Afgrond (religie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
"De afgrond van de hel" (1480) door de Italiaanse kunstschilder Sandro Botticelli

In diverse religieuze boeken en concepten komt de afgrond voor. Het kan een metafoor zijn van de onderwereld of het dodenrijk, zoals Sheol of de hel.

Hebreeuwse Bijbel[bewerken | brontekst bewerken]

In de Hebreeuwse Bijbel is afgrond een vertaling van het Hebreeuwse תהום, tehom, "diep", צולה, tzulah, "zeediep" of "diepe vloed" en רחב, rachav, "ruime plaats". In de Septuagint wordt het Griekse ἄβυσσος, abussos, "bodemloos", "onpeilbaar" en "grenzeloos" gebruikt.

In de oorspronkelijke betekenis van het Hebreeuwse tehom was de afgrond de oerzee of chaos waaruit de geordende wereld werd geschapen (Genesis 1:2). Daarnaast kan de term ook letterlijk verwijzen naar de diepten van de zee, de diepe oorsprong van een bron of het binnenste van de aarde.[1]

Later, in een uitgebreide betekenis in de intertestamentaire joodse literatuur, was de afgrond de onderwereld, ofwel de verblijfplaats van de doden (sheol, het dodenrijk) of uiteindelijk het rijk van de opstandige geesten (de hel, de 'gevangenis' voor demonen, de boze geesten). Deze betekenis werd overgenomen in het Nieuwe Testament.[1][2]

Nieuwe Testament[bewerken | brontekst bewerken]

Het Nieuwe Testament gebruikt net als de Septuagint ἄβυσσος, abussos. Het wordt zowel als bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord gebruikt.

De woorden 'afgrond' en 'hel' moeten in deze niet als synoniemen worden gezien. Waar de hel het geoorloofde kwaad is en een plaats van orde met duidelijke rangen en hiërarchieën, daar is de afgrond het chaotische kwaad, een plek dat oneindig veel lagen kent en geen structuur, met als doel vernietiging.[3]

Het concept van de afgrond werd tevens opgenomen in het Nieuwe Testament:

  • "En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen." (Lukas 8:31)[4]
  • "Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen." (Romeinen 10:7)[5]
  • "En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds." […] "En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts." […] "En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon." (Openbaring 9:1-11)[6]
  • "En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden." (Openbaring 11:7)[7]
  • "Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is." (Openbaring 17:8)[8]
  • "En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand.” […] "En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren.” […] "En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.” (Openbaring 20:1-3)[9]

Koran[bewerken | brontekst bewerken]

De Koran noemt een "niet terugkeerbare val uit een afgrond" als aanduiding voor de hel.[bron?]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]