Naar inhoud springen

Aan de oever van de Rotte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De originele versie door Jan Jacob Luti uit De Courant, 30 juli 1904.

Aan de oever van de Rotte is een Nederlands volksliedje.

Geschiedenis en varianten

[bewerken | brontekst bewerken]

Het liedje heette oorspronkelijk De bedroefde kikker en is geschreven door de Rotterdamse predikant Jan Jacob Lodewijk Luti (1831-1901). Het werd voor het eerst gepubliceerd in dagblad De Courant in 1904, drie jaar na zijn dood. In deze eerste versie, die bestaat uit acht strofen, is geen sprake van een ooievaar, maar van een ‘langpoot’.[1] In een versie gepubliceerd in 1919 is sprake van ‘een grooten grauwen reiger’.[2]

Het originele lied over Stenka Razin, uitgevoerd door Fjodor Sjaljapin.

De melodie komt oorspronkelijk van een Russisch volksliedje, waar poëet en etnograaf Dmitri Sadovnikov in 1883 een tekst over Kozakkenleider Stenka Razin op schreef.[3] Ook de liederen Oh My Darling, Clementine (gepubliceerd in 1887),[4] en Bij Sédan op de heuvel (ca. 1870) gebruikten deze melodie.[5] In de popmuziek werd de melodie gebruikt voor 'River of My People' (1956) van folkzanger Pete Seeger en 'The Carnival Is Over' (1965) van The Seekers.

Het liedje kent talloze varianten en parodieën. Vrijwel al deze beginnen met of bestaan uit de volgende twee strofen:

Aan den oever van de Rotte
Tussen Delft en Overschie
Zat een kikker luid te wenen
Met een zuig'ling op haar knie
Kijk eens jongen, sprak de moeder
Zie je gindse ooievaar
't Is de moordenaar van je vader
Hij at hem op met huid en haar

In de jaren 1920 is het liedje gereduceerd tot de twee hierboven aangehaalde strofen en wordt de ooievaar voor het eerst benoemd.[6] Niet lang daarna, echter, wordt het liedje uitgebreid met de vrij ondeugende strofe:

Dierb’re moeder, sprak de kleine,
Schrei toch niet, bedaar nu wat:
Als ik groot ben bijt ik zeker
Bei z’n beenen van z’n gat![7]

Van deze strofe bestaan verschillende varianten met allemaal een ‘minder kiesch woord in den laatsten regel’. Later – ergens in de tweede helft van de twintigste eeuw – werd deze strofe vervangen door de volgende strofe, die sindsdien ook in de meeste varianten voorkomt:

Nota bene sprak de kleine
Heeft die schooier dat gedaan
Als ik later nog eens groot ben
Zal ik hem op zijn falie slaan

Voor ‘nota bene’ wordt hierbij ook vaak het woord 'potverdorie' gebruikt. Andere woordkeuzes die soms aangetroffen worden zijn: ‘potverdikkie’, ‘wel verdorie’ en ‘potverdomme’ of het eufemistische ‘wel snotjantje'. In plaats van 'kikker' wordt regelmatig het ongebruikelijke synoniem 'kikvors' gebruikt.

Lokale bewerkingen

[bewerken | brontekst bewerken]

Er bestaat ook een versie van het lied waarin het tafereel zich afspeelt aan de IJssel, hoewel de tweede plaatsnaam onvindbaar is.[bron?] Deze versie is als volgt:

Aan de oever van de IJssel
Tussen De Steeg en Boven Nie(?)
Zat een kikvors luid te wenen
Met een kleintje op haar knie

In de Liemers is het lied bekend als 'Aan de oever van de Breuly', verwijzend naar de recreatieplas aan de rand van Zevenaar. Deze versie is een van de populairste volksliedjes uit deze streek. Het lied wordt ook wel gezien als een officieus volkslied voor de Liemers.[8]

Aan de oever van de Breuly
Tussen Ooij en Zevenaar
zat een kikker luid te wenen
met z'n handen in het haar[8]

Het lied is ook populair in Vlaanderen, waar ook veel lokale versies van het lied bestaan. Het lied is daar onder meer bekend als 'Aan de oever van de Schelde', 'Aan de oever van de Leie' en als 'Aan de oever van de Dijle'. In de laatstgenoemde versie is het nummer in 1976 door Ivan Heylen op plaat gezet.[9]

Dichterlijke vrijheden

[bewerken | brontekst bewerken]

De oorsprong van de Rotte ligt in de huidige gemeente Lansingerland, bij de polder Honderdveertig Morgen nabij de buurtschap Kruisweg. De Rotte eindigt in Rotterdam Centrum. Hiermee komt de rivier op geen enkele wijze in de buurt van Delft of Overschie. Tussen beide plaatsen loopt de Delftse Schie.

In Trouw wees een oud-leraar aardrijkskunde niet alleen op deze topografische misser, maar ook op het feit dat een kikvors (kikker) niet met huid en haar kan worden opgegeten.[10]