Adolf III van Nassau-Wiesbaden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Adolf III
Tekening van het grafmonument voor Adolf III van Nassau-Wiesbaden in de Mauritiuskerk te Wiesbaden
Tekening van het grafmonument voor Adolf III van Nassau-Wiesbaden in de Mauritiuskerk te Wiesbaden
Nassau wapen.svg Graaf van Nassau-Wiesbaden
Regeerperiode 1480-1511
Voorganger Johan van Nassau-Wiesbaden-Idstein
Opvolger Filips I van Nassau-Wiesbaden
Stadhouder van het Graafschap Zutphen
Regeerperiode 1481-1492
Voorganger Willem van Egmont jr.
Opvolger n.v.t.
Gelre Huldenberg 15e eeuw.svg Stadhouder van het Hertogdom Gelre en het Graafschap Zutphen
Regeerperiode 1489-1492
Voorganger n.v.t.
Opvolger n.v.t.
Nassau wapen.svg Graaf van Nassau-Idstein
Regeerperiode 1509-1511
Voorganger Filips van Nassau-Idstein
Opvolger Filips I van Nassau-Wiesbaden
Huis Nassau-Wiesbaden-Idstein
Vader Johan van Nassau-Wiesbaden-Idstein
Moeder Maria van Nassau-Siegen
Geboren 10 november 1443
Gestorven 6 juli 1511
Wiesbaden
Begraven Mauritiuskerk, Wiesbaden
Partner Margaretha van Hanau-Lichtenberg
Religie Rooms-Katholiek
Wapenschild
Wapen van de Walramse Linie

Adolf III van Nassau-Wiesbaden (10 november 1443[1][2][3] - Wiesbaden, 6 juli 1511)[1] was graaf van Nassau-Wiesbaden, een deel van het graafschap Nassau. Hij werd in 1481 keizerlijk stadhouder van het graafschap Zutphen, en was tussen 1489 en 1492 stadhouder van het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen. In 1501 en sinds 1509 was hij kamerrechter bij het Rijkskamergerecht. Hij stamt uit de Walramse Linie van het Huis Nassau.

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Adolf was de tweede zoon van graaf Johan van Nassau-Wiesbaden-Idstein en Maria van Nassau-Siegen, dochter van graaf Engelbrecht I van Nassau-Siegen en Johanna van Polanen.[1][2][3][4]

Bij het overlijden van hun vader Johan deelden Adolf en zijn jongste broer Filips de erfenis, Adolf werd graaf van Nassau-Wiesbaden, en Filips graaf van Nassau-Idstein.[1][2][3][4][5]

In dienst van Maximiliaan I[bewerken | brontekst bewerken]

Keizer Frederik III had Adolf aangewezen om met Maximiliaan I naar de Nederlanden te reizen, waar deze de heerschappij overnam. Adolf werd in 1481 keizerlijk stadhouder van het graafschap Zutphen en was tussen 1489 en 1492 stadhouder van het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen. Hij werd ook kamerheer, hofmaarschalk en hofmeester. Hij behoorde tot de engste kring rond Maximiliaan. Bij diens bevrijding uit de gevangenis in Brugge in 1488 heeft Adolf zich verdienstelijk gemaakt. Zijn ambten gebruikte hij ook om zijn inkomsten te verbeteren. Nog jaren later eisten de Nederlanders schadevergoeding van hem.

Nadat Adolf naar het rijk was teruggekeerd, vertegenwoordigde hij Maximiliaan bij het koninklijk gerecht, onder andere in de geschillen tussen rijksstanden en in feodale vraagstukken. Toen de zoon van Maximiliaan, Filips de Schone, meerderjarig werd verklaard, heeft Maximiliaan onder meer Adolf weer naar de Nederlanden geroepen. Adolf zou voor een rijksgezinde politiek van Filips moeten zorgen. Maar al snel ondervond hij tegenwind van Fransgezinde raadsheren.

Rijkspolitiek[bewerken | brontekst bewerken]

Op de Rijksdag van Worms in 1495 was hij als koninklijk raadsheer aanwezig. Aan de ene kant was hij af en toe woordvoerder van Maximiliaan, aan de andere kant trachtte hij als rijksstand een positie tussen Maximiliaan en de standen in te nemen. Daardoor liep hij het misnoegen van Maximiliaan op.

Voor de verkoelde verhouding spreekt dat Adolf noch aan de Zwabische oorlog in 1499, noch aan die tegen Gelre en de Palts in 1504 deelnam. Niet in de laatste plaats omdat Adolf een belangrijke rol in de rijksdag speelde, vermeed Maximiliaan een breuk. Tijdens de Rijksdag van Augsburg in 1500 stond Adolf aan de zijde van Berthold van Henneberg, de aartsbisschop en keurvorst van Mainz, en leidde zelfs een gezantschap van de rijksstanden naar Frankrijk. Adolf werd in 1501 door de standen tot hoogste kamerrechter bij het Rijkskamergerecht benoemd, maar hij moest dat ambt snel weer opgeven. De reden was het uitblijven van betaling.

Omdat het niet gelukt was om in rijksdienst zijn financiële situatie te verbeteren, trok Adolf zich in zijn eigen graafschap terug. In de volgende jaren, toen het geschil tussen keizer en standen zich toespitste, heeft hij kennelijk een koers tussen Maximiliaan en aartsbisschop Berthold gevaren. Ook omdat de standen hem materieel meer te bieden hadden, helde hij steeds meer naar die zijde over. Na de dood van de aartsbisschop neigde hij weer naar Maximiliaan. In 1509 nam hij opnieuw het ambt van hoogste kamerrechter op zich. Hij streed hardnekkig voor de instandhouding van de rechtbank. Daarbij speelde ook een rol dat hij op het salaris van 1000 gulden aangewezen was.

Laatste jaren en overlijden[bewerken | brontekst bewerken]

Bij het kinderloos overlijden van zijn broer Filips in 1509 erfde Adolf diens graafschap Nassau-Idstein.[2][3][5]

Adolf overleed te Wiesbaden op 6 juli 1511 en werd begraven in de Mauritiuskerk aldaar. Deze kerk werd in 1850 door brand verwoest, daarbij gingen de grafmonumenten van Adolf en zijn echtgenote verloren.

Huwelijk en kinderen[bewerken | brontekst bewerken]

Tekening van het grafmonument voor Margaretha van Hanau-Lichtenberg in de Mauritiuskerk te Wiesbaden

Adolf was eerst verloofd met Adelheid van Mansfeld, een dochter van graaf Wolrad van Mansfeld, die echter voor de huwelijkssluiting overleed.[4]

Adolf huwde op 20 juni 1484[1] met Margaretha van Hanau-Lichtenberg (15 mei 1463[1][2] - 26 mei 1504),[1][2][3][4] dochter van graaf Filips I van Hanau-Lichtenberg en Anna.[2] Margaretha werd begraven in de Mauritiuskerk te Wiesbaden.
Uit dit huwelijk werden de volgende kinderen geboren:[1][2][3][4]

  1. Anna, jong overleden.
  2. Maria Margaretha (Sonnenberg, 9 augustus 1487 - 2 maart 1548), huwde op 19 april 1501 met graaf Lodewijk I van Nassau-Weilburg (1473? - 28 mei 1523). Maria Margaretha en Lodewijk werden begraven in de Sint-Maartenskerk te Weilburg.
  3. Anna (Leiden, 19 juli 1490 - 10 november 1550), huwde op 19 augustus 1506 met graaf Hendrik XXXI van Schwarzburg-Blankenburg (1473 - Nordhausen, 4 augustus 1526).
  4. Filips (Keulen, 26 april 1492 - Idstein, 6 juni 1558), volgde zijn vader op.

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]