Zijdevlinder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zijdevlinder
Zijderups
Zijderups
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Lepidoptera (Vlinders)
Familie: Bombycidae
Geslacht: Bombyx
Soort
Bombyx mori
Linnaeus, 1758
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

De zijderups is de larve van de zijdevlinder (Bombyx mori) en een van de weinige insecten, naast de honingbij en de cochenille-schildluis, die door de mens voor zijn product (zijde) gekweekt wordt.

Kenmerken[bewerken]

Deze vlinder heeft een roomwit, stevig behaard lichaam. De vleugels hebben een opvallende vleugeladering en een haakvormige vleugeltop.

Zijdeteelt[bewerken]

De zijdeteelt stamt uit China, waar men al in de oudheid ontdekte hoe deze vlinder op de bladeren van de witte moerbei te kweken was. De Chinezen ontdekten ook hoe en op welk moment men de pop moet doden om de zijdedraad waaruit de cocon gesponnen is, in zijn geheel af te kunnen wikkelen.

Zijde werd een belangrijk exportproduct voor China en via de zijderoute werd de zijde tot in het Romeinse Rijk verhandeld.

In 552 werd door Perzische monniken een aantal eieren en larven naar Constantinopel gesmokkeld en kon voortaan het westen zijn eigen zijdeteelt opzetten (onder andere in de "Morea").

De zijdedraad is 300 tot 900 meter lang en ongeveer 10 micrometer dik. Ongeveer 5000 van deze cocons zijn nodig om 1 kilogram zijde te maken.

Uit de spinklieren van de rups wordt chirurgisch garen vervaardigd, genaamd poil de Messine.

Voortplanting[bewerken]

Tegenwoordig is de zijderups volledig afhankelijk van de mens voor zijn voortplanting en komt hij niet meer in het wild voor. De eieren doen er ongeveer 10 dagen over om uit te komen. Vanaf dan eten ze dag en nacht. Na een tijdje wikkelt de rups zich in een cocon van zijde.

Bronnen, noten en/of referenties
  • David Burnie (2001) - Animals, Dorling Kindersley Limited, London. ISBN 90-18-01564-4 (naar het Nederlands vertaald door Jaap Bouwman en Henk J. Nieuwenkamp).