-drecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een drecht (in Friesland en soms in West-Friesland ook dracht genoemd), trecht of tricht is een gedeeltelijk synoniem van een voorde (Middelnederlands: vort of vorda). Beide woorden hadden als betekenis:

  • doorwaadbare plaats, meestal in een beek of rivier.
  • een in het land inspringend, inlopend gedeelte van een zee; baai, bocht, inham, inwijk
  • mogelijk heeft het ook de betekenis van een recht op doorgang

Een 'voorde' werd in het zuiden en westen van het Nederlands taalgebied ook aangeduid met drecht, trecht of tricht, afgeleid van Latijn traiecto (van traiectum, 'doorgetrokken'). De aanduiding Traiectum werd gebruikt om een plaats aan te geven waar een rivier doorwaadbaar of over te steken was. Steden met een dergelijk achtervoegsel in hun naam hebben die meestal te danken aan de nabijheid van een doorwaadbare plaats.

Woordgeschiedenis[bewerken]

Vanuit de Latijnse aanduiding ontstond in de middeleeuwen het Nederlandse woord Trecht. Trecht behoort tot de oudste drie bekende Nederlandse woorden en is het oudste Latijnse leenwoord in het Nederlands. Het werd voor het eerst genoemd als burcht-/plaatsnaam in het Utrechtse.[1] In de middeleeuwen werd voor Utrecht én Maastricht Traiectum als plaatsnaam gebruikt, ter onderscheid kregen beide plaatsen daarna een nadere aanduiding in hun plaatsnaam.[2]

Voorbeelden[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. De schrijfwijze Trecht voor de burcht of plaats Utrecht duikt bijvoorbeeld op in: (la) Willibald (ca. 766), Vita Bonifatii auctore Willibaldo (MGH, blz. 17, 47 en 52).
  2. N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen, blz. 100, ISBN 9020420453