Afghaanse Oorlog (1979-1989)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Afghaans-Russische Oorlog
Moedjahedien in de bergen
Moedjahedien in de bergen
Datum 24 december 1979 - 15 februari 1989
Locatie Afghanistan
Resultaat Het Sovjetleger bleek niet in staat de Afghaanse moedjahedien te verslaan en trok zich terug uit Afghanistan

De Afghaanse Oorlog (Russisch: Афганская война; Afganskaja wojna) begon met een Sovjet-Russische invasie in Afghanistan op 24 december 1979. Deze oorlog tussen de Sovjet-Unie aan de ene en de moedjahedien (islamitische verzetsstrijders) aan de andere kant eindigde op 15 februari 1989 met de terugtrekking van de Sovjettroepen uit Afghanistan, waarna de Afghaanse Burgeroorlog uitbrak.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Buitenlandse mogendheden[bewerken]

Afghanistan heeft in het verleden verschillende invloedssferen gekend. In de 19de eeuw kwam vanuit het noorden het Russische Rijk steeds verder naar het zuiden, met als uiteindelijke doel een zuidelijke haven aan de zee. Daarop probeerde het Britse Rijk zijn stempel op de regio te drukken, vanwege de geostrategische waarde voor de Britten omwille van de buffer voor Brits-Indië, hun kroonkolonie, tegen de tsaristische expansiepolitiek (zie The Great Game). Drie keer voerden ze oorlog tegen de sjahs van Afghanistan: de Eerste Brits-Afghaanse Oorlog (1838-1842), de Tweede Brits-Afghaanse Oorlog (1878-1880) en de Derde Brits-Afghaanse Oorlog (1919), zonder succes. Wel wisten ze het gebied binnen hun invloedssfeer te krijgen. Bij de onafhankelijkheid van India en Pakistan in 1947 verdween het geostrategische belang en nam de invloed van de Sovjet-Unie toe.

Aanloop naar het communisme[bewerken]

Van 1933 tot 1973 heerste koning Mohammed Zahir Sjah over Afghanistan. Van 1953 tot 1963 was zijn neef Mohammed Daoed Khan minister-president onder zijn regering. Na 1959 waren vrouwen niet meer verplicht om zich in boerka’s te hullen en vrouwen mochten ook studeren aan de scholen en universiteiten. In 1965 werd een parlement ingevoerd met vrije verkiezingen.[1]Tijdens deze jaren maakte de procommunistische partij van Afghanistan, de Democratische Volkspartij van Afghanistan, die sterk gelieerd was aan de Sovjet-Unie, een grote groei door. In 1967 kwam het tot een splijting binnen deze partij in twee groepen; de Khalq (Volkmassa) geleid door Nur Muhammad Taraki en Hafizullah Amin, en de Parcham (Vlag) geleid door Babrak Karmal.

Daoud organiseerde een staatsgreep met de hulp van communistische officieren in het leger. Op 17 juli 1973 kwam Daoed aan de macht nadat hij koning Zahir Shah afzette omwille van slechte economische omstandigheden en verdenking van corruptie. Hij riep zich uit tot president van de nieuwe republiek en maakte daarmee een einde aan de monarchie. In de regering van Daoud kwamen leden van de communistische Parcham-factie. Burgerlijke vrijheden werden opgeheven en politieke tegenstanders werden onderdrukt.[1] Van zijn sociaal-economische hervormingen kwam weinig terecht en het bewind van Daoud evolueerde naar een linkse Eenpartijstaat. De afhankelijkheid van de Sovjet-Unie was een doorn in het oog van Daoed en hij zocht toenadering tot andere islamitische landen, zoals Iran en Pakistan, maar wees het islamisme af. In 1975 verwijderde Daoud de communisten uit zijn regering. Gevoed door de slechte omstandigheden, verenigde de Democratische Volkspartij zich weer, onder druk van de Sovjet-Unie.[1]

Daoud werd verwijderd in de communistische staatsgreep van 27 april 1978. Daoud en een groot deel van zijn familie werden daarop vermoord door leden van deze partij op 27 april 1978. De algemeen secretaris van de partij, Nur Muhammad Taraki, werd vervolgens premier en president. Na de staatsgreep werden ongeveer 10.000 aanhangers van de oude regering vermoord door de communisten. Ongeveer 14.000 tot 20.000 mensen werden in de gevangenis gegooid.[1] Taraki's hervormingen waren eveneens geen succes, waardoor hij het premierschap moest afstaan aan zijn ex-mede Khalqleider, de radicalere Hafizullah Amin. Het verzet nam echter nog toe waardoor Taraki in de Sovjet-Unie vernam dat Amin moest worden geëlimineerd. Amin rook onraad en liet Taraki wurgen na zijn terugkeer uit de Sovjet-Unie.

De communistische regering brak met het traditionele leven van de Afghaanse samenleving. Schulden en hypotheken gerelateerd aan agrarische productie werden afgeschaft en antireligieuze propaganda werd verspreid. In juli 1978 waren de eerste opstanden. De communistische regering en diens Sovjetadviseurs gebruikten grootschalig geweld. In maart 1979 werden 1.700 mannen en jongens van het dorp Kerala samengebracht op het dorpsplein en werden met machinegeweren doodgeschoten door regeringstroepen. De lijken en gewonden werden in drie massagraven gegooid en begraven met bulldozers. De vrouwen konden enige tijd de grond zien bewegen van de gewonden die probeerden aan het graf te ontkomen.[1]

Desalniettemin raakte Amin het gezag kwijt aan de moedjahedien, een islamitische verzetsbeweging. De steun uit de Sovjet-Unie werd uitgebreid, in maart 1979 werden verschillende MiGs die hun basis hadden in de Sovjet-Unie gebruikt om Herat te bombarderen, dat in handen was van anticommunistische strijders. Het bombardement en de inname van de stad door de landmacht daarna leidde tot de dood van 5.000 tot 25.000 mensen – op een totale bevolking van 200.000.[1] De aanval op Herat leidde tot grote opstanden in het gehele land. Hierdoor werd de steun uit de Sovjet-Unie geïntensifieerd. In de gevangenis Pul-e-Charkhi werden honderden mensen per dag vermoord, sommigen werden levend begraven in latrines. In september 1979 erkende de gevangenisdirectie dat meer dan 12.000 gevangen waren vermoord.[1]

Hoofdkwartier van de Sovjets in Kaboel in 1987 (foto: Michail Jevstafjev)

De invasie[bewerken]

De kern van het Politburo: Aleksej Kosygin, Konstantin Tsjernenko en Joeri Andropov besloot over te gaan tot een koerswijziging en Leonid Brezjnev ondertekende. Op 24 december 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. Een Sovjetkok probeerde Amin te vergiftigen, maar dat mislukte doordat hij Coca-Cola dronk, waarvan het zuur op het gif inwerkte. Daarom beschoten Sovjettroepen die het paleis moesten beschermen zelf het paleis van Amin. Hij werd dood teruggevonden in de bar op de derde verdieping.[2] De volgzamer Babrak Karmal kwam aan de macht. Zijn opwaardering van de islam bleek niet voldoende. Bovendien was de aanwezigheid van de atheïstische Sovjetsoldaten een reden te meer om verzet te plegen.

De CIA steunde de opstandelingen met wapens die ze via de geheime dienst van Pakistan leverden. Dit was een anticommunistische politiek van Zbigniew Brzeziński en later Ronald Reagan. De opstandelingen kregen eerst Britse Lee-Enfield geweren, antitankwapens en uiteindelijk Stinger raketten die ze vanop de schouder konden afvuren om helikopters of vliegtuigen uit de lucht te schieten. De CIA leverde voor een miljard Amerikaanse dollar aan wapens.[3]

Gedurende de negen jaar oorlog wisten het Sovjetleger en de Afghaanse communisten niet om meer grondgebied te controleren dan 20 procent van het land.[1] Officieel moesten de Afghanen de interventie van de Sovjet-Unie betalen met grondstoffen. Meer dan 600.000 Sovjettroepen werden in totaal naar het land gestuurd, waarvan 14.751 stierven.[1] Vrouwen werden uit Russische helikopters gegooid en hele dorpen werden vernietigd.[1]

Het Sovjetleger bleek niet in staat de moedjahedien te verslaan. De VS wantrouwden de Sovjets omdat Afghanistan hen dichter bij de oliebronnen bracht. Een veroordeling van de VN maakte het nog moeilijker.

De machtsovername van Gorbatsjov leidde tot de terugtrekking uit Afghanistan. In zijn boek Perestrojka schrijft Michail Gorbatsjov in 1987 dat de invasie als doel had 'om de middeleeuwse patronen te doorbreken' om zo 'de politieke en sociale instituties te moderniseren en de vooruitgang in een hogere versnelling te brengen'. Ook schrijft hij: 'Wij willen onze soldaten zo snel mogelijk weer thuis hebben (...) De Sovjet-Unie wil dat Afghanistan onafhankelijk, soeverein en niet gebonden is, zoals voorheen. Het is het soevereine recht van de Afghaanse staat om te beslissen welke weg hij zal bewandelen, welke regering er komt en welke ontwikkelingsprogramma's doorgevoerd zullen worden. De Amerikaanse inmenging vertraagt de terugtrekking van onze troepen en staat de invoering van de nationale verzoeningspolitiek in de weg en zodoende de oplossing voor de gehele Afghaanse kwestie.' Pas in 1989 trok de Sovjet-Unie zich uit dat land terug. Op hun terugtocht vielen ze op wens van de centrale regering de noordelijke militie van Achmed Sjah Massoud aan, hoewel die vrije aftocht had beloofd.

De oorlog zorgde voor 5 miljoen vluchtelingen naar Pakistan en Iran.[1] Naar schatting kwamen 1,5 miljoen tot 2 miljoen mensen om het leven – waarvan 90% burgers.[1]

Na de oorlog[bewerken]

Na de oorlog zorgde de verdeeldheid in Afghanistan onder de moedjahedien voor een burgeroorlog. In 1996 kwam de Taliban aan de macht en stabiliseerde de toestand grotendeels. Na de aanslagen van 11 september 2001 werd de Taliban er door de Amerikanen van beschuldigd steun te verlenen aan de terroristische beweging van Osama bin Laden, Al Qaida, en besloten de Amerikanen en hun bondgenoten tot een oorlog tegen de Taliban. De multinationale troepenmacht ISAF helpt bij het democratiseringsproces.

Zie ook[bewerken]