Zonnestelsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zonnestelsel
De zon en de planeten van het zonnestelsel.(Afmetingen en afstanden niet op schaal)
De zon en de planeten van het zonnestelsel.
(Afmetingen en afstanden niet op schaal)
Leeftijd 4,568 miljard jaar
Locatie Lokale interstellaire wolk, Lokale bel, Orionarm, Melkweg
Dichtstbijzijnde ster Proxima Centauri (4,22 lj), Alpha Centaurisysteem (4,37 lj)
Dichtstbijzijnde bekende planetenstelsel Alpha Centaurisysteem (4,37 lj)
Planetenstelsel
Semi-major axis of outer planet 30,10 AE (4,503 miljard km)
Afstand tot Kuipergordel 50 AE
Aantal sterren 1
Zon
Aantal planeten 8
Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus
Aantal bekende dwergplaneten 5
Ceres, Pluto, Haumea, Makemake, Eris
honderden andere mogelijkheden[1]
Aantal bekende natuurlijke manen 421 (173 of planets[2] and 248 of minor planets[3])
Aantal bekende kleine planeten 620.401 (op 7 augustus 2013)[4]
Aantal bekende kometen 3.223 (op 7 augustus 2013)[4]
Aantal geïdentificeerde round satellites 19
Baan rond het galactisch centrum
Inclination of invariable plane to the galactic plane 60,19° (ecliptic)
Afstand tot het galactisch centrum 27.000±1.000 lj
Orbital speed 220 km/s
Orbital period 225–250 Mjr
Star-related properties
Spectraalklasse G2V
Frost line ≈5 AE[5]
Afstand tot de Heliopauze ≈120 AE
Hillsfeerradius ≈1–2 lj
Portaal  Portaalicoon   Astronomie
Het zonnestelsel (niet op schaal)

Het zonnestelsel is het planetenstelsel dat bestaat uit de Zon en de hemellichamen die door de zwaartekracht aan de Zon gebonden zijn. De Zon is een klasse G2 ster met een diameter van 1,39 miljoen kilometer. De Zon neemt 99,86% van de massa in het zonnestelsel voor haar rekening.

Ontstaan

Nuvola single chevron right.svg Zie Ontstaan en evolutie van het zonnestelsel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het zonnestelsel ontstond ongeveer 4,5 miljard jaar geleden, toen een interstellaire gaswolk om onbekende reden actief werd en door zijn eigen gewicht begon te krimpen en steeds sneller rond te draaien, waarna in het midden van deze gaswolk de zon ontstond.

Het ineenstorten van het midden van de gaswolk, ook zonnenevel genoemd, nam 100 000 jaar in beslag. Door de enorme hitte die ontstond bij het samentrekken ontstond een kleine ster die een groot deel van de gaswolk opzoog en zo een volwaardige ster werd: onze Zon. Het overgebleven gas, ook accretieschijf genoemd, begon daarna af te koelen en er stolden stukken ijs, steen en metaal, die door botsingen steeds groter werden omdat ze aan elkaar vastklitten. Die grote brokken verzamelden al het nog overgebleven materiaal, op enkele asteroïden en meteoren na. Toen waren sommige brokken (protoplaneten) groot genoeg geworden om ook het laatste beetje gas op te zuigen.

Op dat moment, een miljoen jaar na het ontstaan van de eerste brokken, begon de Zon plots sterke straling, een zonnewind, te produceren, die de gasmantel rond bijna alle protoplaneten, behalve de gasreuzen, wegblies. Daarna kregen de protoplaneten langzaam een stabiele baan rond de Zon, en de planeten en manen werden gevormd door laatste grote botsingen tussen protoplaneten.

Ongeveer 4 miljard jaar geleden kreeg ons zonnestelsel nog te maken met een kosmisch bombardement, waardoor op veel manen en planeten grote kraters ontstonden.

Beweging

Het zonnestelsel legt een vaste baan door de Melkweg af. De Zon bevindt zich op een afstand van 30 000 lichtjaar van het galactisch centrum. Een theorie onder wetenschappers is dat de route die de zon door de Melkweg volgt bijdraagt aan de periodieke massale uitsterving van leven op aarde.

Zon en (dwerg)planeten

Traditioneel werden tot ons zonnestelsel negen planeten gerekend. In de jaren '90 van de 20e eeuw werd ontdekt dat de toenmalige negende planeet, Pluto, slechts één van vele soortgelijke objecten in de Kuipergordel was. Naarmate steeds grotere objecten ontdekt werden, zoals Quaoar en Varuna kwam het klassieke aantal van negen planeten onder druk te staan. Met de ontdekking van de nog veel grotere Eris was een nieuwe definitie van planeet noodzakelijk. Volgens de nieuwe definitie wordt Pluto nu een dwergplaneet genoemd en telt ons zonnestelsel acht planeten.

Afmetingen

Naam Diameter
(km)
Afstand tot de Zon
(km)
Massa t.o.v.
de aarde
Zon 1.392.000 - 332.946
Mercurius 4.880 57.910.000 0,1
Venus 12.104 108.208.930 0,9
Aarde 12.756 149.597.870 1
Mars 6.794 227.936.640 0,1
Jupiter 142.984 778.412.010 318
Saturnus 120.536 1.426.725.400 95
Uranus 51.118 2.870.972.200 15
Neptunus 49.572 4.498.252.900 17

Er lijkt een wetmatigheid in de afstand van de planeten tot de Zon te zitten: de Wet van Titius-Bode.

Omloopbanen van de planeten

Afstanden in het zonnestelsel worden vaak uitgedrukt in de astronomische eenheid (AE, Engels: AU). Dit is een afstandsmaat die vrijwel gelijk is aan de gemiddelde afstand tussen de Aarde en de Zon. Een astronomische eenheid is ongeveer gelijk aan 150 miljoen kilometer. De Aarde staat gemiddeld op een afstand van 1 AE van de Zon. Mercurius staat op een afstand van 0,4 AE, Venus op 0,7 AE, Mars op 1,5 AE, Jupiter op 5,2 AE, Saturnus op 9,5 AE, Uranus op 19 AE en Neptunus op 30 AE.

Hoe groot de diameters en afstanden in het zonnestelsel zijn wordt pas duidelijk als ze vertaald worden naar menselijke verhoudingen.

Stel dat de Zon met een diameter van 14 meter op het Domplein van Utrecht ligt, dan ligt Mercurius op 580 meter afstand op het Vredenburg. Mercurius is dan maar 5 centimeter groot. Venus bevindt zich ter hoogte van de Jaarbeurs (1,1 km afstand) en is 12 centimeter groot. De Aarde ligt op de Muntkade (1,5 km) met een afmeting van 13 centimeter. Mars bevindt zich op het Oktoberplein (2,3 km) en is 7 cm. Vervolgens komt Jupiter (1,4 m groot) net iets ten westen van De Meern op 7,8 km afstand. Bij Woerden ongeveer (14 km afstand) ligt Saturnus (1,2 m groot). Uranus ligt dan bij Reeuwijk op 29 km afstand en is 50 cm groot. Neptunus ligt bij Zoetermeer (45 km) en is ook 50 cm groot, en tot slot ligt de dwergplaneet Pluto op de Scheveningse pier (59 km) en is 2 cm groot.

De planeten en dwergplaneten van ons zonnestelsel. De afmetingen van de (dwerg)planeten zijn op schaal, de afstanden tot de Zon niet.
Zonnestelsel gezien vanaf 108,540 AE van de Zon (Bron: Celestia)

Planetoïden

Planetoïdenring
Foto van de planetoïde 253 Mathilde, in 1997 gemaakt door de ruimtesonde Near. Mathilde is iets groter dan 50 km in diameter.

Tussen Mars en Jupiter ligt een band met planetoïden, de planetoïdengordel. Voorbij Pluto bevindt zich ook een wolk met kleinere hemellichamen, de Kuipergordel.

De planetoïden kunnen ingedeeld worden volgens grootte, oorsprong, samenstelling en mogelijk gevaar voor inslag op de aarde.

Enkele planetoïden zijn sinds 1991 door ruimtesondes van dichtbij gefotografeerd waaronder Gaspra, Ida, Eros, Mathilde, Braille, Annefrank en Itokawa. Deze foto's laten zien dat het onregelmatige, aardappelvormige steenklompen zijn, met veel kleine en soms grotere kraters.

Anders dan planeten hebben planetoïden geen bolvorm. Dat komt doordat ze zo klein en licht zijn. Hoe meer massa een planetoïde of planeet heeft, des te groter is de zwaartekracht aan het oppervlak. Daardoor kunnen uitstulpingen en bergen inzakken door hun eigen gewicht. Bij planetoïden is deze kracht meestal veel te gering om invloed te hebben. Van een aantal planetoïden is inmiddels bekend of bestaan sterke aanwijzingen dat ze wel zwaar genoeg zijn om onder hun eigen zwaartekracht een bolvorm aan te nemen.

Oortwolk

Illustratie van de enorme afstanden in ons zonnestelsel.
Geel: binnenplaneten
Groen: buitenplaneten
Rood: Sedna
Blauw: Oortwolk

De buitenste ring van ons zonnestelsel wordt gevormd door de Oortwolk. Dit is een vooralsnog hypothetische wolk van ijsachtige objecten die de bron zou zijn van de kometen die door het zonnestelsel bewegen. Wellicht is Sedna het eerst waargenomen object in deze wolk.

De Oortwolk is een hypothese van Jan Hendrik Oort om te verklaren waarom er nog steeds kometen zijn. Kometen vallen immers uit elkaar na een aantal omlopen door het binnenste deel van het zonnestelsel. Sinds het begin van het zonnestelsel, een paar miljard jaar geleden, zouden alle kometen allang uit elkaar gevallen moeten zijn. Volgens Oort is er een stabiele wolk van miljoenen komeetachtige objecten in de buitenste regionen van het zonnestelsel, waar zo nu en dan een komeet vandaan komt. De Oortwolk heeft de vorm van een grote bol met de Zon als centrum: de kometen kunnen vanuit alle richtingen aan de hemel opduiken. Ook van de onlangsin 2003 ontdekte planetoïde Sedna wordt vermoed dat hij afkomstig is uit het binnengebied van de Oortwolk.

De onderlinge afstanden van de planeten in ons zonnestelsel, en Sedna met de Oortwolk. Linksboven: de binnenste planeten. Rechtsboven de buitenste planeten. Rechtsonder: de omloopbaan van Sedna. Linksonder: De binnenzijde van de Oortwolk.

Onderzoek van de buitenste planeten

De onbemande ruimtesondes Voyager 1 en 2 vormen samen de Voyagermissie van de NASA. Deze missie werd in het leven geroepen om gebruik te maken van de zeldzaam voorkomende onderlinge positie van de vier grote buitenplaneten eind jaren ’70 en jaren ’80. De vier buitenplaneten stonden toen op een lijn. Eigenlijk waren de Voyagers ontworpen voor het Mariner programma.

Zie ook

Externe links

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Mike Brown. Free the dwarf planets!. "Mike Brown's Planets (self-published)" (August 23, 2011)
  2. Sheppard, Scott S.. The Giant Planet Satellite and Moon Page. Departament of Terrestrial Magnetism at Carniege Institution for science Geraadpleegd op 2013-07-23
  3. Wm. Robert Johnston. Asteroids with Satellites. Johnston's Archive (2013-07-13) Geraadpleegd op 2013-07-23
  4. a b How Many Solar System Bodies. NASA/JPL Solar System Dynamics Geraadpleegd op 07-08-2013
  5. {{Cite doi | 10.1016/S0273-1177(03)00578-7}}