Zionisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Zionisme is een nationale beweging en ideologie die een Joods thuisland of Joodse staat ondersteunt in het gebied waar in vroegere tijden de Israëlitische koninkrijken Israël en Judea lagen. De term verwijst naar de berg Zion waarmee Jeruzalem wordt aangeduid en werd voor het eerst gebruikt in 1890 door Nathan Birnbaum. Het heimwee naar Zion stamt uit de tijd van de Joodse ballingschap in Babylonië die in de Bijbel wordt beschreven. De huidige vorm ontstond na de Joodse verstrooiing ten gevolge van de opstand van Sjimon bar Kochba. Het heimwee naar Zion en verlangen naar een eigen joods vaderland komt in het lied Hatikwa tot uitdrukking.

Componenten van zionisme[bewerken]

De zionistische beweging heeft politieke, culturele en enkele - aanvankelijk zeer geringe - religieuze componenten. Het politieke zionisme ontstond in het 19e eeuwse Europa onder seculiere joden, en kwam vooral voort uit de visie dat de emancipatie van de joden in Europa mislukt was doordat ze geen eigen staat hadden, en ook door hun afwijkende positie in de maatschappij (vooral in niet-productieve beroepen). Met name de aanhoudende moorden op joden en de vernietiging van joods eigendom door pogroms in Oost-Europa maakten de joodse kwestie urgent, maar ook in West-Europa groeide het antisemitisme. De stroming van het Socialistisch zionisme domineerde de zionistische beweging in het Mandaatgebied Palestina vanaf de jaren '20 tot in de jaren zeventig van de 20e eeuw, en speelde een hoofdrol in het opbouwen van de joodse staat. Zij stond aanvankelijk een socialistische maatschappij voor, en benadrukte dat de joden zich ook de productieve beroepen in landbouw en industrie (weer) eigen moesten maken om een volledige, zelfvoorzienende natie te kunnen vormen. Het culturele zionisme, dat vaak samenging met het politieke zionisme, wilde de Hebreeuwse taal en joodse cultuur behouden en versterken, die door de vergaande assimilatie van joden in met name West-Europa verloren dreigde te gaan. Religieus zionisme was in de 19e eeuw nog uiterst marginaal, daar de meeste godsdienstige joden overtuigd waren dat alleen de toekomstige joodse Messias de joden naar hun 'Beloofde Land' kon terugleiden. Pas sinds de jaren '30 van de 20e eeuw groeide de aanhang van de religieuze zionisten, en na 1967 (de Zesdaagse Oorlog) werden zij een bepalende factor in de Israëlische politiek, samen met de seculiere revisionisten (een afsplitsing uit de jaren '20 die een groter grondgebied voor de staat nastreefde).

In de 19e eeuw zagen niet alle zionisten het toenmalige Ottomaanse Palestina als de enige plaats waar een joods thuisland kon worden gevestigd. Ook vestiging in Argentinië, Brits Guyana en Oeganda werd aanvankelijk overwogen, maar na de oprichting van de Zionistische beweging in 1897 verdwenen deze opties al snel van het toneel. Een uitzondering hierop was het Saramacca Project uit omstreeks 1946. Een thuisland in Palestina sloot aan bij het gedurende bijna 2000 jaar ballingschap (diaspora) nimmer gedoofde verlangen naar Zion, en kon dus op het grootste draagvlak rekenen.

Geschiedenis[bewerken]

Opkomst zionisme[bewerken]

Theodor Herzl: Een "Oplossing van het Joodse Vraagstuk" in The Jewish Chronicle op 17 Januari 1896

De feitelijke joodse emigratie naar Palestina vond in de 19e en vroege 20e eeuw vooral plaats vanuit Oost-Europa, waar discriminatie en vervolging van joden het hevigst was. De ideologie werd echter hoofdzakelijk ontwikkeld door joden in Midden-Europa. De Duitse socialist Moses Hess (1812 - 1875) riep al in 1862 in zijn boek Rom und Jerusalem op tot het vormen van een joodse nationale beweging en terugkeer naar Palestina. De Russische dokter en vroegere assimilationist Leon (Yehuda Leib) Pinsker (1821 - 1891) schreef in 1882 in het Duits het pamflet Selbstemanzipation, waarin hij eveneens de joden opriep zichzelf te bevrijden door vestiging in een eigen land. Pinsker richtte daarna Hovevei Tzyion in Rusland op om het zionisme te bevorderen. De Weense journalist Nathan Birnbaum (1864 - 1937) bouwde op de ideeën van Pinsker voort onder andere in zijn eigen tijdschrift (1884-1894) dat eveneens Selbst-Emanzipation! heette. Theodor Herzl, een stads- en vakgenoot van Birnbaum, presenteerde in 1896 in zijn boek Der Judenstaat een praktisch plan en visie hoe de joodse staat te verwezenlijken zou zijn, en richtte een jaar later de internationale zionistische beweging op.

Joodse houding tegenover het zionisme[bewerken]

Aanvankelijk had het zionisme maar weinig aanhang onder de joden van Europa en Amerika. Vooral religieuze joden vonden dat herstel van de joodse heerschappij in 'het land van Israël' pas na het verschijnen van de Messias kon plaatsvinden, en dat het bijna godslasterlijk was om dit op seculiere gronden te willen bereiken.

Seculiere joden geloofden in meerderheid dat liberalisme ofwel socialisme uiteindelijk het antisemitisme zou overwinnen en hen veiligheid en gelijkheid zou bieden in de landen waar zij woonden. Voor een meerderheid van de joden die vervolging in Oost-Europa ontvluchtten, was Amerika een aantrekkelijker toevluchtsoord dan het onherbergzame Palestina. Er was veel scepsis over de haalbaarheid van het zionistische project.

De voortdurende vervolging in Oost-Europa vanaf eind 19e eeuw en nadien de Shoa (Holocaust) tijdens het nazibewind, waarbij een derde van alle joden in de wereld werd vermoord, deden vooral onder de minder religieuze joden de mening omslaan. Na de Tweede Wereldoorlog was er massale steun ontstaan voor de oprichting van de staat Israël. Men vond dat men uit zelfbehoud niet langer meer buiten een eigen thuisland kon.

Ultraorthodoxe houding tegen het zionisme[bewerken]

De chareidische (ultraorthodoxe) rabbijnen en hun volgelingen bleven echter tegenstanders van het zionisme; sommigen sterker dan anderen. De grootste en een van de meest felle antizionistische bewegingen tot op de dag van vandaag is de Satmar-beweging. Hun vorige Rebbe (leider), Groot Rabbijn Joel Teitelbaum, is de schrijver van het beroemde fel antizionistische boek Vayoel Moshe. Ook de Edah HaChareidis, de extreem-orthodoxe rabbinale raad van Jeruzalem, is fel antizionistisch. Het ultraorthodoxe verzet tegen het zionisme is op geen enkele wijze verbonden met het seculiere karakter van de staat, maar is gebaseerd op de joodse wet (halacha), die een joodse staat vóór de komst van de Messias strikt verbiedt.

Zionistische beweging[bewerken]

In augustus 1897 kwam te Bazel onder leiding van Herzl en Birnbaum het eerste Internationale Zionistische Congres bijeen met zo'n 200 deelnemers, die een programma aannamen waarin Palestina als thuisland voor de joden werd nagestreefd. Naast het stimuleren en faciliteren van daadwerkelijke emigratie naar Palestina, was de hoofdzorg van de zionistische beweging om steun en legitimiteit te verkrijgen van de toenmalige grootmachten. Herzl sprak met de Sultan van Turkije, de Duitse Keizer en de Russische regering, en zelfs met de Paus, maar geen van hen wilde medewerking verlenen aan het zionistische project. Het Ottomaanse rijk, dat Palestina al eeuwen overheerste, stond negatief tegenover het zionisme en wierp obstakels op tegen immigratie en landaankopen.

Religieus-zionistische beweging[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie religieus zionisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het religieus zionisme, vrijwel identiek aan wat bekendstaat als modern-orthodox jodendom, combineert een liberale interpretatie van orthodox jodendom met zionisme. In tegenstelling tot charedische joden dragen de mannen 'normale' westerse kleding en enkel een (meestal gekleurde) keppel, en geen hoed.

Het Britse mandaat[bewerken]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog sprak de Britse regering bij monde van Lord Balfour zich uit voor het oprichten van een "joods nationaal thuis" in Palestina (de Balfour-verklaring). Dit lijkt in tegenspraak met de zogenoemde Hoessein-McMahon-correspondentie, waarin de Britten onafhankelijkheid toezegden aan de Arabieren in een groot deel van het Midden-Oosten, met uitzondering van de kuststrook westelijk van Syrië. De Arabische leider Faisal I sloot op de Vredesconferentie van Parijs in 1919 een overeenkomst met de zionistische leider Chaim Weizmann, waarin beiden elkaar steun toezegden voor hun nationale aspiraties. Faisal maakte zijn deel van de overeenkomst echter afhankelijk van het verkrijgen van Syrië, een Britse toezegging die niet werd nagekomen.

Korte tijd na de Balfour-verklaring veroverde Groot-Brittannië het gebied op de Ottomanen en kreeg in 1922 van de Volkenbond officieel het mandaat over Palestina met de opdracht van het gebied en zijn bewoners op termijn een zelfstandig land te maken. Daarnaast werd in het mandaat ook de Balfour-verklaring opgenomen, die de mandataris verplichtte steun te geven bij het vestigen van een joods nationaal tehuis in Palestina. Deze twee doelstellingen bleken weldra onverenigbaar. De Arabische bevolkingsmeerderheid wees de Balfour-verklaring af en al snel rees er gewelddadig verzet tegen de groeiende joodse immigratie en het Britse bestuur. Na onlusten in 1920 en 1921, waarbij 95 doden vielen, splitsten de Britten in 1923 het grootste deel van het mandaatgebied af en verboden daar joodse vestiging. Dit deel, ten oosten van de rivier de Jordaan gelegen, werd later het koninkrijk Transjordanië (tegenwoordig Jordanië).

De Joods-zionistische gemeenschap in Palestina (de Jisjoev) zette eigen instituties op, zoals scholen, medische voorzieningen, openbare werken en een vakbond, en ontwikkelde zich zo langzaam tot een staat binnen een staat. Na de eerste Arabische rellen werd in 1920, onder leiding van de radicale zionist Vladimir (Zeev) Jabotinski (1880-1940), tevens een militante zionistische organisatie opgericht, de Hagana. "Hagana" betekent letterlijk "verdediging," maar de organisatie kwam in een twijfelachtig licht te staan door betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Nadat in 1929 bij een Arabische opstand 133 joden waren vermoord (onder andere in Hebron), werd de Hagana door de leiding van de Jisjoew uitgebouwd tot een soort ondergronds leger.

Na de eerste Arabische rellen in 1920 en 1921 benoemden de Britten Haj Amin al-Husseini tot moefti van Jeruzalem, in een poging de Arabische weerstand te neutraliseren. De moefti bleef vanuit zijn nieuwe positie echter het verzet tegen de zionisten aanwakkeren, en speelde een leidende rol tijdens de grote opstand van 1936-1939, waarbij naast honderden joden ook veel Arabische tegenstanders van de Husseini-clan werden vermoord. In 1937 moest de moefti voor de Britten vluchten, eerst naar Irak en later naar nazi-Duitsland.

Revisionistisch zionisme[bewerken]

Na de afsplitsing van Transjordanië scheidde zich een groep radicale zionisten onder leiding van Jabotinsky af, en vormden de oppositionele revisionistische stroming binnen het zionisme. De agenda van deze beweging werd lange tijd bepaald door verzet tegen de deling van het mandaatgebied. Daarnaast was ze tegen de overwegend socialistische oriëntatie van de Jishuv en hun voorzichtige opstelling tegenover de Arabieren en de Britten. Jabotinski zelf werd in 1929 uit Palestina verbannen. De revisionisten richtten in 1937 een eigen guerrillaleger op, de Irgun, die wraakacties uitvoerde tegen Arabische burgers en die ook Britse doelen aanviel. In 1944 werd Menachem Begin (1913-1992) leider van de Irgun, en ging de organisatie zich steeds meer toeleggen op terroristische acties tegen de Britten. Toen de Lehi, een revisionistische afsplitsing, in 1944 de hoge Britse diplomaat Lord Moyne vermoordde, keerde de Britse premier Winston Churchill zich tegen het zionisme, en begon de Hagana een campagne tegen de revisionistische guerrillastrijders, waarbij er zo'n 1000 werden uitgeleverd aan de Britse autoriteiten, in een poging de verloren sympathie terug te winnen.

De oprichting van Israël[bewerken]

In reactie op de grote Arabische opstand stelden de Britten in 1937 opsplitsing van het mandaatgebied voor in een kleine joodse en een grotere Arabische staat, met al dan niet vrijwillige verplaatsingen om de bevolkingsgroepen in beide gebieden zo veel mogelijk te scheiden. De Zionisten namen het plan in overweging, maar de Arabieren wezen het resoluut af. In 1939 werd de joodse immigratie naar het gebied door de Britten sterk beperkt. Dit werd veel joden noodlottig die aan de vervolging door de nazi's probeerden te ontkomen, temeer daar ook de meeste andere landen, waaronder Nederland, joodse vluchtelingen weerden. Vanwege deze immigratiebeperkingen verklaarde in navolging van de Revisionisten, ook de hoofdstroom van de zionistische beweging van het Britse mandaat af te willen (de Biltmore conferentie van mei 1942). Men eiste volledige controle over de immigratie en de oprichting van een onafhankelijke joodse staat na de oorlog. Dit betekende een nederlaag voor de bi-nationalisten, die een gezamenlijke joods/Arabische staat voorstonden.

Na de Tweede Wereldoorlog probeerde een deel van de honderdduizenden joodse overlevenden van de Shoa naar Palestina te komen, maar de Britten hielden strikt vast aan hun immigratiequota, en stuurden schepen met illegale immigranten terug naar Europa of detineerden migranten op Cyprus. De Hagana en de Irgun verenigden zich in een gemeenschappelijke strijd tegen de Britten en organiseerden op grote schaal illegale immigratie. Ook werden terroristische aanslagen gepleegd tegen de Britten, zoals de bomaanslag in het Koning Davidhotel waarbij 91 personen omkwamen. In 1947 besloot Groot-Brittannië het mandaat terug te geven aan de Verenigde Naties (de opvolger van de Volkenbond), die op 29 november 1947 een verdelingsplan aannam dat het gebied in ongeveer gelijke delen opdeelde tussen joden en Arabieren, wat wederom door de Arabieren - zowel in Palestina als daarbuiten - werd afgewezen. Te midden van een burgeroorlog verlieten de Britten het mandaatgebied, en riepen de joden op 14 mei 1948 de staat Israël uit. Een dag later vielen verschillende Arabische buurlanden Palestina en Israël binnen. De burgeroorlog en navolgende oorlog tussen Israël en zijn buren worden samen aangeduid als de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog of de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948, en leidden tot de vlucht van ruim 700.000 Arabische Palestijnen uit Israël en ruim 800.000 joden uit Arabische landen (aantallen staan ter discussie). Na de wapenstilstanden in 1949 had Israël een groter grondgebied in handen dan dat volgens het VN-verdelingsplan. Op 11 mei 1949 trad de nieuwe staat toe tot de Verenigde Naties.

Joodse immigratie naar Palestina en Israël[bewerken]

(Bevolkingsstatistieken van Palestina in de Ottomaanse en Britse periode, alsook aantallen joodse en Arabische immigranten, emigranten en vluchtelingen, maken deel uit van felle debatten in verband met claims van beide zijden op het grondgebied. Er zijn weinig betrouwbare statistieken beschikbaar. Onderstaande schattingen zijn grotendeels ontleend aan het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken.)

Door de eeuwen heen waren kleine joodse gemeenschappen in Palestina blijven bestaan. In de 18e en 19e eeuw arriveerden regelmatig groepjes joden die, meestal onder leiding van een rabbijn, uit de diaspora terugkeerden naar hun heilige land, in de hoop daar een beter bestaan te vinden. De joodse bevolking in Palestina groeide geleidelijk van 17.000 in 1844 naar circa 25.000 in 1880 (tegenover een Arabische bevolking van circa 425.000).

Rond 1882 begon een eerste grote golf van ongeveer 35.000 immigranten naar Palestina te trekken; vanaf 1904 volgde een tweede golf van zo'n 40.000 immigranten. Deze eerste zionistische immigranten werden sterk gedreven door socialistische en communistische idealen. Dit kwam tot uiting in een sterke gemeenschapszin en dit leidde tot het unieke systeem van de kibboets dat nu nog steeds wordt toegepast in de huidige staat Israël. Naar schatting bijna de helft van deze joodse immigranten verliet het land echter weer, teleurgesteld door de moeilijke levensomstandigheden in Palestina. Tegelijkertijd waren tussen 1897 en 1914 ongeveer 1 miljoen joden uit Europa naar de Verenigde Staten geëmigreerd.

Tussen 1918 en 1929 kwamen er circa 123.000 immigranten in Palestina aan, waarvan er 100.000 bleven. De bijna 250.000 joden die in de jaren '30 arriveerden waren veelal vluchtelingen uit nazi-Duitsland, Polen en de Sovjet-Unie. Na het instellen van de Britse immigratie-restricties en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 werd Palestina nagenoeg onbereikbaar. Tussen 1945 en 1948 slaagden ongeveer 80.000 mensen erin om vanuit het verwoeste Europa illegaal Palestina binnen te komen.

Bij de uitroeping van de staat Israël woonden 650.000 joden in het gebied. Daarna volgde een grote immigratiegolf uit Arabische landen (waar massaal pogroms plaatsvonden), waardoor de joodse bevolking binnen enkele jaren verdubbelde. De Wet op de Terugkeer uit 1950 garandeerde alle joden ter wereld vrije toegang tot Israël. Sindsdien bleven jaarlijks tienduizenden vanuit allerlei continenten naar Israël komen, geholpen door de Israëlische regering en zionistische organisaties in de diaspora. In de jaren zeventig en vooral de jaren '90 immigreerden in totaal 840.000 joden uit de (voormalige) Sovjet-Unie; in 1984 en 1991 werden duizenden Ethiopische joden naar Israël gehaald.

Zionisme sinds de oprichting van Israël[bewerken]

Sinds de uitroeping van de staat Israël in 1948 verloor het zionistische ideaal veel van zijn oorspronkelijke betekenis omdat het primaire doel, de stichting van een eigen joodse staat, nu behaald was. Het zionisme wordt nu vooral gezien als een beweging die de staat Israël steunt. In een enquête eind 2005 onder 800 joden in de Verenigde Staten (het land met de grootste joodse gemeenschap buiten Israël) zei 82% van hen Israël te steunen. Zionistische organisaties moedigen joden aan Israël te bezoeken en erheen te emigreren, en bieden praktische ondersteuning daarbij. Verder verdedigen zij Israël in de media en middels lobby-activiteiten, zoals AIPAC in de Verenigde Staten.

Buiten een aanvankelijk zeer grote, maar tegenwoordig relatief kleine groep orthodoxe joden, is het zionisme ook steeds consequent afgewezen door radicale marxistisch georiënteerde joden, die zionisme en 'het joodse probleem' als een onderdeel van het kapitalisme en imperialisme beschouwden. Na 1967 en vooral in recente jaren schaarde een aantal joden zich aan de kant van de Palestijnen voor het opheffen van Israël als joodse staat en in plaats daarvan het vestigen van een eigen staat.

In het westen is er ook onder niet-joden brede steun voor Israëls bestaansrecht. Sommige, met name protestantse en evangelische, christelijke groeperingen en kerkgenootschappen steunen het zionisme mede op religieuze gronden. Vooral linkse (joodse en niet-joodse) steun voor Israël en het zionisme is in de laatste decennia teruggelopen, vanwege de bezettingspolitiek, de oorlog in Libanon, en de grotere invloed van religieuze en revisionistische joden in de Israëlische politiek.

Op enkele uitzonderingen na hebben de Arabische staten zich vanaf het begin sterk verzet tegen het zionisme en het bestaan van de staat Israël, middels een Arabische boycot, antizionistische (en vaak antisemitische) propaganda, verscheidene oorlogen en steun aan het Palestijnse verzet. Vanaf de jaren '50 kregen zij bijval van de Sovjet-Unie en de meeste communistische staten in het veroordelen van zionisme als vorm van imperialisme en racisme.

In 1975 bepaalde de Algemene Vergadering van de VN in Verenigde Naties Resolutie 3379 dat zionisme een vorm van racisme is. Secretaris-Generaal Kofi Annan noemde dit in 1998 één van de dieptepunten in de geschiedenis van de Verenigde Naties[1]. De Algemene Vergadering trok resolutie 3379 in 1991 weer in door middel van resolutie 4686.

Antizionisme wordt door sommige groepen verward met antisemitisme. Zoals het zionisme het ideaal van een staatsinrichting beschrijft, bestrijden antizionisten dat ideaal. Antisemitisme is een vorm van racisme die niets met de feitelijke inrichting van een staat te maken heeft.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties