Zeefbeen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zeefbeen
Os ethmoides
Bot
Het zeefbeen links (wit)
Het zeefbeen links (wit)
MeSH A02.835.232.781.292
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Het zeefbeen[1][2][3] of os ethmoides[4][5][3][6] is een van de aangezichtsbeenderen. Het is in de neus gelegen, onder het voorhoofdsbeen, boven de vomer en voor het wiggebeen.

Het bot heeft een aantal flinterdunne uitsteeksels, welke in de neus gelegen zijn. Hiertussen zitten holten, de zeefbeencellen. Deze dienen om de ingeademde lucht in de neus te verwarmen, te bevochtigen en te zuiveren.

In de achterzijde van het bot zitten vele gaatjes. Hierdoor lopen de vele reukzenuwen naar de hersenen.

Etymologie[bewerken]

Os ethmoides is een vertaling van het Oudgrieks ἠθμοειδής ὀστοῦν ethmoeidés ostoun[7], een begrip dat in de oudheid voorkomt bij de Griekse arts Galenus[7], met de letterlijke betekenis zeefachtig (ἠθμοειδής) been (ὀστοῦν)[4][7], afgeleid[4] van ἠθμός ethmós, zeef[4][7].

Naast de schrijfwijze os ethmoides komt men ook os ethmoidale[8][9] tegen. Deze schrijfwijze is echter volgens sommigen[10][11] af te keuren. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat bestaat uit een Oudgrieks hoofddeel en een Latijnse uitgang (-ale).

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  2. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  3. a b Broek, A.J.P. van den, Boeke, J & Barge, J.A.J (1954). Leerboek der beschrijvende ontleedkunde van de mens. Deel I. Geschiedenis der ontleedkunde, bewegingsorganen, vaatstelsel (8ste druk). Utrecht: N.V. A. Oosthoek’s Uitgeverij Mij.
  4. a b c d Triepel, H. (1927). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Anhang: Biographische Notizen.(Elfte Auflage). München: Verlag von J.F. Bergmann.
  5. Kopsch, F. (1941). Die Nomina anatomica des Jahres 1895 (B.N.A.) nach der Buchstabenreihe geordnet und gegenübergestellt den Nomina anatomica des Jahres 1935 (I.N.A.) (3. Aufgabe). Leipzig: Georg Thieme Verlag.
  6. Hoolboom-Van Dijck, S.J.M (1974). Geneeskundig handwoordenboek (2de druk) Leiden: Stafleu’s Wetenschappelijke Uitgeversmaatschappij B.V.
  7. a b c d Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  8. His, W. (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag von Veit & Comp.
  9. Federative Committee on Anatomical Terminology (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  10. Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Aufgabe). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  11. Triepel, H. (1908). Memorial on the anatomical nomenclature of the anatomical society. In A. Rose (Ed.), Medical Greek. Collection of papers on medical onomatology and a grammatical guide to learn modern Greek (pp. 176-193). New York: Peri Hellados publication office.