Zakelijk recht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met een zakelijk recht wordt een recht dat rust op een zaak of een ander goed bedoeld. Een zakelijk recht staat hiermee in tegenstelling tot een persoonlijk recht, dat samenhangt met de persoon.

Inhoud

Inleiding [bewerken]

Een kenmerk van een zakelijk recht is dat het zaaksgevolg heeft. Het blijft op de zaak rusten ongeacht in wiens handen de zaak zich bevindt. Hierin onderscheidt het zich van een persoonlijk recht, dat men alleen tegen een bepaalde persoon kan doen gelden.

In Nederland werd tot de invoering van het nieuwe vermogensrecht in 1992 het Burgerlijk Recht verdeeld in het zakenrecht en het verbintenissenrecht. Bij de invoering van boek 3, 5 en 6 is het zakenrecht vernoemd tot goederenrecht. Boek 5 van het BW, waarin het zakelijk recht voornamelijk is geregeld zou dan ook eigenlijk als titel moeten hebben goederenrechtelijk recht.

De lijst van zakelijke rechten is limitatief, want ze vallen onder het numerus clausus-beginsel. Wat betekent dat alleen de benoemde zakelijke rechten uitgerust zijn met de attributen van het zakelijk recht (zie ook Attributen). Alles wat niet onder de zakelijke rechten valt, valt ofwel onder de persoonlijke rechten of de intellectuele rechten. Het numerus clausus-beginsel moet ietwat genuanceerd worden, want er mag vrij gemoduleerd worden onder contractpartijen zolang de 'nucleus' van het zakelijk recht niet gedenatureerd wordt.

Zakelijke versus persoonlijke rechten [bewerken]

Zakelijke rechten onderscheiden zich zoals gezegd van persoonlijke rechten (vorderingsrechten). Het verschil tussen deze twee rechten is in de loop van de rechtsgeschiedenis op drie verschillende manieren verantwoord.

Klassieke opdeling (De Page) [bewerken]

Vraagteken Er wordt getwijfeld aan de feitelijke juistheid van het volgende gedeelte

Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: bronnen nodig

Volgens de klassieke opdeling creëert een zakelijk recht een heerschappij over een bepaalde zaak ( is er dus een rechssubject - rechtsobject relatie ), terwijl een persoonlijk recht een aanspraak op een bepaalde gedraging vanwege een bepaalde persoon doet ontstaan ( namelijk een verplichting tot doen, geven of niet doen). Deze klassieke leer gaat dus uit van het objectief criterium dat een zakelijk recht betrekking heeft op een zaak, en een persoonlijk recht betrekking heeft op een persoon.

Er is in de rechtsleer diverse kritiek ontstaan op deze klassieke indeling. Veel auteurs stellen namelijk dat ook bepaalde zakelijke rechten intermenselijke relaties tot stand brengen, maar er tegelijkertijd ook persoonlijke rechten zijn die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een zaak. Zo is erfpacht een zakelijk recht, maar creëert het ook een band tussen de erfpachtgever en de erfpachtnemer. Huur is dan op zijn beurt een persoonlijk recht, maar het heeft indirect betrekking op het gehuurde goed.

Personalisme (Planiol) [bewerken]

Het personalisme poneert de stelling dat zowel zakelijke rechten als persoonlijke rechten een relatie creëren tussen twee rechtssubjecten. Aan een zakelijk recht beantwoordt een universele passieve verbintenis, een verbintenis die ten aanzien van eenieder afdwingbaar is, namelijk de verplichting zich te onthouden van inbreuken op dat zakelijk recht. Een persoonlijk recht daarentegen creëert slechts verbintenissen ten aanzien van één welbepaalde persoon, namelijk de schuldenaar van de overeenkomst. Zakelijke rechten worden aldus absolute rechten genoemd, persoonlijke rechten relatieve rechten.

Ook deze leer is niet aan kritiek kunnen ontsnappen. Vele rechtsleer stelt dat de personalisten foutief stellen dat het onderscheid op vlak van tegenwerpelijkheid voortvloeit uit de aard van het recht, terwijl dit in realiteit voortvloeit uit de publiciteit die aan deze rechten wordt verleend. Zakelijke rechten zijn dan tegenwerpelijk aan iedereen door het vervullen van de publiciteitsmaatregel (bijvoorbeeld een aankoopakte ter overschrijving voorleggen aan het hypotheekkantoor). Persoonlijke rechten zijn tegenwerpelijk aan de derden die er kennis van hebben (cfr. de theorie van derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk).

Neo-personalisme (Ginossar) [bewerken]

Het neo-personalisme is de jongste theorie over zakelijke en persoonlijke rechten. In het neo-personalisme is het hoofdonderscheid niet dat tussen zakelijke en persoonlijke rechten, maar dat tussen eigendom en andere vermogensrechten. Alle andere vermogensrechten dan eigendom zijn immers rechten tegen de eigenaar. Binnen de andere vermogensrechten wordt dan het onderscheid tussen zakelijke en persoonlijke rechten gemaakt. Aan persoonlijke rechten beantwoordt een persoonlijke verbintenis, die niet overgaat op de rechtsopvolger onder bijzondere titel. Wanneer je dus een huis koopt, zal je bv de verbintenis die de verkoper sloot met een kuisfirma niet moeten nakomen. Zakelijke rechten daarentegen creëren een kwalitatieve verbintenis, een verbintenis die wordt aangegeaan in een bepaalde hoedanigheid, namelijk die van eigenaar. Deze verbintenissen gaan wel mee over op de rechtsopvolger onder bijzondere titel, bv wanneer A aan B een erfpacht toestaat (zakelijk recht) voor zestig jaar, en vervolgens veroopt A het onroerend goed aan C, zal C de erfpachtovereenkomst tussen A en B moeten eerbiedigen.

Gebruiksrechten en zekerheidsrechten [bewerken]

De zakelijke rechten kunnen daarnaast onderverdeeld worden in gebruiksrechten en zekerheidsrechten. Gebruiksrechten geven een recht om op een bepaalde manier van het goed van een ander gebruik te maken. Zekerheidsrechten dienen ter zekerheid van een geldvordering. Dit houdt in dat wanneer een geldvordering oninbaar is geworden door bijvoorbeeld faillissement, de houder van het zekerheidsrecht zich kan verhalen op de zaak waar het recht op rust. Pand en hypotheek zijn zekerheidsrechten die in de meeste rechtsstelsels te vinden zijn.

Zelfstandige en afhankelijke rechten [bewerken]

Zelfstandige zakelijke rechten zijn zakelijke rechten die op zichzelf bestaan. Hierbij horen eigendomsrecht, mede-eigendom, vruchtgebruik, recht van gebruik en recht van bewoning, erfdienstbaarheden, erfpacht en opstal. Pand en hypotheek zijn wat men zakelijke zekerheidsrechten noemt en vallen onder hetzelfde regime als de zakelijke rechten. Sommige zakelijke rechten kunnen daarentegen accessoir gevestigd worden, wat wil zeggen afhankelijk van een ander recht. Dit houdt twee dingen in:

  • Ten eerste dat het recht niet afzonderlijk van het hoofdrecht kan worden overgedragen. Een pandhouder kan de vordering die hij heeft op grond van zijn pandrecht niet overdragen zonder de geldvordering waartoe deze tot zekerheid dient over te dragen.
  • Ten tweede dat wanneer het hoofdrecht tenietgaat, het afhankelijke recht ook teniet gaat.[1] Een pandrecht en een hypotheekrecht zijn altijd accessoir. Dat betekent dat wanneer de geldvordering waar zij tot zekerheid toe dienden is voldaan, het zekerheidsrecht van rechtswege tenietgaat.

Attributen [bewerken]

Zakelijke rechten zijn uitgerust met attributen waardoor het voor een titularis van een zakelijk recht makkelijker wordt om zijn recht te vrijwaren tegen derden:

  • Voorrangsrecht
  • Volgrecht
  • Zakelijke subrogatie
  • Specialiteitsbeginsel

Accessoire zakelijke rechten: Onder andere het recht van opstal kan accessoir verleend worden, vasthangend aan een ander zakelijk recht. Bijvoorbeeld bij erfpacht of vruchtgebruik. De maximumduur van het recht wordt dan beperkt doordat het afhankelijk wordt gesteld van de maximumduur van het zakelijk recht waaraan het accessoir is. Deze duur kan door de wet zijn ingegeven of door de partijen bepaald bij conventie.

Zakelijke rechten binnen het Nederlands recht [bewerken]

Zakelijke rechten maken binnen het Nederlandse recht deel uit van het goederenrecht, dat een onderdeel vormt van het civiele vermogensrecht.

Schema Nederlands vermogensrecht
(op basis van het Burgerlijk Wetboek, het erfrecht (boek 4) wordt meestal apart behandeld)
ABSOLUTE OF EXCLUSIEVE VERMOGENSRECHTEN :

(gelden jegens allen)
RELATIEVE OF PERSOONLIJKE VERMOGENSRECHTEN :
(vorderingsrechten)
(gelden slechts jegens wederpartij)
GOEDERENRECHT RECHTEN op VOORTBRENGSELEN VAN DE MENSELIJKE GEEST
(gepland voor
BW Boek 9
)

auteursrecht, octrooirecht, enz.
VERBINTENISSENRECHT
(BW Boek 6 en 7)
Zakelijke rechten
(BW Boek 5)
Rechten op (absolute en relatieve) vermogensrechten

Dit kunnen ook rechten zijn op vorderingsrechten!

aandeel, enz.
Verbintenisscheppende
overeenkomsten
Verbintenissen
uit de wet
Volledig recht op een zaak

eigendom
Beperkt recht
op een zaak

erfpacht, mandeligheid, opstal, enz.
Eenzijdige overeenkomst

schenking, enz.
Meerzijdige overeenkomst

ruil, koop, huur, enz.
Onrechtmatige daad
(boek 6, titel 3 BW)
Rechtmatige daad

zaakwaarneming, ongerechtvaardigde verrijking, onver- schuldigde betaling

Eigendom [bewerken]

1rightarrow.png Zie eigendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het belangrijkste zakelijke recht is eigendom. Het wordt in de wet gedefinieerd als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Vanwege het belang van dit recht geeft de wet een zeer uitgebreide regeling voor de inhoud van het recht, de bevoegdheden van de eigenaar en de wijze waarop eigendom verkregen wordt. In de systematiek van het Nederlandse BW hoort dit laatste overigens bij het algemene deel van het vermogensrecht en is daarom geregeld in Boek 3.

Eigendom is van overeenkomstige toepassing op vermogensrechten, alleen spreekt men dan niet van eigenaar, maar van rechthebbende.

Mandeligheid [bewerken]

1rightarrow.png Zie mandeligheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Mandeligheid is een speciale vorm van gemeenschap (mede-eigendom) tussen de eigenaren van twee of meer verschillende erven. Het onderscheidt zich op twee manieren van normaal mede-eigendom. Ten eerste doordat verdeling van de gemeenschap niet gevorderd kan worden. Ten tweede doordat het aandeel niet los van de bijbehorende onroerende zaak overgedragen kan worden.[2]

Erfdienstbaarheid [bewerken]

1rightarrow.png Zie erfdienstbaarheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een erfdienstbaarheid is een last waar een onroerende zaak ten behoeve van een andere onroerende zaak is bezwaard. Een erfdienstbaarheid kan alleen een negatieve verplichting, een dulden, inhouden. Een voorbeeld: Ten behoeve van een onroerende zaak die niet direct bereikbaar is vanaf de openbare weg kan een erfdiensbaarheid worden gevestigd welke inhoudt dat de eigenaar van het achterliggende erf van het voorliggende erf gebruik mag maken om de openbare weg te bereiken.

Erfpacht [bewerken]

1rightarrow.png Zie erfpacht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bij erfpacht heeft de houder van dit recht, de erfpachter, de bevoegdheid eens anders onroerend zaak te houden en te gebruiken. Bij erfpacht blijft in de praktijk vrijwel niets over van de eigendom, daarom wordt de formele eigenaar van de grond waarop de erfpacht rust ook wel 'bloot eigenaar' genoemd. Deze constructie heeft nut in de praktijk omdat aan een recht van erfpacht anders dan aan eigendom voorwaarden kunnen worden verbonden (zoals een vestiging voor een bepaalde tijd).

Opstal [bewerken]

1rightarrow.png Zie recht van opstal voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De wet gaat uit van het beginsel dat de eigenaar van de grond ook eigenaar is van alles wat op die grond gebouwd wordt. Dat kan doorbroken worden door het vestigen van een recht van opstal. Bij recht van opstal wordt de verticale natrekking van het eigendom doorbroken zodat iemand een zaak in eigendom kan hebben boven iemand anders zijn grond. Voorbeelden hiervan zijn een schuur op iemands terrein of een loopbrug tussen gebouwen over een openbare weg. Het recht van opstal is geregeld in Titel 8 van Boek 5 van het BW.

Vruchtgebruik, recht van gebruik en bewoning [bewerken]

1rightarrow.png Zie vruchtgebruik voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vruchtgebruik houdt in dat de vruchtgebruiker recht een goed dat aan een ander toebehoort, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten (artikel 3:226 BW). Een vruchtgebruik zou bijvoorbeeld gevestigd kunnen worden op een auto. In dat geval heeft de vruchtgebruiker het recht de auto te gebruiken.

Vruchtgebruik is alleen een zakelijk recht als het gevestigd is op een zaak. Een vruchtgebruik kan ook gevestigd worden op een niet-zaak, zoals bijvoorbeeld een geldvordering, in welk geval de vruchtgebruiker recht heeft op de rente. Omdat vruchtgebruik zowel op zaken als niet-zaken gevestigd kan worden is het geregeld in boek 3 in plaats van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

Bij het zakelijke recht van gebruik en bewoning heeft de rechthebbende het recht om de betreffende woning, die een ander in eigendom toebehoort te bewonen. Voor dit recht kan de eigenaar een gebruiksvergoeding bedingen. Op het eerste gezicht voldoet de overeenkomst dan aan de definitie van een huurovereenkomst. Het verschil met de huurovereenkomst wordt onder andere gevormd door het feit dat een recht van gebruik en bewoning, als species van het vruchtgebruik, moet worden gevestigd terwijl een huurovereenkomst eenvoudigweg kan worden overeengekomen. Verder is het bij het recht van gebruik en bewoning zo dat wanneer de gebruiker de woning metterwoon verlaat, het recht komt te vervallen. Ook is het recht van gebruik en bewoning niet overdraagbaar. Wanneer partijen een "recht van gebruik en bewoning" overeenkomen omdat zij het oogmerk hebben om dwingende bepalingen van het huurrecht te ontlopen, dan dient dat "recht van gebruik en bewoning" te worden beschouwd als een huurovereenkomst, althans zo stelt Procureur-Generaal Wuisman in zijn conclusie bij de uitspraak van de Hoge Raad van 11 september 2009 (LJN BI6321).

Appartementsrecht [bewerken]

1rightarrow.png Zie appartementsrecht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een appartementsrecht is een constructie op basis van mede-eigendom en een exclusief gebruiksrecht. Het houdt in dat de houder van een appartementsrecht een aandeel heeft in de gesplitste zaak en de bevoegdheid om uitsluitend gebruik te maken van gedeelten die naar hun aard geschikt moeten zijn voor afzonderlijk gebruik. Omdat het op basis van overeenkomst en een combinatie van andere zakelijke rechten geconstrueerd kan worden is het de vraag of men hier wel van een afzonderlijk zakelijk recht moet spreken. Omdat dit echter een veel voorkomende rechtsfiguur is heeft de wetgever, in het belang van het economisch verkeer en de rechtszekerheid, gespecificeerd wat in beginsel begrepen moet worden onder de term appartementsrecht.

Pand en hypotheek [bewerken]

Pand en hypotheek geven beide de houder van dat recht de bevoegdheid om, in het geval een schuldenaar zijn schuld niet nakomt, het bezwaarde goed te verkopen en uit de opbrengst hun vordering te voldoen. In het geval van faillissement van de schuldenaar zijn de houders van een dergelijk zekerheidsrecht “separatist” en kunnen zij het bezwaarde goed uit de boedel halen en verkopen. Pand kan enkel op roerende zaken, niet-registergoederen en hypotheek enkel op registergoederen gevestigd worden.

Oude zakelijke rechten [bewerken]

Naast de zakelijk rechten die in de wet geregeld worden bestaan er in Nederland nog een aantal zogeheten oude zakelijke rechten die vaak al een eeuwenoude geschiedenis hebben. Deze zijn bekend onder namen als 'tiende penning' of 'dertiende penning'. Een dergelijk recht houdt dan in dat de rechthebbende bijvoorbeeld bij iedere verkoop van de zaak die met het recht belast is aanspraak heeft op een bepaald bedrag, de penning. Deze rechten kunnen niet meer gevestigd worden. Te verwachten valt daarom dat ze uiteindelijk zullen uitsterven.
De tiende penning komt vooral voor in het noorden, met name in Groningen en gemeentes in Friesland en Drenthe bij de grens met Groningen.
De dertiende penning komt voor in Vinkeveen, Abcoude, Baambrugge, Loenen aan de Vecht en Kamerik. Bij wet van 1984 is de 'dertiende penning' voor een periode van 30 jaar van 7% naar 11% verhoogd, maar vervalt direct daarna (1 januari 2015). Op deze manier krijgen de rechthebbenden een compensatie voor de aanstaande afschaffing. Een ander oud recht is het 'beklemrecht'.

Noten [bewerken]

  1. F.H.J. Mijnssen, Asser, Goederenrecht I (Algemeen goederenrecht), 15e druk, Deventer: Kluwer, 2006, p. 178.
  2. J.G. Gräler, Mandeligheid, 2e druk, Deventer: Kluwer, 2007, p. xxiii.