Zeven vrije kunsten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De zeven vrije kunsten op een wandtapijt (ontwerp Cornelis Schut maar uitgevoerd plm 1675) v.l.n.r.: astronomie, muziek, grammatica, geometrie, retorica, dialectiek en de aritmetica

De zeven vrije kunsten, oorspronkelijk bekend onder hun Latijnse naam septem artes liberales, waren zeven vakken die deel uitmaakten van het studieprogramma in antieke en middeleeuwse Europese scholen. Ze vormden met name het curriculum van middeleeuwse universiteiten. Ze worden 'vrij' genoemd (Latijn: liber), omdat zij de opleiding van de vrije mens beogen. In tegenstelling tot andere leerprogramma's die worden nagestreefd voor economische doeleinden, is het niet hun doel om de student voor te bereiden op het verkrijgen van een inkomen, maar op de uitoefening van de wetenschap in de strikte zin van het woord, dat wil zeggen de combinatie van filosofie en theologie, bekend als scholastiek.

Naast de artes liberales onderscheidde men in de middeleeuwen ook de zogeheten artes mechanicae (praktische kunsten, zoals metallurgie en koken) en artes incertae (onzekere kunsten, zoals magie). In het Nederlandse taalgebied verwijst men naar het geheel van teksten die verband houden met alle artes met de term artesliteratuur.[1]

Kunsten[bewerken]

In de Griekse Oudheid had Aristoteles het menselijk kunnen verdeeld in twee categorieën: de mechanische of handwerkkunsten, en de vrije kunsten. Tot de eerste groep behoorde alles wat met vaardigheden te maken had, of het nu het werk van de zadelmaker betrof of dat van de kunstschilder. De vrije kunsten daarentegen waren die vakken die zich tot hersenwerk bepaalden. Ze werden de 'vrije kunsten' genoemd omdat zij enkel konden worden uitgeoefend door hen die vrij waren gesteld van lichamelijke arbeid en materiële zorgen.

In beide gevallen is het woord kunsten misleidend, omdat het verwijst naar kunsten in de brede zin van het woord, namelijk als afgeleide van 'kunde'. Oftewel 'het kennis hebben van'. De mechanische kunsten waren in wezen ambachten, de vrije kunsten waren de voorlopers van de moderne wetenschappen.

Van grote invloed op het middeleeuwse denken over de kunsten is de laat-klassieke tekst van Martianus Capella, De nuptiis Philologiae et Mercurii ('over het huwelijk van Filologie en Mercurius'). Pas na hem zou het onderscheid ontstaan tussen het trivium en quadrivium.[2] Dit is een lastig en allegorisch gedicht met veel personificatie, waarin zich het huwelijk voltrekt tussen Filologie (liefde voor het woord) en Mercurius (niet alleen god van de handel, maar ook van de retorica). Tijdens de feestelijkheden stellen de zeven kunsten, in de gedaante van dames met hun attributen, zich voor.

Middeleeuws onderwijs[bewerken]

Educatie was en is niet statisch of monolithisch, maar is gediversifieerd en dynamisch. Dat geldt ook voor het middeleeuwse onderwijs met betrekking tot de zeven vrije kunsten.

In de loop van de middeleeuwen werden individuen meer gezien als wezens die fundamenteel gevormd kunnen worden door middel van ervaring en begeleide reflectie.[3] Die begeleiding viel in eerste instantie in handen van reguliere geestelijken, terwijl onderwijzing aanvankelijk plaatsvond in kloosters. Kloosters waren belangrijke centra voor het behoud van klassieke kennis en literatuur (zie bijvoorbeeld de Karolingische Renaissance) en hadden wat dat betreft een sleutelpositie in kennisoverdracht.[4] Volgende stappen waren de oprichting van kathedraalscholen en uiteindelijk universiteiten. Bekende seculiere onderwijscentra werden bijvoorbeeld Aken, Chartres, Parijs en Oxford. In dergelijke onderwijscentra werd onderwijs aangeboden op basis van de vrije kunsten in het verlengde van geestelijke, intellectuele ontwikkeling. Derhalve was er geen of weinig plaats voor praktische kunsten (artes mechanicae) (hoewel geneeskunde een uitzondering vormde).

In de middeleeuwen is het onderwijs steeds sterk religieus gekleurd geweest. Reeds in de vroege middeleeuwen bestond interesse voor het klassieke erfgoed, maar dergelijk bronmateriaal werd vooral benaderd voor meer religieuze inzichten, kennis en vaardigheden. Zo benutte men juridisch materiaal voor onderwijs in welsprekendheid, hoewel dit waardering voor bijvoorbeeld Cicero's geschriften als zodanig niet uitsloot. In de late middeleeuwen zou men meer open gaan staan voor 'andere' ideeën dan zuiver christelijke, en men kreeg meer belangstelling voor niet-Latijnse kennis.[5]

In het algemeen werden de (laat-)klassieke vrije kunsten overgenomen als ruggengraat voor het onderwijs. In de vroege middeleeuwen is het echter lastig te spreken van een strikt geformuleerd en afgebakend curriculum. Zo kon het trivium (de basis, gericht op taal) lezen, geschiedkunde, geografie, retorica, recht en dialectiek bevatten. Tevens was er geen vaste lijst van 'verplichte literatuur', hoewel klassieke heidense autoriteiten alsmede kerkvaders en Bijbel-auteurs veel autoriteit genoten (auctoritates). In een enkel geval zijn zelfs elementen van magie terug te vinden in het onderwijs.[6]

Hoewel klassieke kennis en onderwijs doorwerkten in de middeleeuwen, wil dit niet zeggen dat middeleeuwse denkers nooit bedenkingen uitten op rationaliteit. Rede konden tegenover geloof geplaatst worden. Interessante uitschieter is wat dat betreft de De sancta simplicitate, waarin Petrus Damiani (1007-1072) beweerde dat de eerste docent van de artes liberales de duivel als grammaticus was. Deze leerde Adam in het Paradijs dat deus ('god') verbogen kon worden in het meervoud, wat leidde tot polytheïsme. De moraal van het verhaal was dat rede en geloof niet gelijkwaardig geacht moesten worden: rede moest het geloof dienen. Weer anderen hadden reserves tegenover de wetenschappen door grenzen aan hun reikwijdte te stellen: bepaalde geloofspunten stonden nu eenmaal zonder meer vast.[7]

Trivium en Quadrivium[bewerken]

De zeven vrije kunsten, gezien aan het einde van de twaalfde eeuw (Herrad von Landsberg, Hortus deliciarum)

De vrije kunsten werden weer onderverdeeld in het Trivium van taalvakken en het Quadrivium van rekenvakken. Het Trivium vormde de basis van de universitaire studie; daarna kwam het Quadrivium. De zeven vrije kunsten waren:

  • Trivium ('taalvakken' ofwel op het woord betrokken wetenschappen):
1. Grammatica: taalkunde (oftewel het leren van Latijn)
2. Dialectica ofwel logica: logisch redeneren.
3. Retorica: kunst van de welsprekendheid; hoe een betoog op te zetten
1. Aritmetica: rekenkunde (getal)
2. Geometria: meetkunde (ruimte)
3. Musica: harmonieleer (tijd)
4. Astronomia: kosmologie (ruimte in tijd)[8]

Daar kwamen na de herontdekking van veel van de werken van Aristoteles in de loop van de dertiende eeuw nog drie vakken bij, moraalfilosofie, metafysica en natuurfilosofie. Filosofie was in de middeleeuwen echter zeer sterk verbonden met theologie: het onderscheid is soms lastig. Verder willen bronnen wel eens verschillen over astronomia: soms is het astronomie, soms echter ook astrologie.

De kunsten heten "vrij" (in tegenstelling tot de artes illiberales) omdat ze deel uitmaakten van de intellectuele training van vrije, of vrijgestelde, mannen. De niet-vrije kunst bestond dan uit al die kennis die we tegenwoordig vakkennis zouden noemen, kennis die ten dienste van een bepaald doel staat. Dat wat we "vrije wetenschap" noemen, verwijst nog naar deze vroegere indeling, en tot voor kort berustte het onderscheid tussen universiteiten en hogescholen hier ook op.

Aristoteles domineerde vanaf 1200 de artes dusdanig dat Johannes van Salisbury zich beklaagde dat alle aandacht voor de aristotelische logica ten koste ging van de grammatica en de retorica.

Tegenwoordig worden de vrije wetenschappen wel in de volgende drie hoofdgroepen onderverdeeld:

  1. de humaniora (taal, literatuur, filosofie, de schone kunsten en geschiedswetenschappen)
  2. de wiskunde, natuurwetenschappen en biologische wetenschappen
  3. de sociale wetenschappen.

Zie ook[bewerken]

  1. Scholastiek
  2. Middeleeuwse universiteit
  3. Kathedraalschool
Bronnen, noten en/of referenties
  • Huizenga, E., O.S.H. Lie & L.M. Veltman (ed.). Een wereld van kennis. Bloemlezing uit de Middelnederlandse artesliteratuur. Hilversum: Verloren, 2002.
  • Price, BB. Medieval Thought. An Introduction. Cambridge: Blackwell, 1992.
  • Reynolds, L.D. & N.G. Wilson. Scribes & Scholars. A Guide to the Transmission of Greek & Latin Literature. Oxford: Clarendon Press, 1991.
  • Stoffers, M. (ed.). De middeleeuwse ideeënwereld 1000-1300. Hilversum: Verloren, 1994.
  1. Voor een introductie, zie Huizenga, Lie & Veltman 2002.
  2. Price 1992, p. 53.
  3. Price 1992, p. 51.
  4. Zie Reynolds & Wilson 1991, p. 92-106.
  5. Price 1992, p. 54.
  6. Price 1992, p. 55.
  7. A. Vanderjagt, in: Stoffers 1994, pp. 70-72.
  8. B.B. Price 1992, p. 51 e.v.