Acht Zaligheden (streek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Acht Zaligheden (Noord-Brabant))
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een geografische weergave van de streek Acht Zaligheden gezien vanaf een kaart van Nederland van Willem Glasbergen uit 1954, waarbij de acht seldorpen nog eens nadrukkelijk zijn uitgelicht.

Acht Zaligheden (oorspronkelijk: Selligheden)[1] is de van oorsprong spottende benaming voor een achttal van oudsher armoedige en op -sel uitgaande dorpen uit de Noord-Brabantse Kempen. Het betreft de plaatsen: Duizel, Eersel, Hulsel, Knegsel, Netersel, Reusel, Steensel en Wintelre. De sarcastische benaming verwijst tevens naar het suffix, is daarnaast een toespeling op de bergrede en werd door de lokale bevolking decennialang beschouwd als een ambivalente geuzennaam. Naarmate het moderne toerisme vorderde werd de benaming langzaamaan omgezet naar een letterlijk geïnterpreteerde eretitel voor deze dorpen. Hoewel de zaligheden Duizel en Wintelre niet op -sel eindigen, worden ze taalkundig gezien alsnog bij de zaligheden gerekend.[2] Zo werd Duizel van oudsher geschreven als Dui(j)sel en wordt Wintelre in de volksmond al eeuwenlang Wijnter- of Wentersel genoemd, wat simpelweg Wintersel betekent.[3][4] De ten zuidwesten van Eindhoven gelegen substreek, bestaande uit de acht seldorpen en de daarbij omliggende plaatsen, dankt eveneens zijn naam aan de gelijknamige spotnaam.[5]

Naamsverklaring[bewerken | brontekst bewerken]

Vooralsnog bleek niemand in staat om met onomstreden zekerheid de herkomst van de naamgeving te kunnen geven. Men gaat ervan uit dat de Acht Zaligheden zouden zijn ontstaan tijdens de Belgische Opstand (1830-1839) door toedoen van het ingekwartierde Nederlandse leger. Het leger van weleer was voornamelijk afkomstig van boven de grote rivieren, aangezien er gevreesd werd voor mogelijke Noord-Brabantse steun aan de Belgische rebellen. De oudste vermelding van de benaming Acht Zaligheden dateert dan ook uit 1841 en kwam van de hand van dr. C.R. Hermans.[6] Vanaf de omwenteling in 1830 tot de Tiendaagse Veldtocht (1831) verbleven en trokken al grote hoeveelheden militairen in en door de Kempen die onder andere bestonden uit mobiele schutterijen, studentencompagnieën en huzaren. Ook de daarop volgende status quo, die tot 1839 bleef aanhouden, werden er militairen ingekwartierd bij de lokale boerenbevolking in de grensstreek.[5] Deze soldaten bestonden voornamelijk uit protestantse mannen, waarvan enkele ook vermogend of geschoold waren en uit gebieden kwamen waar beduidend meer welvaart was. De Kempen daarentegen werd in de 19e eeuw beschouwd als achtergebleven en geïsoleerd gebied en was een van de armoedigste regio's van het land. Zo bestond er weinig tot geen welvaart en de overwegend rooms-katholieke bevolking, die voornamelijk bestond uit keuterboeren, leidde er door de onvruchtbare en schrale grond een zwaar en armoedig leven.[7] Voornamelijk vanwege het grote contrast tussen beide partijen werd deze grensstreek door het Nederlandse leger spottend Acht Zaligheden genoemd.[8][9] De Nederlandse soldaten gebruikten de term voornamelijk om aan te geven dat zij moesten verblijven in de in hun ogen barre omstandigheden, maar deelden daarnaast ook een sarcastische sneer uit aan de lokale bevolking die in hun onwetendheid van de welvaart elders in de veronderstelling waren dat zij een zalig (gelukkig) leven leidden.[10]

Armzalige zandstreek[bewerken | brontekst bewerken]

De Vrijwillige Jagers der Leijdsche Hoogeschool tijdens hun verblijf in de Acht Zaligheden op de Eerselse Heide, in de nabijheid van het gehucht Witrijt, gedurende de opmars van de Tiendaagse Veldtocht op 2 augustus 1831.

Een van de eersten, zo niet de eerste, die refereerde naar het ontstaan van de naamgeving was W.J.D. van Iterson in zijn publicatie van 1868. Hierin schreef de landbouwkundige dat de betreffende acht dorpen in de periode dat de Nederlandse soldaten gelegerd waren in de grensstreek gedoopt werden met de naam Acht Zaligheden en dat de naam voortgekomen zou zijn ten gevolge van de barre heiden. Van Iterson vermeldt verder geen verantwoordelijke voor de naamgeving.[9] Ook dr. C.R. Hermans verwees in zijn publicaties van 1841 en 1845 nadrukkelijk naar deze onvruchtbare en schrale grond en benadrukt dit bewust door in zijn tweede publicatie deze zandgrond een armzalige bodem te noemen. Hiermee lijkt Hermans te suggereren dat de term armzaligheden toendertijd smalend omgezet werd naar Sellig- of Zaligheden.[11] De verwijzing naar het woord armzalig en de woeste grond valt ook in 1872 bij prof. F.C. Donders, die zelf ten tijde van de opstand als kostleerling deels zijn jeugd had doorgebracht in de Acht Zaligheden, en noemde de daarbijbehorende plaatsen de armzaligste heidorpen op de zuidelijke grenzen van Noord-Brabant.[12]

Voornamelijk in de 19e eeuw verwierf de Acht Zaligheden landelijke beruchtheid met betrekking tot de schrale zandgronden, waarvan de heersende armoede en de beperkte ontwikkelingen in die tijd het gevolg waren. In het gros van de publicaties van weleer werd regelmatig expliciet de nadruk gelegd op de primitieve toestanden, waarbij de bodemstructuur en -kwaliteit telkens als de voornaamste oorzaak werd bestempeld. Zo bleek uit rapporten van de Maatschappij van Welstand uit het jaar 1879 dat de Acht Zaligheden onder Hollandse en Gelderse boeren als verre van aantrekkelijk gebied beschouwd werd om een onderneming te starten.[13] De beruchtheid rondom de streek beperkte zich niet enkel tot de argrarische sector, maar verwierf daarentegen eveneens bekendheid binnen de hogere regionen van de Nederlandse bevolking. Zo bleek onder andere uit een verslaglegging van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de parlementaire zitting van het jaar 1859 dat het steppe landschap van het evengoed achtergestelde Drenthe door L. Van Heiden Reinestein in de kamer vergeleken werd met die van de Acht Zaligheden, om zo de 19e eeuwse situatie van destijds in het algemeen te verduidelijken en richtte zich hiermee rechtstreeks tot de Noord-Brabantse politicus dr. J.H.H. De Poorter.[14] Volgens de in Duizel geboren archeoloog en kenner van de streek P.N. Panken is het hoofdzakelijk aan de uit de noordelijke provincies afkomstige ingekwartierde soldaten te danken dat de term Acht Zaligheden met een kleinerende intentie verbreid werd en zo door heel Nederland notoriteit verkreeg. Zij klaagden regelmatig in dagboeken en brieven over de gebrekkige toestanden in de grensstreek die zij aan den lijve ondervonden hadden ten tijde van de Belgische Opstand en spraken spottend over de bevolking van deze kleine, nederige en niet zeer bemiddelde dorpen.[15] Ook na terugkomst spraken zij vanuit verschillende windstreken over hun diensttijd in het zuidelijk deel van het uiteengevallen Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.[16]

De Selig- of Selligheden-etymologie[bewerken | brontekst bewerken]

Al decennialang wordt er geschreven en gesproken over de woordspeling Selig- of Selligheden als oorspronkelijke benaming voor deze dorpen. De naam werd voor zover bekend voor het eerst vermeld in de Nederlandsche Volks-Almanak van het jaar 1857 door dr. N.B. Donkersloot, nadat hij de naam Acht Zaligheden in een voetnoot verder toelicht en schrijft dat de naam eigenlijk zijn oorsprong vindt in de naam Selligheden, verwijzend naar de acht seldorpen. Ook had Donkersloot zelf in 1831 nog als officier van gezondheid deelgenomen aan de Tiendaagse veldtocht, waardoor zijn bewering betrouwbaar lijkt.[1] Ook P.N. Panken schreef over de Selligheden etymologie in zijn publicatie van na 1883. Naast het feit dat uit zijn publicatie valt op te maken dat deze man zich op oudere leeftijd nog bijzonder sterk gekwetst voelde door het kwetsende karakter van de naamgeving, ging Panken ook als een van de weinige dieper in op de oorsprong van de naam zelf. Panken achtte het mogelijk dat de in dit geval kleinerende term zaligheden een verbastering is van Selig- of Selligheden en dat, naast de verwijzing naar het sel suffix, hoofdzakelijk om die reden voor deze naam gekozen is.[15] Over de eeuwen heen zijn er dan ook verschillende West-Germaanse talen waarvan selig de voorloper en de schrijfwijze vormt van het naar het Nederlands verbasterde woord zalig, waaronder ook het Middelnederduits en het Oudfries.[17] Meerdere deskundigen leggen de link met de Frankische term sala, de voorloper van de uitgang -sel, wat in het huidige Nederlands verwant is aan het woord zaal. De eerste die het mogelijk achtte dat de herkomst van de naamgeving gezocht moest worden bij deze term was mr. F.J.E. van Zinnicq Bergmann in 1856. Na verloop van tijd werd deze theorie door meerdere deskundigen gedeeld, met het gevolg dat varianten als Saligheden ook regelmatig voorkomen in de geschiedschrijving.[18][19]

Er mag voorzichtig aangenomen worden dat het hier gaat om een meertalige woordspeling die gezien de complexiteit hoogstwaarschijnlijk door de nodige taalkundige bekwaamheid is voortgekomen. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat deze woordspeling is ontstaan door toedoen van een Kempenaar, aangezien het gros van deze bevolking tot halverwege de 19e eeuw al generaties lang op de rand van het bestaansminimum leefde, niet geschoold waren en daardoor ook niet taalkundig onderlegd. Daarentegen was bij een aanzienlijk deel van de Nederlandse soldaten dit wel het geval, waardoor wordt aangenomen dat zij de bedenkers zijn van deze denigrerende bijnaam. Het is niet geheel duidelijk tot wanneer deze naam in gebruik was. Wel schreef Th. Ign. Welvaarts, de archivaris van de Abdij van Postel, bewust naast de huidige naam ook de term Seligheden in zijn publicatie van 1890. Het heeft er dan ook alle schijn van, al dan niet incidenteel, dat eind 19e eeuw beide varianten mogelijk nog in omloop waren.[20]

Toespeling op de Bergrede[bewerken | brontekst bewerken]

De naam Acht Zaligheden kent diverse verwijzingen die voornamelijk spottend van aard zijn, maar daarnaast is de naam ook een toespeling op de Bergrede, afkomstig uit het Evangelie volgens Matteüs waarbij Jezus de Acht Zaligheden zou hebben verteld en waarin het verlangen van de mens naar geluk tot uiting komt. Ondanks dat de naam veelal in gebruik was bij de Nederlandse soldaten, is in tegenstelling tot de term Selligheden niet met zekerheid te zeggen of zij ook de grondleggers zijn van de naam Acht Zaligheden. Deze twijfel komt voort uit het feit dat de term Acht Zaligheden een rooms-katholieke oorsprong kent. De ingekwartierde soldaten waren voornamelijk protestants en daardoor mogelijk niet bekend met de term. Protestanten spraken dan ook van Acht Zaligsprekingen in plaats van de roomse voorganger.[5]

Zo schreef de heemkundige P. Van Beek in 1971 dat de naam vermoedelijk ontstaan zou kunnen zijn uit de inventieve en bijbels geïnspireerde volksgeest van de Kempenaren zelf en die vermoedelijk onder invloed van het getal acht is voortgekomen uit de denigrerende naam Selligheden.[21] Ook politicus en katholiek onderwijzer dr. H.J.J van Velthoven suggereerde in 1949 dat de naam te danken was aan de Kempische volksaard die mede door de afzonderlijke ligging ten opzichte van de rest van Noord-Brabant destijds nog sterk heerste en die volgens Van Velthoven omschreven werd als godsdienstzin, soberheid en arbeidslust, maar omschreef ook dat de bevolking schrander was van aard, trots op hun landschap, loyaal aan de rooms-katholieke kerk en vol vitaliteit.[2] Ook onder de voorstanders van deze theorie bestaat onenigheid als het gaat over in welke vorm de naam is doorgevoerd. Onder andere volgens L. Van Egeraat zou de naam Acht Zaligheden een vorm van volksetymologie zijn. Volgens de presentator zou de denigrerende naam Selligheden op onjuiste wijze geïnterpreteerd zijn door de lokale bevolking en hebben zo onbewust een volledig andere betekenis aan de naam gegeven.[22] Integenstelling daarvan bestaan er ook kampen die spreken van bewuste volkshumor. Prof. dr. H. Blink was in de begin jaren van de 20e eeuw er al van overtuigd dat dit ook hier het geval was en gedurende deze eeuw werd deze theorie door verschillende auteurs ook gedeeld.[23][24]

Vergelijkbare catechismusnamen[bewerken | brontekst bewerken]

De Prins van Oranje voert het Nederlandse leger aan in de Slag bij Ravels op 3 augustus 1831, nadat een dag eerder het leger de Drie Goddelijke Deugden waren binnengevallen bij Poppel.

Vergelijkbare naamgevingen kwamen sinds de 19e eeuw meerdere malen voor binnen de Nederlanden, voornamelijk ten zuiden van de grote rivieren, waardoor er vanuit gegaan wordt dat het hier gaat om een katholiek fenomeen. Ook is opmerkelijk dat al deze catechismussen zijn toegepast op dorpen of woningen die als tamelijk armoedig beschouwd werden en aaneengesloten lagen van elkaar. Zo staan de in de Antwerpse Kempen gelegen dorpen Weelde, Poppel en Ravels bekend als de Drie Goddelijke Deugden. Daarnaast wordt deze groep dorpen beschouwd als de tegenhanger van de Acht Zaligheden, aangezien deze beide gebieden aan elkaar grenzen, kampen met dezelfde arme zandgrond en vermoedelijk rond dezelfde periode zijn ontstaan.[25][26] Verder kwamen namen als de Twaalf Apostelen, de Tien Geboden, de Tien Deugden, de Zeven werken van barmhartigheid, de Vijf Geboden, de Vier Uitersten en de Drie Koningen, maar ook de Acht Zaligheden meerdere keren voor.[5][27] Ook in overwegend en van oudsher katholieke plaatsen van boven de rivieren deed dit fenomeen, weliswaar in mindere maten, zich voor en ook is de naam Acht Zaligheden een aantal keer gebruikt voor arbeidswoningen ten noorden van de grote rivieren. Hierbij moet gedacht worden aan plaatsen als: Rotterdam, Dokkum, Bunnik en Lichtenvoorde, waardoor ook de soldaten mogelijk al bekend waren met vergelijkbare naamgevingen. Echter zijn voor zover bekend de Acht Zaligheden uit de Brabantse Kempen de oudste in zijn soort, waardoor het aannemelijke vermoeden bestaat dat deze dan ook als inspiratie diende voor de vele vergelijkbare naamgevingen die daarna volgden. In sommige gevallen worden de Acht Zaligheden in verband gebracht met de vele malen oudere en tevens aangrenzende plaatsen van De Zeven Heerlijkheden.[5]

Van ambivalente geuzennaam tot eretitel[bewerken | brontekst bewerken]

De lokale bevolking omarmde de spotnaam Acht Zaligheden vrijwel terstond als een ambivalente geuzennaam.[10] Mede door de introductie van de kunstmest, de ontginning van de uitgestrekte heidevelden, de opkomst van de zeer bepalende sigarenindustrie en de aanleg van de tramlijn Eindhoven - Reusel, ontstond er langzaamaan welvaart in de regio. Hierdoor groeide de agrarische streek in het tweede deel van de 20e eeuw uit tot een trekpleister met als gevolg dat door met name de toeristische sector de naam Acht Zaligheden werd aangegrepen als het symbool voor de streek. De oorspronkelijk sarcastische benaming werd in dit geval letterlijk geïnterpreteerd en zo werden de seldorpen afgeschilderd als pittoreske plaatsjes waar een gemoedelijke, tevreden en bourgondische levensstijl de boventoon voeren. Mede hierdoor werd de term Zaligheid langzaamaan omgezet naar een ware eretitel voor deze dorpen.[28][29] René Bastiaanse gaf in 2004 als gevolg hiervan aan dat naarmate de stroom aan toeristen in de regio toenam, de streek juist uitgroeide tot het symbool van de Brabantse gemoedelijkheid.[30] Naast de acht seldorpen, pretenderen meerdere Kempische plaatsen zich een zaligheid te mogen noemen. Hier valt uit op te maken dat er van een spotnaam absoluut geen sprake meer is, maar juist een groep is geworden waar menig dorp bij wil horen.[7][22][31] Prof. dr. Gerard Rooijakkers schreef in 2003 dat het mee willen profiteren een gevolg was van de alsmaar toenemende populariteit van de geuzennaam, die uiteindelijk ook door horeca en toerisme werd ontdekt, en waardoor de Acht Zaligheden werd voorgesteld als een streek waar het goed toeven is.[16] De Acht Zaligheden zijn begin 21e eeuw niet alleen afhankelijk van toerisme en landbouw. Het heeft over de eeuwen heen een ware industriële revolutie ondergaan en is dan ook een vast onderdeel van Brainport Regio Eindhoven. Zo werd de gemeente Bladel, waar Netersel ook onderdeel van uitmaakt, in 2014 gerekend tot de top tien sterkste economische gemeenten van Nederland.[32] Hierdoor kan gesteld worden dat het van oorsprong schertsende karakter van de naamgeving absoluut niet meer tot zijn recht komt.

De Contente mens (tevreden man), een beeldje op de markt van Eersel. Het staat symbool voor de Kempenaar, die ondanks de armoede een "zalig" leven wist te leiden.

Polemiek omtrent de achtste zaligheid[bewerken | brontekst bewerken]

Feitelijk gezien bestaan de Acht Zaligheden uit zeven dorpen die daadwerkelijk uitgaan op -sel. Over de dorpen Duizel, voorheen Duisel, Eersel, Hulsel, Knegsel, Netersel, Reusel en Steensel bestaat dan ook eensgezindheid. Voor zover bekend bestaat er al sinds eind 19e eeuw onenigheid over de achtste zaligheid, die vanaf de jaren 20 van de 20e eeuw onder verschillende deskundigen uitgroeide tot een ware polemiek. Deze aanzienlijke meningsverschillen hebben voornamelijk betrekking op het van oorsprong toegerekende dorp Bladel en het taalkundig correcte Wintelre.[28] Deze discussie is nog altijd onopgelost en lijkt een gebed zonder eind. Daar waar de voorstanders van de Wintelre theorie zich hoofdzakelijk vastklampen aan het taalkundige aspect, houden die van Bladel zich vast aan het geschiedkundige. Er zijn dan ook vooralsnog geen aanwijzingen die erop wijzen dat Bladel op wat voor manier dan ook gekoppeld kan worden aan de uitgang -sel, of aanleidingen om te denken dat Wintelre al sinds het ontstaan van de naamgeving onderdeel uitmaakt van de zaligheden. Desondanks wordt sinds de jaren 70 van de 20e eeuw als vaststaand feit aangenomen dat de Acht Zaligheden bestaan uit de hierboven genoemde zeven zaligheden met Wintelre.

Het monument de Stenen der Zaligheden dat sinds 2001 bij de Groote Cirkel in Reusel gelegen is en waarbij Wintelre op uiterst rechts het achtste lid vormt.

Bladel als "hoofdplaats der acht zaligheden"[bewerken | brontekst bewerken]

Wat de oorspronkelijke samenstelling van de Acht Zaligheden moet zijn geweest is niet meer met zekerheid te achterhalen. Al sinds het ontstaan van de spotnaam bestaat er onduidelijkheid als het gaat over welk dorp nu daadwerkelijk gerekend kan worden als achtste zaligheid. Deze onduidelijkheid heerste klaarblijkelijk ook onder enkele Nederlandse soldaten die tijdens de Belgische opstand ingekwartierd waren in de streek, aangezien door sommige van hen al eerder de tussenliggende dorpen Hapert en Hoogeloon genoemd werden als achtste lid en opmerkelijk genoeg viel zelfs de naam van de gemeente Hooge en Lage Mierde, waar Hulsel tot 1996 onderdeel van uitmaakte, als zevende zaligheid.[33][34] Ondanks de onduidelijkheid wordt over het algemeen het eveneens tussenliggende dorp Bladel gezien als de oorspronkelijke achtste plaats, aangezien deze gedurende de geschiedschrijving van de 19e eeuw in bijna alle gevallen gerekend werd tot dit selecte gezelschap, daarnaast vermeld werd in de oudste vermelding van de Acht Zaligheden (1841) en nota bene in meerdere publicaties bestempeld werd als de hoofdplaats der acht zaligheden.

De eerste keer dat Bladel genoemd werd als hoofdplaats, weliswaar naast Eersel, was in een publicatie in 1845 door dr. C.R. Hermans.[11] Hermans gaf in zijn stuk van 1841 nog aan dat Bladel en Eersel de enige dorpen van de Acht Zaligheden zijn die een verdere toelichting verdienen, aangezien deze in het verleden een rol van betekenis hebben gespeeld en enigszins een vorm van welvaart kennen ten opzichte van de andere zaligheden.[6] In 1878 schreef A. Snieders daarentegen dat Bladel deze titel te danken zou hebben gehad aan de Nederlandse soldaten die in de jaren 1830 in de Kempen verbleven. In plaats van hoofdplaats zou het dorp destijds spottend de titel hoofdstad der acht zaligheden toegewezen hebben gekregen. Snieders voegt daaraan toe dat lang niet elke schutter het vergeleken met thuis zo goed en ruim had als bij de Bladelse boeren, doelend op hoe de vlag er op het gebied van welvaart bij hing in Bladel ten opzichte van de overige Kempendorpen.[8] Voor zover bekend was de laatste keer dat Bladel als hoofdplaats werd vermeld in 1882 door J.J. de Vlam, nadat de dichter een uit de Acht Zaligheden afkomstig gedicht toelicht en schrijft dat het dialect waarin het geschreven is het meest overeenkomt met die van de hoofdplaats Bladel.[35] Naast Snieders, Hermans en De Vlam zijn er legio voorbeelden van 19e eeuwse auteurs die zonder enige twijfel Bladel als volwaardig lid van de Acht Zaligheden beschreven. Enkele voorbeelden hiervan zijn: F.J.E. van Zinnicq Bergmann (1856 en 1862),[36] A.J. van der Aa (1857),[37] A.P. Meeter (1862),[38] H.G. van der Veen (1880),[39] J.R. Snieders (1883)[40] en P.N. Panken (ca. 1883).[15] Ondanks dat de meerderheid van de 19e eeuwse auteurs niet memoreerde naar een hoofdplaats, is het wel opmerkelijk dat telkens Bladel als eerste werd genoemd zodra de acht seldorpen werden opgesomd. Deze opsommingen waren in dit geval geen enkele keer op alfabetische volgorde, wat zou kunnen duiden op een verwijzing naar Bladel als hoofdplaats.

Het is niet geheel duidelijk waarom Bladel van oorsprong gerekend werd tot de Acht Zaligheden, aangezien deze niet op het achtervoegsel -sel eindigt, ook niet in mondelinge varianten. Echter kwam mr. Van Zinnicq Bergmann met de theorie dat de namen van de zeven omliggende seldorpen mogelijk waren afgeleid van de ooit centraal gelegen Pladella Villa, waarvan lang stellig gedacht werd dat deze in Bladel gestaan zou hebben.[18] Het lijkt daarentegen door de Nederlandse soldaten vooral te zijn ingegeven door een grote fixatie op de plaatsnaam en dan met name op het achtervoegsel -el, maar ook op de centrale ligging van het dorp, aangezien verschillende eenheden van destijds de voorkeur al gaven aan tussenliggende dorpen wegens het op het eerste gezicht een gebrek aan een achtste sel-dorp, met als doel om aan de toespeling naar de Acht Zaligheden uit de bijbel te kunnen voldoen. Ook door de Kempenaren zelf werd Bladel in eerste instantie gezien als volwaardig lid. Kempische deskundigen zoals de gebroeders Snieders uit Bladel en de uit Duizel afkomstige P.N. Panken, die bewust de opstand hebben meegemaakt, gingen dan ook mee in deze oorspronkelijke samenstelling, terwijl deze Kempenaren op de hoogte moeten zijn geweest van de veelvuldig gebruikte benaming Wintersel.

Zoekend naar alternatieven[bewerken | brontekst bewerken]

Ook Th. Ign. Welvaarts was een van de vele 19e eeuwe auteurs die zonder twijfel van mening was dat Bladel de achtste zaligheid was. De archivaris van de Abdij van Postel benoemd in zijn publicatie van 1890 Bladel dan ook als een van de voornaamste der Acht Zaligheden. Echter werd in de voorrede van deze zelfde publicatie door de prior vermeld dat er door sommigen twijfel is ontstaan of Bladel wel bij de Zalig- of Seligheden hoort, aangezien de naam van dit dorp niet uitgaat op -sel. Voor zover bekend is dit de oudste vermelding waarbij een vorm van twijfel werd uitgesproken over Bladel als lid van de Acht Zaligheden. Welvaarts heeft deze kennis opgedaan in zijn voorstudie, maar vermeld verder niet van wanneer deze twijfel dateert.[20] Daar waar Bladel alfabetisch gezien en veelal ook bij een willekeurige volgorde in het verleden steevast als eerste opgesomd werd in het rijtje van de zaligheden, bleek uit de vermelding van L. Van Miert in 1919 ook deels de overtuiging afgenomen te zijn, aangezien de jezuïet na het opsommen van de zeven seldorpen vermeldde dat daarbij als achtste gewoonlijk Bladel wordt gerekend, wat doet vermoeden dat het dorp destijds al ter discussie stond en dat mogelijk al gespeculeerd werd over een of meerdere opties.[41] Daarnaast werd in 1925 door de Vlaamse schrijver J. Persyn Bladel beschreven als dat lastige lid van de Acht Zaligheden, dat niet wil uitgaan op -sel.[42] Uit deze publicaties blijkt dat er de nodige twijfel en ongenoegen bestond in deze periode, echter werd in geen van deze publicaties de naam van Wintelre of een ander dorp genoemd.

Uiteindelijk in 1929 werd het in de Kempen gelegen Woensel als eerste officiële plaatsvervanger in een publicatie genoemd door prof. dr. H. Blink.[43] Opvallend is wel dat de geograaf in 1902 nog een publicatie uitbracht waarin hij vermeldde dat Bladel tot de Acht Zaligheden behoorde, maar gaf daar specifiek bij aan dat dit in de ogen van de Noord-Brabanders zelf was.[23] De exacte reden van zijn plotselinge bedenking heeft hij echter nooit vermeld. Gezien de enigszins nabije ligging van Woensel en het feit dat het dorp ooit onderdeel van het kwartier van Kempenland was, op Hulsel na net als de overige zaligheden, zou voor Blink een groot aandeel gehad kunnen hebben met betrekking tot zijn keuze. Het verlangen naar een taalkundig correcte oplossing bleek onder de toeristische sector groot. Zo sloegen ook organisaties als de ANWB hierop aan. Dit bleek onder andere uit een publicatie van dr. L. Van Egeraat uit het toeristische tijdschrift de Kampioen van oktober 1948, waarin het stadsdeel Woensel door de presentator volmondig bestempeld werd als de achtste plaats.[22] Naast een aantal in het voordeel van Woensel verschenen publicaties, heeft het dorp zich nooit kunnen manifesteren tot geduchte concurrent van Bladel. De voornaamste reden zou zijn de ligging van Woensel ten opzichte van de streek en zou om deze reden gevoelsmatig geen samenhangend geheel vormen met de overige dorpen.[5] Het in Eindhoven opgegane dorp werd ook al voor de publicatie van Blink in verband gebracht met de Acht Zaligheden als negende zaligheid.[44]

Wintelre als corrigerende invaller[bewerken | brontekst bewerken]

Op een zeker moment raakte ook het van oudsher met Knegsel verbonden Wintelre verwikkeld in de discussie. Het dorp werd echter pas voor het eerst in 1949 vermeld in een publicatie als achtste zaligheid door politicus en historicus dr. H.J.J. van Velthoven.[2] De Kempenaar verwees onder andere naar de oorspronkelijke benaming Selligheden en de mondelinge variant Wintersel, een naam die al ruim voor de Belgische opstand door met name de Kempenaren in gebruik was.[45] Het lijkt daarentegen onwaarschijnlijk dat Wintelre sinds het ontstaan van de naamgeving al in verband werd gebracht als zaligheid, aangezien de Nederlandse soldaten niet bekend waren met dit kenmerkende Kempische gebruik en omdat deze articulatorische verandering ook nooit op stafkaarten werd toegepast, lijkt het dorp over het hoofd gezien te zijn en lag het meer voor de hand om een tussenliggend dorp als Bladel te verkiezen.

Voornamelijk door de publicatie uit 1949 maakte men buiten de Kempen daadwerkelijk kennis met de mondelinge variant en werd Wintelre pas in de jaren 50 van de 20e eeuw nationaal geïntroduceerd als achtste zaligheid. Uit de vele publicaties die daarna volgden bleek Wintelre aan te slaan bij auteurs over het hele land, waardoor er nieuw leven in de polemiek geblazen werd. Als reactie werd er onder de leden van de Heemkundige Studiekring De Acht Zaligheden tijdens een werkvergadering op 5 juni 1952 een enquête gehouden met de vraag welke acht dorpen het gezelschap daadwerkelijk vormen. Unaniem werd er destijds nog gekozen voor de samenstelling met Bladel.[5] Desalniettemin werd er door prof. dr. W. Glasbergen in 1954 nog eens een schepje bovenop gedaan door in zijn Engelstalige proefschrift over de door de ontginning bedreigde grafheuvels en urnenvelden van de streek, die tevens de nodige internationale erkenning en aandacht ontving, ook weer Wintelre te benoemen als zaligheid.[46] Nadat de naam van Wintelre maar veelvuldig bleef vallen, ontstond er bij de Oerlese dialectkenner A.P. de Bont ook weer lokale weerstand en liet in het vocabularium van zijn Kempische woordenboek van 1958 weten dat er feitelijk maar zeven dorpen zijn die op -sel eindigen, maar beschrijft in plaats van Wintelre, waarvan de variant Wintersel in zijn publicatie wel degelijk werd erkend, toch Bladel als achtste zaligheid.[47][48] In een latere publicatie uit 1966 gaf de dialectkenner nog maar eens aan dat de keuze voor Wintelre alleen zou kunnen voortvloeien uit de gedachtegang van Niet Kempenaren, daarnaast beweerde De Bont ook dat rond die zelfde jaren 60 geboren en getogen Kempenaren dit als onjuist aanvoelen.[49]

Desondanks bleven de daar op volgende publicaties bijna allemaal in het voordeel van Wintelre spreken en werd door allerlei auteurs en bijvoorbeeld ook de provinciale VVV de Wintersel interpretatie, al dan niet klakkeloos, overgenomen. Zo stelde ook prof. dr. L.C Michels in 1956 stellig dat Wintelre de plaats van Bladel dient te bezetten, nadat de taalkundige in die zelfde publicatie de in het voordeel van Bladel uitgesproken vermelding van K. Ter Laan uit 1948 ontkracht en daarnaast zijn deskundigheid in twijfel trok, aangezien zijn collega niet op de hoogte zou zijn van de mondelinge variant Wintersel. Michels geeft daarbij aan dat hij zijn kennis heeft opgedaan uit een publicatie van geograaf W.W. Reijs van een jaar eerder.[50][51] Daar waar De Bont nog sprak over autochtone onvrede, sprak de heem- en taalkundige drs. H.M.C.A Mandos in 1971 alweer van heersende onenigheid. Ook Mandos was van mening dat Bladel onrecht aangedaan zou zijn en probeerde tevergeefs in zijn gezaghebbende publicatie het tij te keren.[5] Vanaf de jaren 70 was het pleit definitief in het voordeel van Wintelre beslecht en bleek het roer binnen twee decennia volledig omgegooid te zijn. Dit werd nog maar eens bevestigd in 1975 bij een publicatie van onder andere F. Verachtert over de geschiedenis van Bladel en Netersel, waarvan de gekozen titel indirect verantwoordelijk bleek voor de bijnaam Negende Zaligheid, zoals Bladel vanaf halverwege de jaren 70 met de nodige verwarring werd genoemd door in eerste instantie de eigen inwoners.[52]

In tegenstelling tot de publicatie van De Bont uit 1966, beweerde de Hulselse publicist en historicus Cor van der Heijden in 2011 dat de naam Wintelre kort voor de Tweede Wereldoorlog binnen de Kempen steeds vaker werd genoemd als de achtste zaligheid.[10] Door dominee Stephanus Hanewinkel werd in 1803 omschreven dat Wintelre binnen de Meierij, waarvan een aanzienlijk deel uit de Kempen bestond, gewoonlijk Wintersel genoemd werd, waardoor het niet ondenkbaar is dat Wintelre ten tijde van de publicatie van Welvaarts uit 1890 of enige tijd daarvoor mogelijk al onder enkele Kempenaren als achtste zaligheid gezien werd. Daarnaast bestonden er onder de lokale bevolking in de 19e eeuw zeer weinig individuen die letterkundig begaafd waren, waardoor de bekendheid van de doorgaans gebruikte benaming Wintersel buiten de Kempen tot halverwege de 20e eeuw beperkt bleef.[45] Factoren van invloed die Wintelre als corrigerende invaller makkelijker hebben doen accepteren zijn onder andere dat Wintelre, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Woensel, steevast onderdeel uitmaakt van de streek en dat de mondelinge variant eindigt op de uitgang -sel, waardoor het ongemak van het niet op -sel uitgaande Bladel werd weggewerkt.

De officieuze negende zaligheid[bewerken | brontekst bewerken]

De Bladelse kei op zijn nieuwe locatie naast de N284 in Reusel, de verbindingsweg tussen Bladel en Reusel, met de ironische tekst: Rust, wat een Zaligheid.

Naast het feit dat uit de publicatie van onder andere F. Verachtert uit 1975 de bijnaam negende zaligheid voortvloeide, gaf de keuze voor de titel en de acceptatie daarvan een nauwkeurig beeld weer van hoe de meerderheid van de Kempenaren de voorkeur uitsprak voor Wintelre als achtste zaligheid en in het bijzonder binnen de Bladelse gemeenschap, aangezien er ook een aantal medeauteurs woonachtig of afkomstig waren uit Bladel zelf, waaronder de Bladelse archeoloog Nico Roymans, en omdat de plaatselijke VVV als uitgever fungeerde. Naarmate de 20e eeuw verstreek bleef de ophef rondom de achtste zaligheid ongegeneerd aanhouden onder deskundigen van voornamelijk buiten de Kempen. Sommigen van hen lieten door de nodige verwarring het antwoord simpelweg in het midden, zoals ook bij de redactie van de Winkler Prins Encyclopedie van 1979 die onder leiding van R.C. Van Caenegem en S. Groenman geen voorkeur uitspraken, hoewel in voorgaande edities Bladel altijd de voorkeur genoot.[53] Dat de onderlinge strijd zich voornamelijk buiten de Kempen voortzette, werd in 1997 nogmaals bevestigd in een aan de polemiek gewijd artikel van Frans van Schoonderwalt uit de Volkskrant, waarin de sportjournalist nogmaals benadrukte dat de onderlinge strijd voornamelijk gevoerd werd tussen de deskundigen zelf en dat de gemoedelijkheid onder de Kempenaren er niet onder te lijden had.[28]

Dit sloeg enigszins om nadat er in 2001 door de heemkundekring van Reusel een monument geplaatst werd op de Peelse Heide, bestaande uit een formatie van natuurstenen die geheel geografisch en op schaal de Acht Zaligheden weergeeft en waarin Wintelre, in tegenstelling tot het aan Reusel grenzende Bladel, beschouwd wordt als de achtste zaligheid. Als gevolg hiervan verscheen in mei 2003 op mysterieuze wijze een negende steen, die relatief groot was in vergelijking met de overige stenen, op de plaats waar Bladel gelegen zou moeten zijn. Naast de enorme negende kei, die in de volksmond ook wel bekend stond als de Bladelse kei, werd er ook een bord geplaatst met een betogende tekst, waarin de daders het standpunt van Bladel als zaligheid innamen en waarbij bezoekers na het lezen van de tekst in de gelegenheid gesteld werden om hun eigen mening te uiten. Aan de hand van het bord en de anonieme stukken die later verschenen in de media, werd duidelijk dat de daders sterk geïnspireerd waren door de publicatie van Mandos uit 1971.

Het fenomeen trok veel publiciteit die zowel binnen als buiten de grenzen van de Kempen niet onopgemerkt bleven. Het leidde tot een ware dorpsrel tussen Reusel en Bladel. Er werden meerdere ludieke teksten ingezonden naar lokale bladen en er volgden een aantal tegenacties. Ook werd nogmaals duidelijk dat de meningen van de lokale bevolking sterk in het verdeel van Wintelre spraken.[7] Ook prof. dr. Gerard Rooijakkers was de ludieke dorpsrel niet onopgemerkt gebleven en verwees in een artikel van het Eindhovens Dagblad eveneens naar een negende zaligheid, maar beschreef hoofdzakelijk nog maar eens hoe de kaarten anno 2003 in het verdeel van Wintelre waren geschud met betrekking tot de achtste. Opmerkelijk genoeg gaf Rooijakkers aan dat de Bladelnaren geen boodschap zouden hebben aan de geschiedenis, maar simpelweg wilden meeprofiteren van de alsmaar toenemende populariteit van de streek.[16] Ook in een aan COVID-19 gerelateerd artikel uit 2020 van Trouw memoreerde de historicus nog naar de karakteristieke Kempische dorpsrel.[31] René Bastiaanse, oud-directeur van het Brabants Historisch Informatie Centrum, schaarde zich in 2004 eveneens achter de visie van de Reuselse heemkundigen. In een aan de Acht Zaligheden gewijde aflevering van zijn televisieprogramma De Wandeling kwam ook de recentelijke dorpsrel ter sprake. De historicus gaf, in tegenstellingen tot Rooijakkers, aan ervan op de hoogte te zijn dat Bladel traditioneel werd gerekend tot de zaligheden, maar achtte het taalkundig belang in dit geval groter gezien de etymologie van de naamgeving.[30]

In 2010 kwam de discussie opnieuw ter sprake, nadat onder andere zanger JW Roy, die zelf geboren is in Knegsel, een nostalgische ode uitbracht aan de Acht Zaligheden in de vorm van een boek en cd. Zes nummers werden geschreven door JW Roy zelf en de twee andere nummers door Gerard van Maasakkers en Guus Meeuwis. Naast het boek en de cd werden er ook theatervoorstellingen gehouden (Ach, Zalig Man). Onder andere JW Roy zelf, Frank Lammers en Roel Spanjers, trokken langs de acht dorpshuizen van de Acht Zaligheden, waarbij die van Bladel, tot ongenoegen van de Bladelnaren zelf, er niet een van was. De voorstellingen beperkten zich in eerste instantie tot de acht dorpen, maar werden uiteindelijk ook op Omroep Brabant uitgezonden. JW Roy bracht in 2022 een nieuw album uit die hij eveneens opdroeg aan zijn geboorte streek en waarin hij een nummer wijdde aan de Negende Zaligheid, maar distantieert zich wederom van Bladel en roept Vessem uit tot Negende en Vergeten Zaligheid.[54] Deze aandacht en de daarbij behorende eenzijdige belichting, bleek voor historicus en publicist Cor van der Heijden in 2011 aanleiding om een artikel uit te brengen in het NRC Handelsblad over hoe de vork daadwerkelijk in de steel steekt met betrekking tot de geschiedenis en de totstandkoming van de samenstelling van de Acht Zaligheden, met als voornaamste doel het geven van een tegengeluid zonder daarbij zelf een voorkeur uit te spreken. Tevens vermeldde Van der Heijden dat het voor de Bladelnaren een pijnlijk gezicht was dat de karavaan aan hun dorp voorbijtrok, waardoor een negende voorstelling uitbleef. Het boek met bijbehorende cd was dan ook niet in Bladel verkrijgbaar.[10]

Onder de lokale bevolking werd lang aangenomen dat de bijnaam negende zaligheid voortkwam uit arrogantie van de Bladelnaren. Bladelnaren worden overigens al van oudsher door de overige Kempenaren als Wendbuilen (windbuilen) afgeschilderd, een ander woord voor blaaskaken, een beeld wat sinds de strijd met Wintelre in de Kempen daardoor alleen maar versterkt is. Er werd in de loop der jaren een beeld van Bladel geschetst dat het ten onrechte onderdeel zou willen uitmaken ten koste van Wintelre, waardoor de keuze voor de bijnaam als forcerende wanhoopspoging gezien werd om alsnog tot de zaligheden gerekend te worden. De keuze voor de titel van de Bladelse publicatie uit 1975 en de daarop volgende ingebruikneming van de bijnaam lijkt naar alle waarschijnlijkheid eerder voort te zijn gekomen uit de historisch betrokkenheid van het dorp, in plaats van de zogenaamde opscheppende karaktereigenschappen van haar gemeenschap. De bijnaam negende zaligheid beperkte zich in eerste instantie tot de Bladelse bevolking en de Kempische volksmond, maar naarmate de aandacht en publiciteit voor zowel de dorpsrel als de polemiek en het gebruik van internet toenam, verwierf de bijnaam begin 21e eeuw ook bekendheid buiten de grenzen van de Kempen. Zo werd onder andere in het AVROTROS programma De streken van Van Boven van TV kok Yvette van Boven in 2021 een aflevering gewijd aan de Kempen, waarbij door zowel de titel van de aflevering als het Bladels streekgerecht dat behandeld werd, welke in dit geval werd voorgesteld als de negende zaligheid van de streek, verwezen naar de Bladelse bijnaam.[7][55]

Topografie[bewerken | brontekst bewerken]

Wegwijzer in het Belgische Postel nabij de grens met Nederland.

Ligging[bewerken | brontekst bewerken]

De dorpen van de Acht Zaligheden bevinden zich in het zuiden oosten van Noord-Brabant, in de streek de Kempen en zijn van zuid tot west omringd door de grens met België. De Acht Zaligheden bevinden zich ten zuidoosten van Tilburg, ten zuidwesten van Eindhoven, ten noorden van Lommel (B) en ten oosten van Turnhout (B), steden die relatief dicht bij de dorpen gelegen zijn. De acht dorpen zijn verspreid over de drie Kempengemeenten, Reusel-De Mierden (2), Bladel (1) en Eersel (5).

Land of streek der Acht Zaligheden[bewerken | brontekst bewerken]

De naam Acht Zaligheden beperkt zich niet alleen tot de acht seldorpen, maar hiermee wordt vaak ook de grensstreek zelf aangeduid. Ook varianten als Land of Streek der Acht Zaligheden kwamen in het verleden met enkele regelmaat voor. Dr. H.M.C.A Mandos wijdde in zijn publicatie uit 1971, naast de etymologie van de naam, ook nog een heel hoofdstuk aan de gelijknamige streek. Uit deze publicatie bleek dat volgens de autochtone bevolking de streek, naast de acht seldorpen, bestaat uit de dorpen Hooge Mierde, Lage Mierde, Bladel, Hapert, Casteren, Hoogeloon, Vessem en Oerle. Dorpen die in het verleden ook wel de oude kern der Kempen genoemd werden en welke door de vele geschiedkundige en culturele overeenkomsten gevoelsmatig een samenhangend geheel vormen. Het gebied strekt zich in het noorden uit tot de Oostelbeerse en Oirschotse Heide en naar het zuid oosten tot aan de rivier de Run. Voornamelijk door buitenstaanders wordt geografisch gezien onder de naam een ruimer gebied verstaan. In dit geval wordt globaal het gehele gebied ten zuidwesten van Eindhoven benoemd tot de Acht Zaligheden en wordt de natuurlijke grens de Run naar het oosten verlegd tot aan ongeveer de rivier de Dommel. Hierdoor worden de dorpen Luyksgestel en Bergeijk en het hovengebied, bestaande uit Meerveldhoven, Veldhoven, Broekhoven, Riethoven, Boshoven en Westerhoven, ook beschouwd als onderdeel van de streek. Ondanks dat de plaatsen Dommelen en Borkel binnen dit gebied gelegen zijn, worden deze merkwaardig genoeg niet meegerekend tot de streek.[5]

Trivia[bewerken | brontekst bewerken]

Het Streekmuseum De Acht Zaligheden te Eersel, dat gehuisvest is in een kenmerkende Kempische langgevelboerderij.
  • De naam Acht Zaligheden is om verschillende redenen terug te vinden in het dorp Eersel. Zo bestond lange tijd het restaurant Acht Zaligheden, waarvan de naam sinds 1956 gebruikt werd en dat tussen 1983 en 1995 in het bezit was van een Michelinster. Ook kent het dorp sinds 1980 een nog altijd bestaand en gelijknamig streekmuseum, welke door de eveneens gelijknamige heemkundekring van Eersel ingebruik genomen wordt.
  • Het dorp Steensel werd vaak gezien als de armzaligste van heel de regio. Aangezien op deze plek de grond het minst vruchtbaar bleek te zijn, werd er aangenomen dat er nog geen pier in deze schrale zandgrond zou kunnen overleven. Ook bestaat er een legende over een pier die per toeval in Steensel terechtkwam en door de bevolking aan de ketting werd gelegd. Steenselnaren worden in de volksmond ook wel pieren genoemd.[26][30]
  • Tot aan de jaren vijftig van de 20e eeuw herinnerde de Eerselse voddeguld nog aan een traditie, welke bestond uit een optocht en het begraven van de Voddejanus, een pop van vodden en stro die symbool stond voor de ingekwartierde soldaat, die herinnerde aan de slechte verstandhouding tussen de overwegend rooms-katholieke bevolking van de Kempen en de protestantse ingekwartierde militairen.[56]
  • Het monument de Stenen der Zaligheden in Reusel biedt in eerste instantie een geografische weergave van de Acht Zaligheden aan, maar daarnaast heeft ook elk dorp zijn eigen zaligspreking toegewezen gekregen.
  • Het in de Noord-Brabantse Kempen gelegen dorp Sterksel, ten zuidoosten van Eindhoven, wordt onder andere door de rijke historie gekenmerkt als een merkwaardig dorp en werd mede door toedoen van haar eigen inwoners bestempeld als een Zaligheid apart.[57][58]
  • De naam Wintelre is voortgekomen uit de voorgangers Winterle en Winterlo. De uitgang -le en -lo zijn mogelijk afgeleid van -loo, wat eveneens het geval is bij de dorpen Hulsel, Eersel en Bladel. Articulatorische varianten als Wintersel komen in de Kempen vaker voor. Vergelijkbare sibilante articulaties zijn waar te nemen bij de nabij gelegen plaatsen Aarle (Aarzel) en Oerle (Oers).

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]