1996: Ximenes Belo, Ramos-Horta · 1997: ICBL, Williams · 1998: Hume, Trimble · 1999: AzG · 2000: Dae-jung · 2001: VN, Annan · 2002: Carter · 2003: Ebadi · 2004: Maathai · 2005: IAEA, El-Baradei · 2006: Grameen Bank, Yunus · 2007: Gore, IPCC · 2008: Ahtisaari · 2009: Obama · 2010: Liu · 2011: Johnson Sirleaf, Gbowee, Karman · 2012: Europese Unie