Zwaard (zeilboot)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Onderdelen van een zijzwaard: A: kopstuk, B: bovenschacht, C: tongstukken, D: onderschacht, E: spanningsijzer, F: ijzeren halve maan, G: ijzeren zandloper

Een zwaard is een onderdeel van een zeilboot die geen kiel gebruikt tegen de drift (het zijwaarts verplaatsen van de boot).

Moderne zeilschepen hebben vaak een vast middenzwaard, vaak ook nog aan de onderkant voorzien van extra gewicht als tegengewicht voor extreem hoge masten en zeilvoering. Dit heet een kiel. Een ophaalbare kiel wordt een zwaard genoemd.

Soorten[bewerken]

Er zijn drie soorten beweegbare zwaarden: een midzwaard, steekzwaard en zijzwaarden.

Een midzwaard kan in het midden van de boot worden neergelaten. Het kwam vaak voor op zogenoemde kleine speeljachten, rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw, maar is verder niet vaak toegepast vanwege praktische bezwaren als ruimteverlies in ruim of kajuit, de moeilijke toegankelijkheid voor bediening en onderhoud, en –niet onbelangrijk– de hogere kosten. De laatste tiental jaren worden de midzwaarden in de grotere kajuitzeiljachten echter weer meer toegepast in de ontwerpen van verschillende ontwerpers. In de grotere jachten kan de "zwaardkast" onder de kajuitvloer blijven, zodat de hele zwaardconstructie niet van invloed is op het interieurplan. De voordelen van een midzwaard in de huidige tijd zijn: droogvallen op getijdenwater; ondiepere kusten en rivieren bevaren met een jacht waarmee je ook de oceaan kunt oversteken; niet meer zo strikt gebonden ;aan de tijd van hoogwater bij het aanlopen van een getijdenhaven; op ruimere koersen door het ophalen van het midzwaard minder weerstand in het water.

Een steekzwaard werd in de Lage Landen vroeger gebruikt op de houtvlotten die de rivieren afkwamen, maar komen nu alleen nog voor in Polynesië, en tot zeer kort geleden (1970) op de oervorm van de Jangadas (zeilende vlotten) van de afgelegen delen van de Braziliaanse kust.

Een zijzwaard hangt bij de schepen aan de zijkant naast het schip, één aan stuurboord en één aan bakboord. Alleen de kleine scheepjes voor personenvervoer die vaak ook werden geroeid, hadden er maar één. Zijzwaarden komen nog voor op platbodems en rondbouwschepen van de bruine vloot.

Functie[bewerken]

De boten hebben twee zijzwaarden voor het geval dat de boot tegen de wind in moet kruisen. Bij de overstag verandert de richting van de boot ten opzichte van de wind. Dan komt de wind immers vanaf de andere kant in de zeilen. Als het zwaard naar beneden is aan de loefzijde (waar de wind vandaan komt) heeft het geen enkel nut. Dan moet dus het zwaard aan de loefzijde opgehaald worden, en aan de lage kant (lijzijde) neergelaten worden.

Wanneer een zwaard naar beneden wordt gelaten aan de lijzijde, zorgt het zwaard ervoor dat de boot niet, of minder verlijert of drift. De reden waarom schepen zijzwaarden hebben heeft historisch te maken met schepen die op ondiep water varen of moeten kunnen droogvallen.

Zeezwaard

Aan de buitenzijde is een zwaard meestal niet plat, maar hol met de grootste diepte op ongeveer één derde van de breedte, gerekend vanaf de voorkant. Sommige grote vrachtschepen, als tjalken en klippers hebben mogelijk plat/bolle zwaarden vanwege de enorme breedte van deze zwaarden, maar de lange en smalle zeezwaarden van de vissersschepen zijn alle hol van buiten (van de boot afgewend) en bol aan de binnenkant. Hierdoor ontstaat een vleugelprofiel en de lift wordt dikwijls nog versterkt door de strijkklampen zodanig te plaatsen, dat het neergelaten zwaard een hoek van 5 tot 7 graden met de lengteas van het schip maakt.

Vormen[bewerken]

De zwaarden zijn verschillend van vorm en die verschillen zijn vaak afhankelijk van het gebruik en het zeilgebied. De vissersschepen van de grote wateren als de riviermondingen de kuststrook en de zee, hebben lange smalle zwaarden. De zeilende vrachtschepen van de binnenwateren hebben grote, zware en brede zwaarden.

Verspreidingsgebied[bewerken]

Het verspreidingsgebied strekt zich uit van de Oostzee, de Deense en Friese wadden, Friese meren, Zeeuwse Wateren, de Noordzeekust tot Noord-Frankrijk, de Theemsmonding en de meren van Oost-Engeland.

Invoering[bewerken]

Het is wonderlijk om te zie hoe snel de zijzwaarden gemeengoed zijn geworden in de Lage Landen. Het begon omstreeks 1575, en duurde tot ongeveer 1625 toen ze algemeen waren.

Dit is te zien op de schilderijen uit die periode (die goed te dateren zijn), hoofdzakelijk stadsgezichten met scheepvaart op de voorgrond.

Hierop is te zien dat:

  • Voor 1575 geen zijzwaarden voorkomen.
  • Gedurende die periode de schepen met of zonder zwaarden naast elkaar voorkwamen.
  • Na 1625 de binnenschepen uitsluitend zijzwaarden voerden.

Het is bekend dat bij latere restauraties van die schilderijen alsnog zwaarden werden toegevoegd, omdat werd verondersteld dat die er beslist op hoorden.

De oorzaak van de snelle invoering van de zwaarden kan verklaard worden door de enorme ontwikkeling van zowel de overzeese als binnenlandse handel gedurende het 12-jarig bestand (1609) tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Daarom werden er in die tijd veel waterwegen gegraven en verbeterd, maar die waren niet dieper dan de bestaande (technische beperking) terwijl de schepen groter werden, en een diepstekende kiel dus geen optie was. Ook moesten de schepen rekening houden met de overtomen en sluizen van die tijd. Vooral de sluis van Gouda werd berucht vanwege haar geringe breedte en diepte.