Zevenburger Saksen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zevenburger Saksen
Siebenbürger Sachsen
Sași
Erdélyi szászok
verspreiding van de Saksen in Zevenburgen in 1890
verspreiding van de Saksen in Zevenburgen in 1890
Totale bevolking 1930: 316.744
2002: 15.000 (schatting)
Verspreiding Zevenburgen (Transsylvanië)
Taal Duits
Verwante groepen Duitsers
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Zevenburger Saksen (Duits: Siebenbürger Sachsen; Roemeens: Sași, Hongaars: Erdélyi szászok) zijn een etnische groep van Duitse oorsprong die zich in de 12de en 13de eeuw in Transsylvanië vestigde. Het was na de Hongaarse minderheid de grootste minderheid in de streek. De kolonisatie van de Saksen van Transsylvanië begon toen de Hongaarse koning Géza II (1141-1162) kolonisten uit de Duitse landen volken naar zijn rijk riep om de Hongaarse grenzen te verdedigen. De Saksen legden vele tientallen versterkte dorpen en steden aan. Tijdens de Mongoolse invallen van 1241-42 werden de Saksische dorpen onder de voet gelopen en verwoest. Nadien werden ze met fortificaties versterkt, waarvan er ca. 150, bekroond met een kerk, nog bestaan. Het gebied kreeg de naam Zevenburgen (Siebenbürgen), verwijzend naar de zeven versterkte steden:

De benaming Saksen verwijst niet naar de huidige Duitse deelstaat Saksen, maar is een afgeleide van het Latijnse Saxones, dat in de Middeleeuwen in dit deel van Euopa stond voor Duitstaligen in het algemeen. De meeste van deze 'Saksen' kwamen uit de bisdommen Keulen, Trier en Luik en onder hen waren ook Vlamingen. Dit is bijvoorbeeld te merken aan de sporen die in hun taal zijn achtergelaten. Zo is er in bij Alba Iulia de plaats Bărăbanţ (afgeleid van Brabant) te vinden. Ook in het Roemeens zijn er aanwijzingen te vinden: het Roemeense woord voor dijk is dig, dat qua uitspraak gelijk is aan de Middelnederlandse uitspraak van dijk.

Geschiedenis[bewerken]

Om Transsylvanië te beschermen tegen invallen van nomadenstammen vanuit de Oekraïense steppen vestigde de Hongaarse koning Geza in de 12de eeuw de Hongaarse stam van de Szeklers als vrije boeren en grenswachten bij de Karpaten-bergpassen die zijn koninkrijk tegen het oosten afschermden. En in het zuidelijk deel van Transsylvanië vestigde hij boerenkolonisten uit het Moezelgebied. Deze zogenaamde Saksen kregen van koning Andreas II in 1224 uitgestrekte landstreken als ‘Königsboden’ in gemeenschappelijk eigendom met het recht daar hun rechtspleging autonoom uit te oefenen, hoewel daartegenover aanzienlijke belastingen opgebracht moesten worden. Al in 1241 werden hun nederzettingen verwoest door de Mongolen maar nadat deze laatste nomadeninval in Midden-Europa strandde, zou na 1395 het grootste gevaar uit het zuiden komen door het oprukken van de Ottomanen (Turken). De Saksische dorpen en steden moesten worden voorzien van fortificaties. In de 15de eeuw werd de druk zo groot dat om de dorpskerken heen stenen omwallingen werden aangelegd waarbinnen mensen en vee zich in veiligheid konden brengen. Nadat het koninkrijk Hongarije tussen 1526 en 1541 grotendeels door de Ottomanen was veroverd, viel het gezag in Transsylvanië weg en nam de Hongaarse adel daar het heft in eigen hand. Zij richtte een vorstendom in onder protectoraat van de Turkse sultan en behield daarbinnen autonomie. Deze situatie blokkeerde de Contrareformatie en garandeerde godsdienstvrijheid aan Hongaarse calvinisten en Saksische lutheranen. Opnieuw kon de Saksische vrijheid tegen hoge belastingsafdrachten, nu aan de Hongaarse adel, gehandhaafd blijven. In 1699 werden de Ottomanen door de Habsburgers verdreven uit Hongarije en Transsylvanië. Opnieuw moesten de Saksen hun autonomie en hun kerk handhaven, nu tegen Weense contrareformatorische maatregelen. Toen in 1848 de Hongaarse adel in opstand kwam tegen het Habsburgse gezag besloten de Saksen met een kleine meerderheid daar steun aan te verlenen. Nadat duidelijk was geworden dat de Hongaren een centralistische nationale staat wilden oprichten waarin voor autonomie van andere volken en talen geen plaats kon zijn, verzoenden de Saksen zich met Wenen. Maar in 1866 kregen de Hongaren uiteindelijk, hoewel als een Habsburgs koninkrijk, toch hun onafhankelijkheid. Dat gaf ruimte aan de uitvoering van een Hongaars nationaliseringprogramma, met een vooral uiterlijk succes. De Transsylvaanse Roemenen verschansten zich in hun nationaal-orthodoxe kerk en de Saksen wisten hun eigen onderwijsinstellingen en kerkgemeenten te behouden. Na de Eerste Wereldoorlog, in de hoop dat de Roemenen toleranter dan de Hongaren zouden zijn, steunde de Saksische Landdag in 1919 de annexatie van Transsylvanië door de nieuwe Roemeense staat. De roemenisering zou zich vervolgens vooral tegen de Transsylvaanse Hongaren en minder tegen de Saksen keren. Toen Roemenië aan het einde van de jaren dertig bondgenoot van nazi-Duitsland werd, liet het de Saksische instellingen over aan coördinatie en indoctrinatie vanuit Berlijn (zie: Hauptamt Volksdeutsche Mittelstelle. Dat leidde tot een nazistische gelijkschakeling van de Saksen en hun instellingen. Bij de komst van de Sovjetlegers in de herfst van 1944 sloegen 30.000 van hun op de vlucht naar Oostenrijk. Onder de meerderheid die niet op tijd weg kon komen, zouden 50.000 worden geselecteerd voor naar strafkampen in de Sovjet-Unie. Van hun deportatie kan slechts een deel terug. Het nu volgende communistische regime hield het Duitstalige onderwijs marginaal in stand, maar bevorderde overigens de roemenisering van Transsylvanië. In de jaren zeventig werd het mogelijk dat Saksen naar Duitsland emigreerden tegen betaling van de kosten die de Roemeense staat gemaakt had voor hun levensonderhoud en hun schoolopleiding. In feite was het een losgeld, dat kon oplopen tot 20.000 Dmark per persoon. De Bondsrepubliek betaalde zulke bedragen voor enkele tienduizenden Saksen. Na de val van Ceausescu in 1989, kregen de Saksen de vrijheid om te emigreren en duizenden maakten daarvan gebruik. Omdat hun gemeenschappen snel uit elkaar vielen, scholen gesloten moesten worden en kerkgemeenten leegliepen, wilden steeds minder mensen achterblijven en kreeg hun emigratie het karakter van een massale vlucht. Hun huizen waren vaak onverkoopbaar en werden na verlating door de overheid in beslag genomen en vaak aan Roma gezinnen toebedeeld. Uiteindelijk zijn nog maar enkele procenten, vooral ouderen, en degenen die met Roemenen waren getrouwd, in hun woongebieden achtergebleven. Een aantal, vooral kerkelijke, organisaties is nog actief in de verzorging van sociale en godsdienstige behoeften. De lutherse kerk ('evangelische Kirche A.B.') bezit nog steeds de kerken maar hun onderhoud is overgedragen aan door Europa opgerichte fondsen voor het behoud van het historisch-culturele erfgoed. Enkele Duitstalige gymnasia met een hoog, door Roemenen gewaardeerd, niveau worden nu door Roemeenstalige scholieren bezocht en kunnen zo in stand blijven. Eén van deze - het Brukenthal-gymnasium in Sibiu-Hermannstadt - heeft internationale faam.

In Transsylvanië staan nog ca. 150 gefortificeerde kerken. De internationale stichting Europa Nostra probeert ze tegen verval en afbraak te beschermen. Waardevolle delen van de kerkinventarissen zijn tegen roof beschermd door hun verplaatsing naar centrale museumdepôts. In Oost-Moldavië (republiek), in Soroca, staat een kasteel dat door de Saksen gebouwd is als merkteken van het meest oostelijke punt waar de Zevenburger Saksen geweest zijn.

De Zevenburger Saksen vormden in de Middeleeuwen tot in moderne tijden samen met de Szeklers en de Hongaarse edelen de drie bevoorrechte bevolkingsgroepen van Transsylvanië. De Roemenen waren de sociale en economische onderlaag. Sinds 1919 zijn die verhoudingen omgekeerd. De Saksen verloren toen hun bestuurlijke autonomie en hun eigen rechtspraak, al behielden ze tot de communistische machtsovername nog wel hun autonome kerkelijke en onderwijsinstellingen. De banden van de Saksen met Duitsland bleven tot die tijd bestaan nadat zij tot het Lutheranisme waren overgegaan en hun intellectuele en kerkelijke bovenlaag traditioneel universiteiten in Duitsland bezocht.

Bevolkingsaantallen[bewerken]

Volgens de Roemeense volkstelling van 1930 leefden 633.488 'Duitsers' op toenmalig Roemeens staatsgebied. De helft daarvan waren Saksen, de andere helft Zwaben, voornamelijk woonachtig in het Banaat en bewoners van de Duitse kolonies in Bessarabië (Moldova). In 1956 registreerde de volkstelling 384.708 'Duitsers'. In 1992, toen de grote uittocht op gang was gekomen, waren het er 111.301 en in 2002 nog naar 60.008 waarvan naar schatting 15.000 Saksen. Nog drie op de vier van deze 'Duitsers' gaf aan Duits als moedertaal te spreken en dat is een indicatie voor hun snel voortgaande assimilatie na de opheffing van hun kerkelijke gemeenten en onderwijsinstellingen.

Zie ook[bewerken]