Sjamsji-Adad I

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Šamši-Adad I)
Ga naar: navigatie, zoeken
Sjamsji-Adad I
Samsi Addu
Het rijk van Sjamsji-Adad I
Het rijk van Sjamsji-Adad I
Koning van Assur
Periode 1808-1776 v.Chr.[1]
Voorganger Erišum II
Opvolger Isjme-Dagan I
Vader Ila-Kabkabu

Sjamsji-Adad I (ook Šamši-Adad I, Engels: Shamshi-Adad I) was koning van Assyrië van 1808 tot 1776 v.Chr. Volgens de eponiemenlijsten van Kanesh[2] werd hij 67 jaar oud.

Sjamsji-Adad I was een Amoriet die de troon veroverde. Amorieten spraken een West-Semitische taal, het Amoritisch, en zijn eigenlijke naam is dan ook Samsi Addu. Sjamsji-Adad is de Akkadische (Oost-Semitische) vorm van zijn naam. Hij wist Assyrië uit te breiden tot een aanzienlijk rijk.

Veroveringen[bewerken]

Over de vroege periode van Sjamsji-Adad is weinig bekend. Waarschijnlijk nam hij rond 1830 v.Chr. de troon over van zijn vader Ila-Kabkabu in Ekallatum. Deze stad lag waarschijnlijk niet ver van Assoer. Na zo'n tien jaar veroverde Naram-Sin van Eshnunna echter de stad en vluchtte Sjamsji-Adad naar Babylon. Toen Naram-Sin zeven jaar later overleed, keerde Sjamsji-Adad terug. Drie jaar later wist hij Assoer te veroveren. Uiteindelijk kreeg hij rond 1807 v.Chr. deze rijke stad, die een uitgebreid netwerk van handelskoloniën bezat, in handen. Hij verdreef Erisjoem II en werd er koning. Hij zette zijn zoon Isjme-Dagan I op de troon van Ekallatum en vervolgde zijn veroveringstocht. Hij kwam daarna al snel in conflict met Yahdun-Lim van Mari en veroverde het noordelijke deel van de vallei van de Khabur-rivier, waarbij hij de hoofdstad van Apum, Sjekhna veroverde en hernoemde het tot Sjubat-Enlil, het huidige Tell Leilan. Deze stad zou zijn hoofdstad blijven.

Het volgende doelwit was Mari dat de karavaanroute van Mesopotamië naar Anatolië beheerste. De koning van Mari, Yahdun-Lim, versloeg hem eerst bij Tell Brak, maar hij werd door zijn zoon Sumu-Epuh vermoord, en deze op zijn beurt door zijn eigen dienaren, vermoedelijk op aanstichten van Sjamsji-Adad. Deze bezette vervolgens de stad. De wettige troonopvolger Zimri-Lim zag zich gedwongen naar Aleppo te vluchten, destijds Yamkhad. In Mari zette Sjamsji-Adad zijn tweede zoon op de troon Yasmah-Adad. Zelf ging hij terug naar Sjoebat-Enlil.

Regering[bewerken]

Na de annexatie van Mari heerste Sjamsji-Adad over een flink rijk[3] dat geheel Opper-Mesopotamië besloeg. Ook in Anatolië was zijn invloed te merken. Er was daar een netwerk van karums, handelsnederzettingen, zoals in Kültepe (Kaniš) en Acemhöyük (mogelijk Parušhanda). Zijn rolzegels worden daar gevonden. Op zijn inscripties pocht Sjamsji-Adad zelfs dat hij steles oprichtte aan de kust van de Middellandse Zee, maar dit betreft wel eerder expedities van korte duur dan een permanente verovering. Dat weerhield hem er niet van zich "koning van allen" te verklaren, een titel die ook Sargon van Akkad gedragen had. Uiteraard wekte dit de wrevel en afgunst van naburige koningen op en gedurende zijn gehele regering werd de veroveraar geconfronteerd met bedreigingen van zijn macht. Hij kreeg daarbij zeker steun van zijn ene zoon Isjme-Dagan, die zelf een sterke man bleek, maar zijn andere zoon Yasmah-Adad hield meer van wijn en de genoegens des levens. Dit blijkt uit minder flatteuze brieven van zijn vader: Ben je een kind, en geen man? Heb je geen baard op je kin? schrijft hij in een brief en in een andere: Terwijl je broer overwinningen behaalt lig jij met de vrouwen in bed.

Sjamsji-Adad was een goed organisator. Hij hield alle staatszaken nauwlettend in de gaten, vanaf de grote politiek en het aanstellen van ambtenaren tot bevoorrading. Zij veldtochten waren tot in de puntjes gepland en zijn leger kende alle methoden van belegeringwerk. Spionnen en propaganda werden benut om rivaliserende steden onder bedwang te houden. Zij rijk werd alleen maar sterker onder zijn bewind, maar na zijn dood zou het snel bergafwaarts gaan. Het rijk was niet echt een eenheid en alle oude rivalen zagen kans om zich te wreken. Yasmah-Adad werd al snel verdreven uit Mari door Zimri-Lim, en de rest van het rijk viel al snel ten prooi aan een andere veroveraar, Hammurabi van Babylon.