Zorgverzekering (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De zorgverzekering of basisverzekering is een verplichte ziektekostenverzekering voor ingezetenen van Nederland. De zorgverzekering dekt noodzakelijke, op genezing gerichte, zorg. De nieuwste zorgverzekering is sinds 1 januari 2006 van kracht.

Kenmerken van de zorgverzekering zijn de verzekerings- en acceptatieplicht. De verzekeringsplichtigen moeten zich verzekeren en de verzekeraars zijn verplicht iedereen die dat wil te accepteren. De overheid stelt de inhoud van de basisdekking vast. Voor volwassenen geldt sinds 1 januari 2008 een eigen risico-regeling. In 2006 en 2007 gold een no-claimregeling.

Met de invoering van de zorgverzekering kwam het onderscheid tussen particuliere ziektekostenverzekeringen en ziekenfonds te vervallen. Tevens kwamen de speciale regelingen voor ambtenaren te vervallen.

Indeling[bewerken]

verzekeringschadeverzekeringvariaverzekeringziektekostenverzekeringzorgverzekering

Geschiedenis zorgverzekering[bewerken]

1rightarrow blue.svg zie ook Ziekenfonds

Het eerste arbeidersziekenfonds[bewerken]

De geschiedenis van het oude Nederlandse zorgstelsel gaat terug tot 1874. Timmerlieden uit die tijd in Amsterdam waren aangesloten bij het door dokters gerunde 'Algemeen Ziekenfonds Amsterdam', en verzochten in 1874 om de contributiegelden die ze aan het AZA betaalden in de bouw van goedkopere arbeiderswoningen te steken.

De hooghartige doktoren uit die tijd waren niet gediend van dit verzoek en gaven als antwoord 'dat de werklieden zich wat meer op hun werk, en wat minder op dagdieverij moesten toeleggen'. Dit gaf de doorslag tot de oprichting van het Algemeen Onderling Ziekenfonds Door en Voor Werklieden. De Amsterdamse timmerlieden zetten zo de aanzet tot de oprichting van talloze fondsen in Nederland, waarmee de arbeidersbeweging het lot van de 'verworpenen der aarde' wil verbeteren. Deze onderlinge verzekeringen van arbeiders en vakbonden vormen een gezichtsbepalend deel van het ziekenfondswezen. Hier ontstond de ziekenfondsverzekering voor minder bedeelden.

Eerdere ziekenfondsen[bewerken]

Vóór de oprichting van het bovengenoemde ziekenfonds waren er al andere ziekenfondsen. Het eerste initiatief komt uit dezelfde sector die nu weer het heft in handen neemt: de commerciële verzekeraars. De oude ambachtsgilden hebben hun ziekenkassen ('gildebussen'), maar de eerste echte ziekenfondsen worden al opgericht omstreeks 1780. Met deze fondsen richten verzekeringsmaatschappijen en particulieren zich op mensen die onder de belastinggrens vallen en die bij ziekte een beroep moeten doen op stedelijke of kerkelijke armenfondsen.

De medici waren niet altijd gelukkig met het beleid van de verzekeraars. Artsen en apothekers richtten daarom in 1846 het al eerder genoemde Algemeen Ziekenfonds Amsterdam op, dat zorgde voor een vrije artsenkeuze, betere honoraria en een inkomensgrens om voor de artsen de ziekenfonds- van de particuliere praktijk te scheiden.

Regeringsbemoeienis[bewerken]

Vanaf 1900 richtten enkele werkgevers een eigen ziekenfonds voor het personeel op. Vanaf 1905 begint de regering zich met de ziekenfondsen te bemoeien. Een eerste initiatief van het kabinet-Kuyper in 1905 sneuvelt als gevolg van de vele belangen. De (later Koninklijke) Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde (K)NMG komt met eigen regelingen, zorgpakketten en contracten, waarmee de arme kant van Nederland zo goed en zo kwaad als het kan van basiszorg wordt voorzien.

Ziekenhuisopname zat toen nog niet in het pakket. Als iemand werd opgenomen, moest hij een beroep doen op de Armenwet. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was circa twee derde van de Nederlanders verzekerd.

Niet een Nederlands kabinet maar de Duitse bezetter heeft uiteindelijk een algemeen en verplicht ziekenfonds ingevoerd. In 1941 nemen zij het ziekenfondsenbesluit, waardoor alle werknemers onder een bepaalde loongrens (de ziekenfondsgrens) verplicht lid worden. Het ziekenfonds werd gebaseerd op de Duitse Krankenkasse. Het in 1941 ingevoerde systeem stond vanaf 1971 herhaaldelijk ter discussie. Het zou echter tot 2006 duren voordat het ziekenfonds zou verdwijnen.

Na de bevrijding worden de zorgpakketten sterk uitgebreid. In de beginjaren, tot 1960, zijn de ziekenfondsboden het gezicht van de ziekenfondsen. De boden legden de contributies op en zorgden voor uitbetaling aan de artsen.

Na 1960, met de komst van de giro en de afschaffing van het loonzakje, verdwijnen de boden. Met het verdwijnen van de boden verdwijnt ook de eigen identiteit van de fondsen. Langzamerhand fuseren de aanvankelijke tweehonderd kleine ziekenfondsen tot enkele tientallen aan het begin van de 21e eeuw.

Hervormingen[bewerken]

In 1974 lanceerde staatssecretaris Hendriks van Volksgezondheid de gedachte van een volksverzekering tegen ziektekosten voor de hele Nederlandse bevolking.

Op verzoek van het tweede kabinet Lubbers was de commissie Dekker ingesteld, vernoemd naar haar voorzitter, Philips-topman Wisse Dekker. In 1987 bracht deze commissie een rapport uit inzake de structuur en financiering van de gezondheidszorg. Het rapport heette: Bereidheid tot verandering. Het voorstel-Dekker hield in, een basisverzekering voor alle Nederlanders waarin 85 procent van de bestaande voorzieningen werden ondergebracht.[1]

Staatssecretaris Simons nam in 1989 de basisprincipes uit het plan-Dekker in grote lijnen over in zijn nota 'Werken aan zorgvernieuwing' ('plan-Simons'). Maar begin jaren negentig mislukte zijn poging om een basisverzekering in te voeren.[2]

Minister Borst blies het plan voor een basisverzekering in 2001 nieuw leven in met haar nota Vraag aan bod.

Voortbouwend op de plannen van zijn voorgangers diende minister Hoogervorst in 2004 een volledig uitgewerkt wetsvoorstel Zorgverzekeringswet bij de Tweede Kamer in. Hij verdedigde dit wetsvoorstel met succes in het parlement. De nieuwe wet trad op 1 januari 2006 in werking.

Bij de invoering van het nieuwe zorgstelsel in 2006 stapte 19,1% van de Nederlanders over naar een andere verzekeraar. Daarna bleef de verwachte marktwerking uit en viel het aantal jaarlijkse overstappers terug tot 4%. De laatste jaren lijkt er weer enige beweging in de markt en stijgt het aantal overstappers licht.[3]

De toenmalig minister van VWS Hans Hoogervorst wordt gezien als de geestelijk vader van het nieuwe zorgstelsel

Het huidige Nederlandse zorgverzekeringsstelsel[bewerken]

De Nederlandse Grondwet stelt:

De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid

De Nederlandse staat heeft gekozen voor een systeem dat medische zorg voor iedereen financieel bereikbaar maakt. Het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel bestaat uit twee volksverzekeringen:

De indeling wordt soms samengevat als respectievelijk care en cure.

De AWBZ komt van rechtswege tot stand. De AWBZ verzekert 15 functies (zoals verpleging in een verpleeghuis) en wordt uitgevoerd door de Zorgkantoren. De grootste zorgverzekeraar in een bepaald gebied is concessiehouder, en krijgt daarmee de plicht voor het uitvoeren van de Zorgkantoorfunctie. De verzekeraar zelf verdient hier niets aan, maar levert er ook niet op in: Alle kosten voor het uitvoeren van de Zorgkantoorfunctie worden betaald uit de AWBZ.

De Zorgverzekeringswet bepaalt dat elke Nederlands ingezetene verplicht verzekerd is op de basisverzekering, welke kosten de basisdekking vergoedt en waaraan de verzekeraars moeten voldoen. In een aparte wet, de Wet op de zorgtoeslag, wordt geregeld dat de overheid bijdraagt in de premies voor ingezetenen met een laag inkomen.

Verzekeringsplicht[bewerken]

Alle Nederlands ingezetenen zijn verplicht zich te verzekeren. Met Nederlands ingezetenen worden gelijkgesteld:

  • Niet-ingezetenen werkzaam in buitenland bij Nederlandse overheidsinstelling
  • Niet-ingezetenen met dienstbetrekking in Nederland
  • Bemanning van schepen en vliegtuigen met Nederlandse thuishaven

Iedereen die verplicht verzekerd is voor de AWBZ heeft een verzekeringsplicht voor de zorgverzekering. Bij grensarbeiders kan daardoor worden gesteld dat de verzekeringsplicht samenhangt met het land waar belasting wordt betaald.

Vrijgesteld van de verzekeringsplicht zijn gemoedsbezwaarden en militairen in actieve dienst. Iemand die verzekeringsplichtig wordt, is verplicht zich binnen vier maanden te verzekeren.

Meerderjarigen moeten zichzelf verzekeren, alsmede hun minderjarige kinderen. De systematiek van de wet voorziet dus niet in het verzekeren van kinderen van minderjarige moeders. In ziekenhuizen moeten deze daarom "pro Deo" behandeld worden.

Gemoedsbezwaarden[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Gemoedsbezwaard voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een gemoedsbezwaarde is iemand die, vaak vanuit religieuze overwegingen, principieel tegen het afsluiten van verzekeringen is. Deze persoon kan van de minister van Financiën ontheffing krijgen van de verzekeringsplicht. Naast de zorgverzekering is dit onder meer ontheffing voor de WA-dekking van de autoverzekering en sociale verzekeringen, zoals de kinderbijslag, AOW en WIA. De gemoedsbezwaarde moet aantonen dat hij geen enkele verzekering heeft afgesloten.

Militairen[bewerken]

Het ministerie van Defensie betaalt de medische kosten van militairen. Hierdoor zijn zij vrijgesteld van de verzekeringsplicht. Voor militairen is er voor de zorg gerelateerde kosten de Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK)[4] die door het ministerie van Defensie belast is met de uitvoering van de Ziektekostenverzekering Krijgsmacht.

Onverzekerd[bewerken]

Wanneer niet wordt voldaan aan de verzekeringsplicht dan is de onverzekerde een boete verschuldigd van 130% van de nominale premie (richtpremie, vastgesteld door ministerie) over de onverzekerde periode.

Ook achteraf kan een verzekerde een boete opgelegd krijgen als blijkt dat hij gedurende een bepaalde tijd onverzekerd is gebleven.

Acceptatieplicht[bewerken]

Zorgverzekeraars zijn verplicht iedereen te accepteren voor de basisdekking. Enige uitzondering is een verzekerde die eerder door de verzekeraar is geroyeerd wegens wanbetaling of wegens verzekeringsfraude. Voor deze verzekerden heeft de verzekeraar gedurende vijf jaar geen acceptatieplicht. Voor de aanvullende verzekeringen mag de verzekeraar wel medische acceptatie toepassen.

De aanvrager van de verzekering is verplicht alle gestelde vragen naar waarheid te beantwoorden. Wanneer de verzekeraar onjuiste antwoorden op de vragen voor aanvang van de verzekering opmerkt dan mag hij, in bepaalde situaties, de verzekering weigeren. Wanneer de verzekeraar deze onjuiste antwoorden echter pas na het ingaan van de verzekering ontdekt dan kan hij geen maatregelen meer nemen, zoals bij andere verzekeringen wel mogelijk is (zie mededelingsplicht).

Onopzegbaar[bewerken]

De basis- en aanvullende verzekeringen zijn voor de verzekeraars onopzegbaar, tenzij er sprake is van wanbetaling of fraude. De verzekeraar mag de verzekering dus niet opzeggen bij een slecht schadeverloop, een recht dat bij andere verzekeringen doorgaans wel bestaat.

Premie[bewerken]

Zie premie Zorgverzekeringswet en premie AWBZ.

Dekking[bewerken]

Hulp door een tandarts is alleen voor kinderen standaard verzekerd

De basisdekking is geregeld in het Besluit zorgverzekering, hoofdstuk 2, paragraaf 1. Dit is het voorgeschreven minimum. De werkelijke omvang van de basisverzekering van een verzekeraar, zoals vastgelegd in de polisvoorwaarden, kan uitgebreider zijn.

De basisdekking verzekert acht functies. Per functie worden een aantal dekkingsvoorbeelden genoemd.

  1. Geneeskundige zorg, zoals zorg door huisartsen, verloskundigen en medisch specialisten, en de eerste drie IVF-pogingen.
  2. Mondzorg, voornamelijk tandheelkundige hulp aan verzekerden tot 18 jaar
  3. Farmaceutische zorg, geneesmiddelen die op de limitatieve lijst van het Geneesmiddelen Vergoedings Systeem staan en geneesmiddelen die de apotheker zelf bereidt.
  4. Hulpmiddelenzorg, zoals hoortoestellen, gebitsprothesen en blindengeleidehonden.
  5. Opname, behandeling en verpleging in een ziekenhuis gedurende 365 dagen (na 365 dagen wordt de ziekenhuisopname vergoed vanuit de AWBZ).
  6. Verzorging, voornamelijk verloskundige hulp en kraamzorg.
  7. Verblijf in verband met geneeskundige hulp. Dit zou mogelijk ook in een zorghotel kunnen zijn.[5]
  8. Vervoer in verband met zorgaanspraken op grond van de ZVW, medisch noodzakelijk vervoer per taxi of eigen auto.

met dien verstande dat tandheelkundige hulp er maar zeer beperkt onder valt.

Elk jaar opnieuw bepaalt het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de inhoud van het basispakket voor het komende jaar. Om te bepalen welke vergoedingen er uit het basispakket worden gehaald en welke worden toegevoegd, laat het ministerie zich adviseren door het College voor Zorgverzekeringen (CvZ). In 2013 zijn de volgende wijzigingen in de dekking van de basisverzekering doorgevoerd:

  1. Rollators en eenvoudige loophulpmiddelen zijn uit de basisverzekering geschrapt.
  2. Bij de aanschaf van gehoortoestellen wordt een eigen bijdrage van 25 procent van de aanschafprijs gerekend.
  3. De eigen bijdrage voor tweedelijns geestelijke gezondheidszorg wordt afgeschaft.
  4. Stoppen-met-roken-programma’s komen terug in het basispakket nadat deze in 2012 juist uit het pakket werden geschrapt.
  5. Dieetadvies (maximaal 3 behandeluren) is teruggekomen in het basispakket.
  6. Voor kinderen onder de 6 jaar die blijvende tanden krijgen, wordt de fluoridebehandeling vergoed.

Verder worden in 2013 de voorwaarden voor een vergoeding van ivf-behandelingen aangescherpt. Er worden maximaal drie behandelingen vergoed met daarbij de volgende kanttekening:

  1. Tot 38-jarige leeftijd van de vrouw is er alleen een recht op een vergoeding bij terugplaatsing van 1 embryo bij de eerste twee pogingen. Bij de derde poging mogen 1 of 2 embryo's worden teruggeplaatst.
  2. Van 38 jaar of 43 jaar mogen alle drie de pogingen 1 of 2 embryo's worden teruggeplaatst.
  3. Vanaf 43- jarige leeftijd van de vrouw is er geen recht meer op vergoeding van ivf-behandelingen.

Ook in 2014 zal de dekking van de basisverzekering veranderen ten opzichte van 2013:[6]

  1. De vergoeding voor eerstelijns psychologische hulp is uitgebreid. In 2013 kregen mensen met een (lichte) psychische aandoening nog maximaal vijf consulten vergoed. Vanaf 2014 krijg je alle consulten die je nodig hebt volledig vergoed.
  2. Hulpmiddelen die nodig zijn bij de thuisdialyse en vacuümtherapie, zoals een vacuümpomp of een dialyseapparaat worden door de verzekeraar niet meer vergoed via de rubriek ‘ medische hulpmiddelen’. Deze vallen onder de categorie ‘medische specialistische zorg’. Dit betekent dat het ziekenhuis voor deze middelen en het resultaat ervan verantwoordelijk wordt. Financieel gezien zul je hier als patiënt weinig van merken.
  3. Twee innovatieve behandelingen voor patiënten met geïnfecteerde pancreasnecrose (een ernstige ontsteking aan de alvleesklier) of met een ernstige vorm van de ziekte van Crohn worden voorwaardelijk toegelaten tot het basispakket, zodat deze behandelingen hun effect kunnen bewijzen.

De Wet tegemoetkoming chronisch zieken wordt vervangen. Mensen in een instelling krijgen extra geld bovenop de zak- en kleedgeldnorm. Mensen ouder dan 65 krijgen 950 euro per jaar en mensen jonger dan 65 jaar krijgen 1700 euro per jaar.

Natura en restitutie[bewerken]

Bij een naturapolis is de zorg zelf verzekerd; de zorg wordt verleend door een bepaalde zorgverlener of men kan kiezen uit bepaalde zorgverleners. Bij een restitutiepolis zijn de zorgkosten verzekerd, onder voorwaarden; men heeft dan vrije keuze van de zorgverlener, maar er kan bijvoorbeeld wel gelden dat niet meer dan het vaste of marktconforme tarief wordt vergoed.

Vanaf 2008 wordt zorgsturing door zorgverzekeraars meer zichtbaar dan voorgaande jaren. Dat wil zeggen dat verzekeraars hun verzekerden meer sturen naar de zorginstellingen (ziekenhuizen, fysiotherapeuten, etc.) waarmee ze afspraken hebben gemaakt. Een aantal zorgverzekeraars blijft voornamelijk restitutiepolissen aanbieden zodat verzekerden maximale keuzevrijheid hebben. Anderen zullen zich meer gaan profileren als zorgdienstverlener met het aanbieden van voornamelijk naturapolissen. Verzekerden die hiervoor kiezen, hebben minder keuzevrijheid maar betalen veelal minder premie en hoeven niet zelf rekeningen voor te schieten.

Eigen bijdrage en eigen risico[bewerken]

De volgende maatregelen beperken de schadelast voor de verzekeraars (en wellicht ook de medische consumptie zelf):

  • Eigen bijdrage: voor aantal soorten zorg geldt een eigen bijdrage[7]. Dit is een deel van de medische kosten dat de verzekerde zelf dient te betalen alvorens de zorgverzekeraar een vergoeding uitkeert. De hoogte van de eigen bijdrage verschilt per zorgsoort:
Zorgsoort Eigen bijdrage
Bevalling en kraamzorg in een ziekenhuis of geboortecentrum (zonder medische noodzaak) € 16,50 tot € 116,50 per dag
Bepaalde geneesmiddelen verschilt per geneesmiddel
Hulpmiddelen (pruiken, braces, hoortoestellen, verbandmiddelen, plaswekkers, steunzolen, stofdichte hoezen, etc.) verschilt per hulpmiddel
Kraamzorg thuis € 4,10 per uur
Kunstgebit 25% van de aanschafprijs
Hoortoestellen 25% van de aanschafprijs
Ziekenvervoer in Nederland (taxivervoer of eigen vervoer) € 96,00 per jaar
  • Eigen risico: de verzekeraar mag de verzekerden een optioneel eigen risico (bovenop het verplicht eigen risico) aanbieden van € 100, € 200, € 300, € 400 en € 500. De verzekeraar is altijd verplicht ook een verzekering zonder (extra) eigen risico aan te bieden. Als gevolg van de acceptatieplicht kan een verzekerde met een verhoogd eigen risico die in het volgende kalenderjaar (veel) medische kosten verwacht altijd voor het nieuwe jaar de versie zonder verhoogd eigen risico nemen.
  • Verplicht eigen risico (2009: € 155; 2010: € 165; 2011: € 170; 2012: € 220; 2013: € 350[8]; 2014: € 360; 2015: € 375). Dit geldt niet voor:
    • huisartsenzorg (wél voor door de huisarts voorgeschreven medicijnen);
    • kraamzorgen;
    • verloskunde;
    • mondzorg voor verzekerden tot 18 jaar;
    • zorg vanuit aanvullende verzekering;
    • hulpmiddelen in bruikleen;
    • eventuele eigen bijdragen en/of eigen betalingen.

Geschiedenis[bewerken]

Volgens het Regeerakkoord 2012 zou het eigen risico vanaf 2015 inkomensafhankelijk zijn: ongeveer € 180, € 350 of € 595 per jaar. Dit gaat niet door.[9]

Vóór 2008 was er in plaats van het verplichte eigen risico een no-claimkorting op de premie van € 255. De meeste vergoedingen vanuit de basisdekking waren hierop van invloed. Wanneer de verzekerde minder dan het no-claimbedrag had verbruikt dan werd het verschil in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar uitbetaald.

Zorg in de intensive care is van invloed op de no-claim

Zorgtoeslag[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Zorgtoeslag voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De zorgtoeslag is ontwikkeld om de verzekerden met een laag inkomen te compenseren voor de zorgpremie. Afhankelijk van het inkomen van de verzekerde wordt een zorgtoeslag verleend tussen € 24 en € 432 voor alleenstaanden en € 1223 voor gehuwden. De inkomensgrens ligt op € 26.071 voor alleenstaanden en € 41.880 voor gehuwden.

Aanvullende verzekeringen[bewerken]

De basisdekking vergoedt veruit de belangrijkste zorgkosten. Naar schatting 94% van de zorgkosten is gedekt op de basisdekking. Veel mensen hebben de behoefte de basisdekking uit te breiden. De verzekeraars bieden hiervoor één of meerdere aanvullende verzekeringen.

Veelal wordt een speciale tandartskostenverzekering en een algemene aanvullende verzekering aangeboden. De tandartskostenverzekering vergoedt meestal alle tandartskosten tot een bepaald maximum per jaar, variërend van € 200 tot € 2000.

De 'gewone' aanvullende verzekering vergoedt vaak alternatieve geneeswijzen en -medicijnen, fysiotherapie en andere therapieën (zoals cesartherapie en ergotherapie en geeft een ruimere vergoeding bij onvoorziene kosten in het buitenland. Op de aanvullende verzekeringen zijn vaak ook brillenglazen en contactlenzen, anticonceptiva en een ruime vergoeding voor kraamzorg en medicijnen gedekt. Een aantal verzekeraars bieden aanvullende verzekeringen waarop vrijwel alles is verzekerd. De premie voor een aanvullende verzekering loopt uiteen van € 5 tot € 50 per maand. Voor de aanvullende verzekeringen geldt geen acceptatieplicht. Dertig procent van de zorgverzekeraars hanteerden in 2012 medische selectie. Dat is 10 procent meer dan in 2011.

Ook op de premies voor aanvullende verzekeringen worden vaak collectiviteitskortingen verleend.

Nederlandse zorgverzekeraars[bewerken]

Marktaandeel Nederlandse zorgverzekeraars begin 2007
Marktaandeel Nederlandse zorgverzekeraars eind 2009

In Nederland waren er in 2007 15 zorgverzekeraars actief. Vanaf het moment dat de invoering van de zorgverzekering definitief werd hebben veel verzekeraars de ziektekostenportefeuille verkocht.

Fusies en overnames[bewerken]

In 2006 heeft Achmea Interpolis van de Rabobank overgenomen. Univé, VGZ, IZA en Trias zijn gefuseerd tot Uvit. Uvit was begin 2007 met 4 miljoen verzekerden de grootste zorgverzekeraar van Nederland. Een aangekondigde fusie tussen Menzis, Delta Lloyd en Agis werd door de ledenraad van Menzis tegengehouden. In juni 2007 nam Achmea Agis over. Eind juli maakte de NMA bekend geen bezwaren te hebben tegen de overname, Met 4,5 miljoen verzekerden werd Achmea met de overname de grootste zorgverzekeraar van Nederland.

Per 1 januari 2008 nam de CZ Groep de zorgverzekeringen van de Delta Lloyd OHRA Groep over.

Op 23 september 2010 kondigden Achmea en De Friesland Zorgverzekeraar een fusie aan. Met deze fusie wordt de Achmea-Friesland combinatie met een marktaandeel van circa 35% met afstand de grootste zorgverzekeraar in Nederland. Deze fusie werd in juni 2011 goedgekeurd door de NMa en ook De Nederlandsche Bank heeft inmiddels goedkeuring voor de fusie verstrekt.[10]

De zorgverzekeraars zijn verenigd in Zorgverzekeraars Nederland, een vereniging die de belangen van de zorgverzekeraars behartigt.

College voor zorgverzekeringen[bewerken]

Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) is een zelfstandig bestuursorgaan. Het CVZ beoordeelt of de basisdekking nog aansluit bij de behoeften van de verzekerden en adviseert de regering hierover. Daarnaast verzorgt het CVZ de verdeling van de inkomensafhankelijke bijdrage over de verzekeraars en voert het CVZ een aantal centrale taken uit.

Wonen of werken in het buitenland[bewerken]

De verzekeringsplicht geldt voor vrijwel alle Nederlanders. Voor mensen die met een Nederlands inkomen in het buitenland wonen of in Nederland wonen en een buitenlands inkomen hebben kunnen afwijkende regelingen gelden.

Woonlandpakket[bewerken]

Een woonlandpakket kan door bepaalde groepen worden afgesloten (dit wordt verderop toegelicht). Het woonlandpakket is formeel een vrijwillige verzekering, echter in sommige situaties kan er een verkapte verplichting bestaan. Het woonlandpakket vloeit voort uit een speciale afspraak die Nederland heeft gemaakt met de landen uit de Europese Economische Ruimte (EER), Zwitserland en de zogenoemde verdragslanden, Bosnië en Herzegovina, Kaapverdische Eilanden, Kroatië, Macedonië, Marokko, Montenegro, Servië, Tunesië en Turkije. Het woonlandpakket geeft recht op de verstrekkingen volgens het recht van het land waar ze wonen. De kosten van de verstrekkingen worden door het CVZ aan het buitenland voldaan. De mensen die gebruikmaken van het woonlandpakket betalen een bijdrage aan het CVZ. De bijdrage is gelijk aan de gemiddelde nominale premie en de inkomensafhankelijke bijdrage, vermeerderd of verminderd met de woonlandfactor. De woonlandfactor is ingevoerd nadat een groep Nederlanders in het buitenland een proces tegen de Nederlandse Staat aanspande. De woonlandfactor zorgt ervoor dat de premie hoger of lager wordt naarmate het woonland meer of minder zorg verleent dan in Nederland gebruikelijk is.

De persoon moet zich binnen vier maanden nadat het recht op het woonlandpakket ontstaat aanmelden bij het CVZ. Na de aanmelding bij het CVZ moet de persoon zich nog bij een verzekeraar in het woonland aanmelden. Bij het woonlandpakket geldt in de meeste situaties de no-claimregeling en de zorgtoeslag. Over de zorgtoeslag wordt weer de woonlandfactor toegepast.

Grensarbeiders[bewerken]

Grensarbeiders zijn bij de zorgverzekering mensen die in het buitenland wonen en in Nederland werken en Nederlands belastingplichtige zijn. Dit zijn veelal Nederlanders die net over de grens in Duitsland of België wonen. Deze groep grensarbeiders is 'gewoon' verzekeringsplichtig. Ze kunnen gebruikmaken van de zorg in Nederland maar ook in het land waar ze wonen.

Gezinsleden van de grensarbeiders die geen Nederlands inkomen hebben zijn niet verzekeringsplichtig. Voor zover de gezinsleden in het woonland niet verplicht verzekerd zijn voor ziektekosten hebben zij recht op het woonlandpakket.

Wonen in het buitenland[bewerken]

Mensen die in een EER- of verdragsland wonen en Nederland inkomen (loon, uitkering of pensioen) genieten en in Nederland belasting betalen maar niet in Nederland werken. Deze groep heeft recht op het woonlandpakket indien zij niet verplicht verzekerd zijn in het land waar ze wonen. Wanneer iemand in deze situatie recht heeft op een woonlandpakket dan is diegene verplicht een dergelijk pakket af te sluiten. Bij het niet voldoen aan deze verplichting heft het CVZ een boete van 130% van de nominale premie.

Mensen die in een niet-EER of verdragsland wonen zijn niet verzekeringsplichtig en hebben geen recht op een woonlandpakket. Zij kunnen zich het beste in het woonland zelf verzekeren. Een aantal Nederlandse verzekeraars biedt voor deze groep mensen een internationale zorgverzekering aan.

Werken in het buitenland[bewerken]

Er geldt geen verzekeringsplicht voor mensen die in Nederland wonen en inkomen hebben uit een EER- of verdragsland. Zij hebben wel recht op het woonlandpakket, maar alleen dan indien ze in het werkland wettelijk verzekerd zijn en dit kunnen bewijzen door het overleggen van een E-106 formulier. Het woonlandpakket houdt in deze situatie in dat er recht op vergoeding bestaat volgens het Nederlandse verstrekkingenstelsel (de basisdekking). De premie-inning gebeurt door het land waar iemand zijn inkomen vandaan ontvangt. Dit land betaalt dan ook de gebruikte zorg. Er geldt geen no-claim en zorgtoeslag.

Als men niet in het werkland wettelijk verzekerd is kan men proberen zich particulier te verzekeren, maar in Nederland biedt vrijwel geen enkele zorgverzekeraar nog particuliere polissen aan.

Problemen met de uitvoering[bewerken]

Vanaf de invoering van het nieuwe zorgstelsel zijn er problemen ontstaan bij een groep in het buitenland wonende Nederlanders. Dit zijn veelal gepensioneerden die voorheen een Nederlandse particuliere ziektekostenverzekering hadden. Voor ziekenfondsverzekerden veranderde er vrijwel niets. Er ontstaan vooral problemen bij diegenen die twee inkomens hebben, zowel uit het woonland als uit Nederland.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2005), Brochure 'Bent u ziekenfonds of particulier?'
  • Dijk, mr. J.W.S. van, M.J.A. Nikkels-Agema en H. Winters FFP (2006) Praktijkgids Zorg & Inkomen 2006. Deventer:Kluwer. ISBN 90-13-03380-6
  • Hamilton, mr. G.J.A., (2005), Een zorgverzekering voor iedereen. PS-special Zorgverzekeringswet en Wet op de zorgtoeslag. Deventer: Kluwer. ISBN 90-13-03007-6
  • Kluwer (2007) De Kleine Gids voor de Nederlandse sociale zekerheid 2007.1. Deventer: Kluwer. ISBN 978-90-13-04049-4
  • College van zorgverzekeraars CVZ Buitenland
  1. Witness Seminar 'Getuigen van vier decennia stelselwijzigingen in de zorg'
  2. Hans Simons, activiteiten als bewindspersoon: Nota 'Werken aan zorgvernieuwing'
  3. Jaarlijkse overstapmonitor Independer.nl
  4. Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht
  5. Volgens [1] behoort de zorg in een herstellingsoord (en blijkbaar die in een zorghotel) echter niet tot het basispakket.
  6. Wijzigingen basisverzekering per jaar Geld.nl
  7. Eigen bijdrage zorgverzekering per 2014
  8. Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ter uitvoering van het Begrotingsakkoord 2013
  9. http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/09/17/begroting-volksgezondheid-welzijn-en-sport-2014.html
  10. NZA geeft positieve zienswijze op fusie Achmea en De Friesland