Zakelijk recht
Met een zakelijk recht wordt een recht dat rust op een zaak of een ander goed bedoeld. Een zakelijk recht staat hiermee in tegenstelling tot een persoonlijk recht, dat samenhangt met de persoon.
Inhoud |
[bewerken] Inleiding
Een kenmerk van een zakelijk recht is dat het zaaksgevolg heeft. Het blijft op de zaak rusten ongeacht in wiens handen de zaak zich bevindt. Hierin onderscheidt het zich van een persoonlijk recht, dat men alleen tegen een bepaalde persoon kan doen gelden.
In Nederland werd tot de invoering van het nieuwe vermogensrecht in 1992 het Burgerlijk Recht verdeeld in het zakenrecht en het verbintenissenrecht. Bij de invoering van boek 3, 5 en 6 is het zakenrecht vernoemd tot goederenrecht. Boek 5 van het BW, waarin het zakelijk recht voornamelijk is geregeld zou dan ook eigenlijk als titel moeten hebben goederenrechtelijk recht.
De lijst van zakelijke rechten is limitatief, want ze vallen onder het numerus clausus-beginsel. Wat betekent dat alleen de benoemde zakelijke rechten uitgerust zijn met de attributen van het zakelijk recht (zie ook Attributen). Alles wat niet onder de zakelijke rechten valt, valt ofwel onder de persoonlijke rechten of de intellectuele rechten. Het numerus clausus-beginsel moet ietwat genuanceerd worden, want er mag vrij gemoduleerd worden onder contractpartijen zolang de 'nucleus' van het zakelijk recht niet gedenatureerd wordt.
[bewerken] Zakelijke versus persoonlijke rechten
Zakelijke rechten onderscheiden zich zoals gezegd van persoonlijke rechten (vorderingsrechten). Het verschil tussen deze twee rechten is in de loop van de rechtsgeschiedenis op drie verschillende manieren verantwoord.
[bewerken] Klassieke opdeling (De Page)
| Er wordt getwijfeld aan de feitelijke juistheid van het volgende gedeelte Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan. |
Volgens de klassieke opdeling geeft een zakelijk recht een aanspraak op een goed terwijl een persoonlijk recht een aanspraak doet gelden tegenover een persoon (of rechtspersoon). Een zakelijk recht kan dan enkel ten uitvoer worden gelegd tegenover het specifiek goed waarop de titularis een zakelijk recht geeft, terwijl een persoonlijk recht kan worden ten uitvoer gelegd op het totale vermogen van de schuldenaar.
Zakelijke rechten creëren immers een verbintenis om iets 'te geven' (dare), terwijl persoonlijke rechten verbintenissen uit hoofde van de schuldenaar doen bestaan om iets 'te doen' (facere) of 'niet te doen' (non-facere).[bron?]
[bewerken] Personalisme (Planiol)
Het personalisme poneert dat een persoonlijk recht een verbintenis doet gelden ten laste van één bepaald persoon die de verbintenis heeft aangegaan. Een zakelijk recht daarentegen moet door eenieder gerespecteerd worden.[bron?]
[bewerken] Neo-personalisme (Ginossar)
Het neo-personalisme is de jongste theorie over zakelijke en persoonlijke rechten. Persoonlijke rechten creëren een verbintenis in hoofde van één persoon, zakelijke rechten creëren een kwalitatieve verbintenis die door rechtsopvolgers ten bijzondere titel ook geëerbiedigd moeten worden. Zo moet de koper van een stuk grond dat bezwaard is met een recht van vruchtgebruik 'qualitate qua' (in hoedanigheid van nieuwe eigenaar) het zakelijk recht dat op zijn goed geldt respecteren gedurende de tijd waarvoor het vruchtgebruik gevestigd is.[bron?]
[bewerken] Gebruiksrechten en zekerheidsrechten
De zakelijke rechten kunnen daarnaast onderverdeeld worden in gebruiksrechten en zekerheidsrechten. Gebruiksrechten geven een recht om op een bepaalde manier van het goed van een ander gebruik te maken. Zekerheidsrechten dienen ter zekerheid van een geldvordering. Dit houdt in dat wanneer een geldvordering oninbaar is geworden door bijvoorbeeld faillissement, de houder van het zekerheidsrecht zich kan verhalen op de zaak waar het recht op rust. Pand en hypotheek zijn zekerheidsrechten die in de meeste rechtsstelsels te vinden zijn.
[bewerken] Zelfstandige en afhankelijke rechten
Zelfstandige zakelijke rechten zijn zakelijke rechten die op zichzelf bestaan. Hierbij horen eigendomsrecht, mede-eigendom, vruchtgebruik, recht van gebruik en recht van bewoning, erfdienstbaarheden, erfpacht en opstal. Pand en hypotheek zijn wat men zakelijke zekerheidsrechten noemt en vallen onder hetzelfde regime als de zakelijke rechten. Sommige zakelijke rechten kunnen daarentegen accessoir gevestigd worden, wat wil zeggen afhankelijk van een ander recht. Dit houdt twee dingen in:
- Ten eerste dat het recht niet afzonderlijk van het hoofdrecht kan worden overgedragen. Een pandhouder kan de vordering die hij heeft op grond van zijn pandrecht niet overdragen zonder de geldvordering waartoe deze tot zekerheid dient over te dragen.
- Ten tweede dat wanneer het hoofdrecht tenietgaat, het afhankelijke recht ook teniet gaat.[1] Een pandrecht en een hypotheekrecht zijn altijd accessoir. Dat betekent dat wanneer de geldvordering waar zij tot zekerheid toe dienden is voldaan, het zekerheidsrecht van rechtswege tenietgaat.
[bewerken] Attributen
Zakelijke rechten zijn uitgerust met attributen waardoor het voor een titularis van een zakelijk recht makkelijker wordt om zijn recht te vrijwaren tegen derden:
- Voorrangsrecht
- Volgrecht
- Zakelijke subrogatie
- Specialiteitsbeginsel
Accessoire zakelijke rechten: Onder andere het recht van opstal kan accessoir verleend worden, vasthangend aan een ander zakelijk recht. Bijvoorbeeld bij erfpacht of vruchtgebruik. De maximumduur van het recht wordt dan beperkt doordat het afhankelijk wordt gesteld van de maximumduur van het zakelijk recht waaraan het accessoir is. Deze duur kan door de wet zijn ingegeven of door de partijen bepaald bij conventie.
[bewerken] Zakelijke rechten binnen het Nederlands recht
Zakelijke rechten maken binnen het Nederlandse recht deel uit van het goederenrecht, dat een onderdeel vormt van het civiele vermogensrecht.
| Schema Nederlands vermogensrecht | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (op basis van het Burgerlijk Wetboek, het erfrecht (boek 4) wordt meestal apart behandeld) | |||||||
| ABSOLUTE OF EXCLUSIEVE VERMOGENSRECHTEN : (gelden jegens allen) |
RELATIEVE OF PERSOONLIJKE VERMOGENSRECHTEN : (vorderingsrechten) (gelden slechts jegens wederpartij) |
||||||
| GOEDERENRECHT | RECHTEN op VOORTBRENGSELEN VAN DE MENSELIJKE GEEST (gepland voor BW Boek 9) auteursrecht, octrooirecht, enz. |
VERBINTENISSENRECHT (BW Boek 6 en 7) |
|||||
| Zakelijke rechten (BW Boek 5) |
Rechten op (absolute en relatieve) vermogensrechten Dit kunnen ook rechten zijn op vorderingsrechten! aandeel, enz. |
Verbintenisscheppende overeenkomsten |
Verbintenissen uit de wet |
||||
| Volledig recht op een zaak eigendom |
Beperkt recht op een zaak erfpacht, mandeligheid, opstal, enz. |
Eenzijdige overeenkomst schenking, enz. |
Meerzijdige overeenkomst ruil, koop, huur, enz. |
Onrechtmatige daad (boek 6, titel 3 BW) |
Rechtmatige daad zaakwaarneming, ongerechtvaardigde verrijking, onver- schuldigde betaling |
||
[bewerken] Eigendom
Het belangrijkste zakelijke recht is eigendom. Het wordt in de wet gedefinieerd als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Vanwege het belang van dit recht geeft de wet een zeer uitgebreide regeling voor de inhoud van het recht, de bevoegdheden van de eigenaar en de wijze waarop eigendom verkregen wordt. In de systematiek van het Nederlandse BW hoort dit laatste overigens bij het algemene deel van het vermogensrecht en is daarom geregeld in Boek 3.
Eigendom is van overeenkomstige toepassing op vermogensrechten, alleen spreekt men dan niet van eigenaar, maar van rechthebbende.
[bewerken] Mandeligheid
Mandeligheid is een speciale vorm van gemeenschap (mede-eigendom) tussen de eigenaren van twee of meer verschillende erven. Het onderscheidt zich op twee manieren van normaal mede-eigendom. Ten eerste doordat verdeling van de gemeenschap niet gevorderd kan worden. Ten tweede doordat het aandeel niet los van de bijbehorende onroerende zaak overgedragen kan worden.[2]
[bewerken] Erfdienstbaarheid
Een erfdienstbaarheid is een last waar een onroerende zaak ten behoeve van een andere onroerende zaak is bezwaard. Een erfdienstbaarheid kan alleen een negatieve verplichting, een dulden, inhouden. Een voorbeeld: Ten behoeve van een onroerende zaak die niet direct bereikbaar is vanaf de openbare weg kan een erfdiensbaarheid worden gevestigd welke inhoudt dat de eigenaar van het achterliggende erf van het voorliggende erf gebruik mag maken om de openbare weg te bereiken.
[bewerken] Erfpacht
Bij erfpacht heeft de houder van dit recht, de erfpachter, de bevoegdheid eens anders onroerend zaak te houden en te gebruiken. Bij erfpacht blijft in de praktijk vrijwel niets over van de eigendom, daarom wordt de formele eigenaar van de grond waarop de erfpacht rust ook wel 'blote eigenaar' genoemd. Deze constructie heeft nut in de praktijk omdat aan een recht van erfpacht anders dan aan eigendom voorwaarden kunnen worden verbonden (zoals een vestiging voor een bepaalde tijd).
[bewerken] Opstal
De wet gaat uit van het beginsel dat de eigenaar van de grond ook eigenaar is van alles wat op die grond gebouwd wordt. Dat kan doorbroken worden door het vestigen van een recht van opstal. Bij recht van opstal wordt de verticale natrekking van het eigendom doorbroken zodat iemand een zaak in eigendom kan hebben boven iemand anders zijn grond. Voorbeelden hiervan zijn een schuur op iemands terrein of een loopbrug tussen gebouwen over een openbare weg. Het recht van opstal is geregeld in Titel 8 van Boek 5 van het BW.
[bewerken] Vruchtgebruik, recht van gebruik en bewoning
Vruchtgebruik houdt in dat de vruchtgebruiker recht een goed dat aan een ander toebehoort, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Een vruchtgebruik zou bijvoorbeeld gevestigd kunnen worden op een auto. In dat geval heeft de vruchtgebruiker het recht de auto te gebruiken.
Vruchtgebruik is alleen een zakelijk recht als het gevestigd is op een zaak. Een vruchtgebruik kan ook gevestigd worden op een niet-zaak, zoals bijvoorbeeld een geldvordering, in welk geval de vruchtgebruiker recht heeft op de rente. Omdat vruchtgebruik zowel op zaken als niet-zaken gevestigd kan worden is het geregeld in boek 3 in plaats van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij het zakelijke recht van gebruik en bewoning heeft de rechthebbende het recht om de betreffende woning die een ander in eigendom toebehoort te bewonen. Voor dit recht kan de eigenaar een gebruiksvergoeding bedingen. Op het eerste gezicht voldoet de overeenkomst dan aan de definitie van een huurovereenkomst. Het verschil met het huurrecht wordt gevormd door het feit, dat partijen een "bewuste keuze" maken voor het recht van gebruik en bewoning, omdat zij het oogmerk hebben om dwingende bepalingen van het huurrecht te omgaan. Zie o.a. LJN BI6321 d.d. 2009-09-11. Ook al zou die eigenaar die woning verkopen en leveren aan een derde dan blijft het recht bestaan.
[bewerken] Appartementsrecht
Een appartementsrecht is een constructie op basis van mede-eigendom en een exclusief gebruiksrecht. Het houdt in dat de houder van een appartementsrecht een aandeel heeft in de gesplitste goederen en de bevoegdheid om uitstluitend gebruik te maken van gedeelten die naar hun aard geschikt moeten zijn voor afzonderlijk gebruik. Omdat het op basis van overeenkomst en een combinatie van andere zakelijke rechten geconstrueerd kan worden is het de vraag of men hier wel van een afzonderlijk zakelijk recht moet spreken. Omdat dit echter een veel voorkomende rechtsfiguur is heeft de wetgever, in het belang van het economisch verkeer en de rechtszekerheid, gespecificeerd wat in beginsel begrepen moet worden onder de term appartementsrecht.
[bewerken] Pand en hypotheek
Pand en hypotheek geven beide de houder van dat recht de bevoegdheid om, in het geval een schuldenaar zijn schuld niet nakomt, het bezwaarde goed te verkopen en uit de opbrengst hun vordering te voldoen. In het geval van faillissement van de schuldenaar zijn de houders van een dergelijk zekerheidsrecht “separatist” en kunnen zij het bezwaarde goed uit de boedel halen en verkopen. Pand kan enkel op roerende goederen niet-registergoed en hypotheek enkel op registergoederen gevestigd worden.
[bewerken] Historische zakelijke rechten
Naast de zakelijk rechten die in de wet geregeld worden bestaan er in Nederland nog een aantal zakelijke rechten die vaak al een eeuwenoude geschiedenis hebben. Deze zijn bekend onder namen als 'tiende penning' of 'dertiende penning'. Een dergelijk recht houdt dan in dat de rechthebbende bijvoorbeeld bij iedere verkoop van de zaak die met het recht belast is aanspraak heeft op een bepaald bedrag, de penning. Deze rechten kunnen niet meer gevestigd worden. Te verwachten valt daarom dat ze uiteindelijk zullen uitsterven.
De tiende penning komt vooral voor in het noorden, met name in Groningen en gemeentes in Friesland en Drenthe bij de grens met Groningen.
De dertiende penning komt voor in Vinkeveen, Abcoude, Baambrugge, Loenen en Kamerik. Bij wet van 1984 is de 'dertiende penning' voor een periode van 30 jaar van 7% naar 11% verhoogd, maar vervalt direct daarna (1 januari 2015). Op deze manier krijgen de rechthebbenden een compensatie voor de aanstaande afschaffing. Een ander oud recht is het 'beklemrecht'.