Achterkant van de maan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Achterkant van de maan.

De achterkant van de maan is het halfrond van de Maan dat steeds van de Aarde afgekeerd is. De snelheid van de asrotatie van de Maan is dezelfde als haar omloopsnelheid rond de Aarde waardoor men vanaf de Aarde steeds dezelfde kant van de Maan ziet. De achterkant werd voor het eerst gefotografeerd door de sonde Loenik 3 van de Sovjet-Unie in 1959, wat toen een grote sensatie was. Tijdens de Amerikaanse Apollo 8-missie in 1968 werd de achterkant voor het eerst direct gezien.

De achterkant wordt gekenmerkt door een groot aantal inslagkraters en relatief weinig maria. De achterkant bevat voor zover bekend op een na de grootste inslagkrater van het zonnestelsel, het Zuidpool-Aitken-bekken.

Achtergrond[bewerken]

De achterkant van de maan wordt door astronomen gedefinieerd als het stuk van de maan dat nooit zichtbaar is vanaf de aarde. De achterkant dient niet te worden verward met de donkere kant van de maan (het halfrond dat niet door de zon wordt beschenen op een bepaald tijdstip). Zowel de voorkant als achterkant ontvangen relatief evenveel licht van de zon. Toch wordt de term donkere kant nog vaak gebruikt om aan de achterkant te refereren.

De achterkant van de maan ziet er duidelijk anders uit dan de voorkant. Slechts 2,5% van het oppervlak van de achterkant van de maan wordt bedekt door zeeën, terwijl de voorkant voor 31,2% uit zeeën bestaat.[1] Een mogelijke verklaring hiervoor is de hogere concentratie van hitte-producerende elementen aan de voorkant, zoals te zien is op geochemische kaarten gemaakt door de Lunar Prospector.

Verkenning[bewerken]

USSR postzegel uit 1959 ter viering van de eerste foto’s van de achterkant van de maan

Tot aan de late jaren 50 van de 20e eeuw was er maar weinig bekend over de achterkant van de maan. Door libratie kon af en toe wel een glimp worden opgevangen van de achterkant, maar het gebied dat zo geobserveerd kon worden besloeg slechts 18% van de totale achterkant. Bovendien werden deze stukken altijd onder een lage hoek gezien, waardoor bruikbare observatie niet mogelijk was. De achterkant was dan ook onderwerp van veel speculatie onder astronomen.

Een van de bekendste stukken van de achterkant van de maan die door libratie is geobserveerd is de Mare Orientale, een inslagkrater met een diameter van 1000 kilometer.

Op 7 oktober 1959 nam de Sovjet-sonde Loenik 3 als eerste foto’s van de achterkant van de maan, waarvan er 18 bruikbaar waren voor studie.[2] Deze foto’s toonden een derde van het totale oppervlak dat niet zichtbaar was vanaf de aarde.[3] De foto’s werden geanalyseerd, waarna op 6 november 1960 de eerste atlas van de achterkant van de maan werd uitgebracht door de Russische Academie van Wetenschappen.[4][5] De atlas bevatte een overzicht van 500 kenmerken van het landschap.[6] Een jaar later werd de eerste globe (schaal 1:13 600 000[7]) uitgebracht.[8]

Op 20 juli 1965 werd een andere Sovjet-sonde, de Zond 3, naar de achterkant van de maan gestuurd. Deze nam 25 foto’s van goede kwaliteit.[9] Deze foto’s hadden een betere resolutie dan die van de Loenik 3, en toonden onder andere ketens van kraters die honderden kilometers lang waren.[3] In 1967 werd het tweede deel van de atlas gepubliceerd in Moskou,[10] gebaseerd op data van de Zond 3. De atlas omvatte nu 4000 kenmerken van de achterkant van de maan.[3]

Daar veel van de prominente landschappen aan de achterkant van de maan werden ontdekt door Russische wetenschappers, kregen deze ook Russische namen. Dit zorgde voor enige controverse, vooral toen de Internationale Astronomische Unie besloot de namen intact te laten.

De achterkant van de maan werd voor het eerst rechtstreeks door mensen gezien tijdens de Apollo 8-missie in 1968. Astronaut William Anders was een van de astronauten aan boord. Hij omschreef wat hij zag als een landschap vol gaten en heuvels, maar zonder enige definitie.

Nadien is de achterkant van de maan nog gezien door crewleden van de Apollo 10 tot en met Apollo 17, en talloze keren gefotografeerd door sondes.

Radiotelescoop[bewerken]

Daar de achterkant van de maan is afgeschermd van radiosignalen afkomstig van de aarde, is het volgens astronomen een geschikte plaats voor een radiotelescoop. Kleine schaalvormige kraters vormen een natuurlijke formatie voor een vaste telescoop gelijk aan de Arecibo in Puerto Rico.

Om een dergelijk plan ooit in praktijk te brengen dienen nog veel problemen overwonnen te worden. Zo kan het fijne stof van de maan de apparatuur beschadigen. Ook moeten de onderdelen van de telescoop worden beschermd tegen de effecten van zonnevlammen. Ten slotte moet men bedenken dat waarschijnlijk nog een satelliet (of een relaiszender elders op de maan) nodig is om de gegevens van de telescoop naar de aarde te zenden, aangezien een rechtstreekse radioverbinding niet mogelijk is.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. J. J. Gillis, P. D. Spudis (1996). The Composition and Geologic Setting of Lunar Far Side Maria. Lunar and Planetary Science 27: 413–404 .
  2. Loenik 3. NASA
  3. a b c (ru) Grote Sovjetencyclopedie: Луна (спутник Земли) (op yandex.ru)
  4. АТЛАС ОБРАТНОЙ СТОРОНЫ ЛУНЫ, Ч. 1, Moscow: USSR Academy of Sciences, 1960
  5. Aeronautics and Astronautics Chronology, 1960. NASA
  6. (Russisch) Chronology, 1804-1980, to the 150th anniversary of GAISh - Moscow State University observatory. MSU
  7. (Russisch) Moon maps and globes, created with the participation of Lunar and Planetary Research Department of SAI. SAI
  8. Saving Globes an article in Sphaera: the Newsletter of the Museum of the History of Science, Oxford
  9. Zond 3. NASA
  10. АТЛАС ОБРАТНОЙ СТОРОНЫ ЛУНЫ, Ч. 2, Мoscow: Nauka, 1967