Aflaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Versiering bovenaan de aflaatbrief van Paus Urbanus IV aan de Abdij van Herkenrode, 1363

Een aflaat (indulgentia in het Latijn) is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen (penitentie) voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden (canon 992)[1]. Het is een praktijk in de Katholieke Kerk die nauw verbonden is met het sacrament van de biecht. Een gelovige kan deze kwijtschelding onder bepaalde welomschreven voorwaarden verwerven door toedoen van de Kerk.

De aflaat is gedeeltelijk of vol, naargelang hij iemand geheel of gedeeltelijk verlost van de tijdelijke straffen die voor de zonde verschuldigd zijn. Gelovigen kunnen ook aflaten bekomen voor afgestorvenen om hen te helpen bij het uitboeten van hun tijdelijke zondestraffen in het vagevuur. De paragrafen 1471 tot en met 1479 van de Catechismus van de Katholieke Kerk behandelen de leer en de praktijk van de aflaten.[2]

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

Pauselijke toestemming van Clemens IV in 1265 voor het verkopen van aflaten voor de bouw van de Dom in Utrecht (bron: Het Utrechts Archief)

Tot in de 5e eeuw was de verzoening en boetedoening bijna altijd een publieke zaak, waarin sacramentele vergeving geschonken werd door de bisschop nadat de zonden publiekelijk waren opgebiecht en de boetedoening was vastgesteld. Tussen de 5e en 7e eeuw vond echter een verschuiving plaats van het publieke naar het individuele.[bron?] De zondaar beleed zijn zonden in het persoonlijke biechtgesprek, afgeschermd van de gemeenschap. Hierdoor werd ook een scheiding aangebracht tussen de elementen van de biecht: het opbiechten van de zonden, het vergeven ervan en de op te leggen straf ter verzoening. Deze straffen werden in de loop van de tijd gesystematiseerd en bijgehouden in de boeteboeken.

In de 11de eeuw heeft zich de aflaat in de later gebruikelijke zin ontwikkeld: aan bepaalde vrome werken werd kwijtschelding van zondestraf verbonden. Tijdens de kruistochten ontvingen de deelnemers een algehele aflaat. Men kon ook voor iemand een gift storten om in zijn plaats mee op kruistocht te gaan, de aflaat was dan voor de betalende en niet voor diegene die op kruistocht ging[bron?]. Na de kruistochten waren er de pelgrimages als boetedoening.

Paus Bonifatius VIII voerde in 1300 voor het eerst een jubileumaflaat in.

In de latere Middeleeuwen vond men[bron?] dat de aflaten niet alleen mochten worden voorbehouden aan diegenen die de kans kregen om op kruistocht te gaan, iedereen kon aflaten bekomen door giften om daarmee kwijtschelding van straffen in het vagevuur te bekomen. De opbrengst van de aflaten werd onder andere gebruikt voor de bouw van kerken en kathedralen, zoals de Sint-Pietersbasiliek in Rome, de Dom in Utrecht en de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch, en vaak mochten uitgevers van de aflaat een deel houden.

De verkoop van aflaten, houtsnede door Jörg Breu de Oudere uit Augsburg, circa 1530.

Misbruiken[bewerken]

Door de grote vraag van verenigingen naar het koppelen van hun favoriete gebeden, devoties, gebedsplaatsen of pelgrimstochten, hun processies of bijeenkomsten aan aflaten, ontstond er de neiging om documenten te vervalsen die verklaarden dat zulke aflaten, soms van buitengewone aard, waren gegund.[bron?] Aflaten waren gekoppeld aan vele werken die niet alleen goed waren maar die ook het gemeenschappelijke goed dienden, zowel religieus als civiel: kerken, ziekenhuizen, leprozenhuizen, goede doelen en scholen, en ook wegen en bruggen.[3]

In de latere Middeleeuwen groeide het aantal aanzienlijke misbruiken,[bron?] zoals de onbeperkte verkoop door professionele "vergevers"[4] (quaestores in het Latijn), die er op uit werden gestuurd om contributies voor een project in te zamelen. In veel gevallen was de prediking hiervan, door onwetendheid of gewiekstheid, [bron?] ver verwijderd van de officiële leer; sommigen durfden zelfs te beloven dat de verdoemden uit de hel zouden worden bevrijd.[bron?] Toestemming begon te worden verleend aan Katholieke koningen en prinsen, in het bijzonder tijdens kruistochten, om een aanzienlijk deel van de aalmoezen verzameld voor het verkrijgen van aflaten zelf te houden. De meest bekende en gedisputeerde kwestie is de aflaat vergeven voor de bouw van de Sint-Pietersbasiliek in Rome.[3]

Gravure door Israhel van Meckenem van de Gregoriusmis, ca. 1495, met aan de onderkant een ongeautoriseerde aflaat.[5]

Het Vierde Lateraans Concilie (1215) onderdrukte enige misbruiken gekoppeld aan aflaten.[bron?] Het schreef bijvoorbeeld voor dat een aflaat bij de gelegenheid van een kerkwijding slechts een jaar mocht bedragen, en dat voor andere gelegenheden een aflaat van niet meer dan veertig dagen mocht worden uitgegeven. Het Concilie verklaarde ook dat "Katholieken die het kruis op zich nemen en zichzelf klaarmaken voor de uitdrijving van de ketters dezelfde aflaat zullen genieten, en gesterkt worden door hetzelfde heilig voorrecht, als zij die het heilige Land bijstaan."[6]

Maar al snel werden deze grenzen op grote schaal[bron?] overschreden. Valse documenten deden de ronde met aflaten die alle perken te buiten gingen: aflaten van honderden of zelfs duizenden jaren.[3] In 1392, meer dan een eeuw voordat Maarten Luther zijn 95 stellingen had gepubliceerd, schreef paus Bonifatius IX tot de bisschop van Ferrara, de praktijk van bepaalde kloosterorden veroordelend. Die kloosterorden beweerden onjuist dat ze door de paus waren geautoriseerd om allerlei zonden te vergeven, en eisten geld van eenvoudige gelovigen door ze permanent geluk in deze wereld en eeuwige glorie in de volgende te beloven.[7]

Critici[bewerken]

Tegen deze levendige "aflatenhandel" en grof misbruik kwamen vooral protestantse kerkhervormers op. Ook waren er de door armoede geïnspireerde bedelorden die verwezen naar de uitspraak van Jezus Christus dat het Rijk der Hemelen voorbehouden zou blijven aan hen die in armoede en nederigheid hadden geleefd.

In 1517 publiceerde Maarten Luther zijn 95 stellingen, die zich met aflaten en vergeving bezighouden. Deze 95 stellingen worden gezien als een belangrijke aanleiding tot de verbreiding van de Reformatie.

Herstel[bewerken]

Tijdens de contrareformatie heeft de Katholieke Kerk de praktijk rond de aflaten hervormd. Sinds die tijd kunnen aflaten niet meer tegen storting van giften verkregen worden. Het Concilie van Trente hief in 1562 het instituut van de aflaatpredikers op.

Paus Paulus VI wijdde in 1967 een apostolische constitutie aan de aflatenleer: De Indulgentiarum doctrina[8][9] (leer van de aflaten) en het daarbij horende Enchiridion indulgentiarum (handleiding voor de aflaten) werd in 1968 herwerkt en in 1986 herzien. Inmiddels is deze handleiding in 1999 aan de vierde editie toe. Zij vermeldt de soort aflaten die verworven kan worden en de normen ervoor. Bekende recente voorbeelden hiervan zijn de aflaten naar aanleiding van het Jubeljaar 2000, het Jaar van de Eucharistie (2005) en de Wereldjongerendagen van 2005 in Keulen. In het Jaar van het Geloof (tot het feest van Christus Koning 2013) onder andere bij een bezoek van de kerk waar de persoon gedoopt is.

Huidige regeling[10][bewerken]

1. Vereiste voorwaarden

a) Om aflaten te kunnen verdienen moet men in staat van genade zijn en

b) de intentie hebben om de aflaat te verdienen.

c) Algemeen beginsel is: men kan slechts eenmaal per dag een volle aflaat ver­dienen, met uitzondering alleen van stervensgevaar (zie §2, nr.6).

Het is vereist dat alle gehechtheid aan zonde, zelfs kleine dagelijkse zonde, afwezig is. Indien aan de laatste voorwaarde minder perfect wordt voldaan of wanneer de drie voorgeschreven voorwaarden (d) niet vervuld zijn, zal de aflaat slechts een gedeeltelijke zijn

d) De drie gewone voorwaarden om een volle aflaat te verdienen zijn: biecht, communie en mondgebed (mondeling gebed, niet inwendig alleen) tot intentie van de paus.

Voor het gebed tot intentie van de paus volstaat men met een Onze Vader en een Weesgegroet, of een gebed van gelijke duur.

Is voor het verdienen van een aflaat bovendien het bezoek van een kerk of kapel voorgeschreven, dan moet men bij dat bezoek bidden een Onze Vader en de Geloofsbelijdenis. Hierdoor vervalt echter niet het gebed tot intentie van de paus.

Over de drie gewone voorwaarden (biecht, communie en gebed tot intentie van de paus): de biecht kan meerdere dagen vóór of na het voorgeschreven werk voldaan worden; maar de communie en het gebed tot intentie van de paus horen op dezelfde dag te geschieden als het voorgeschreven werk. Voor de biecht is tot acht dagen voor of na een gebruikelijke termijn. Het kerk­bezoek met de vereiste gebeden kan vanaf 's middags 12 uur daags vóór de aflaatdag plaats hebben. Eén enkele sacramentele biecht volstaat om verschillende volle aflaten te verdienen; maar de communie moet ontvangen worden en het gebed voor de intentie van de paus moet herhaald worden telkens wanneer men een volle aflaat wil verkrijgen.

Gedeeltelijke en volle aflaten kunnen altijd worden toegepast op de overledenen door een smeekgebed.

Om een aflaat verbonden aan een gebed te verdienen, volstaat het dat gebed op te zeggen al of niet afwisselend met een andere persoon, of het mentaal te volgen terwijl het door een ander wordt opgezegd. Het gebed moet dus door iemand opgezegd worden, uitsluitend stil mentaal bidden volstaat niet, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is vermeld.

Een aflaat gehecht aan het gebruik van een godsvruchtig voorwerp verdwijnt enkel, wanneer dat sacramentale volledig vernield of verkocht is.

2. Lijst van de belangrijkste volle aflaten

Een volle aflaat is te verdienen voor de volgende gebeden of oefeningen:

  1. Gebedje "En ego" (Gebed tot de gekruisigde Jezus) na de communie, maar alleen op de vrijdagen van vasten- en passietijd.
  2. Een geestelijke oefening van ten minste drie dagen.
  3. Oefening van eerherstel op het feest van het Heilig Hart, publiek ge­beden.
  4. Gebed van toewijding op het feest van Christus Koning.
  5. Bezoek en aanbidding van het Heilig Sacrament gedurende een half uur.
  6. De pauselijke zegen in het stervensuur. Bij afwezigheid van een priester verleent de Kerk automatisch deze volle aflaat.
  7. Bij eerste mis, eerste communie: de betreffende persoon en alle aanwezi­ge gelovigen.
  8. Rozenhoedje: gebeden in kerk, kapel, familieverband of religieuze communiteit.
  9. Lezing van de Heilige Schrift gedurende een half uur.
  10. Het publiek bidden van het "Te Deum" op de laatste dag van het jaar.
  11. Veni Creator Spiritus op l januari en op Pinksteren, mits publiek gebeden.
  12. Op 2 augustus (Portiuncula-aflaat) bij bezoek aan een kerk, en volgens eigen Directorium van het Bisdom.
  13. Kruiswegoefening. Voor wie echter de oefeningen niet kunnen verrich­ten volstaat een lezing of meditatie over het lijden van Christus gedu­rende een half uur.
  14. Bezoek van kerk of kapel op Allerzielen; alsook bezoek van het kerkhof elke dag van het octaaf (1 tot 8 november).
  15. Godvruchtig bezoek van de parochiekerk, op een patroonsfeest of op 2 augustus (Portiuncula-aflaat). De ordinarius kan de dag veranderen. Bij het bezoek is vereist één Onze Vader en de geloofsbelijdenis te bidden.
  16. Hernieuwing van de doopbeloften op de Vigilie van Pasen en op de ver­jaardag van het doopsel.
  17. Het gebruik van een godvruchtig voorwerp (kruisje, kroontje, medaille e.a.) door paus of bisschop gewijd, maar alleen op het Hoogfeest van de Heilige Petrus en Paulus, als men de geloofsbelijdenis bidt.
  18. Het volledig uitlopen van de precies voorgeschreven route van de Stille Omgang te Amsterdam.

3. Commutatie en dispensatie

De biechtvaders zijn bevoegd voor hen die ze niet kunnen vervullen, zowel het voorgeschreven werk als de vereiste voorwaarden in andere te commuteren. De plaatselijke Ordinarissen kunnen bovendien hun eigen gelovigen op plaatsen, waar dit heel moeilijk voor hen is, dispenseren van de biecht en het ontvangen van de communie. Zij moeten echter berouw hebben over hun zonden en voornemens zijn, zodra mogelijk aan die verplichting te voldoen.

4. Over de gedeeltelijke aflaten

Bij gedeeltelijke aflaten wordt niet meer gesproken over jaren en dagen. Als maatstaf geldt, dat de Kerk zoveel kwijtschelding van kerkelijke straffen toe­voegt als de gelovige reeds verkrijgt overeenkomstig de voortreffelijkheid van het werk en de liefde, waarmede het verricht wordt. Gedeeltelijke aflaten zijn aan veel gebedsoefeningen en schietgebeden verbonden, te veel om te vermel­den. Maar iets nieuws in de nieuwe aflatencodex is, dat daar vier algemene concessies van gedeeltelijke aflaten worden gedaan voor verschillende soorten van godvruchtige werken, zonder verdere voorwaarden. De vier concessies zijn de volgende:

  1. Een gedeeltelijke aflaat wordt verleend aan elke gelovige, die in het ver­vullen van zijn plichten en in het dragen van de lasten van het leven met nederig vertrouwen zijn geest tot God verheft met toevoeging, al is het ook alleen inwendig, van een of andere godvruchtige aanroeping.
  2. Een gedeeltelijke aflaat wordt verleend aan alle gelovigen, die door de geest van geloof geleid, zichzelf of zijn goederen prijsgeeft ten dienste van zijn medemensen die in nood verkeren.
  3. Een gedeeltelijke aflaat wordt verleend aan elke gelovige, die zich in de geest van boetvaardigheid uit vrije wil onthoudt van iets, dat geoorloofd en aangenaam is.
  4. Een gedeeltelijke aflaat wordt toegekend aan de gelovige die voor anderen op spontane wijze openlijk getuigenis aflegt van zijn geloof in de concrete omstandigheden van zijn dagelijks leven (Deze vierde concessie kwam erbij sinds 1999).

Verder kan elke gelovige, die een godvruchtig voorwerp (kruisje, rozenkrans, scapulier, medaille), dat door een priester gewijd is, in vrome gezind­heid gebruikt, een gedeeltelijke aflaat verdienen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

  • Stpiusx.be, Korte aflatenlijst. uit deze website komt met hun toestemming "korte samenvatting" uit bovenstaand artikel vandaan.
  • Stpiusx.be, Uitgebreide aflatenleer en -lijst volgens de richtlijnen van het Aflatendecreet van 1967, het Nieuwe Enchiridion van 1968 en de laatste Aflatencodex (1999) van de Heilige Romeinse Penitentiarie.
  • Vatican.va, Enchiridion indulgentiarumn vierde editie van juli 1999 (in het Latijn)
  • Vatican.va, paus Johannes Paulus II over aflaten (audiëntie van 29 september 1999), (in het Engels)
  • KatholiekNieuwsblad.nl, Wat is een aflaat? (Katholiek Nieuwsblad, 6 september 2002)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Codex Iuris Canonici - Kerkrecht.nl
  2. De aflaten Paragrafen 1471 tot en met 1479 uit de Catechismus van de Katholieke Kerk
  3. a b c Enrico dal Covolo: The Historical Origin of Indulgences
  4. Cross, F. L., ed. The Oxford Dictionary of the Christian Church. New York: Oxford University Press. 2005, article indulgences
  5. Shestack, 214
  6. Vierde Lateraans Concilie, canon 3
  7. W.H. Kent (1913). "Indulgences". Catholic Encyclopedia. New York: Robert Appleton Company.
  8. Indulgentiarum doctrina a.D. 1967 (in het Latijn)
  9. Indulgentiarum doctrina a.D. 1967 (vertaling in het Engels)
  10. Enchiridion Indulgentiarum van de Apostolische Penitentiarie van 29 juni 1968 en de codex van 1999. Zie de Apostolische Constitutie Indulgentiarum doctrina van l januari 1967, vertaling in Archief der Kerken, 1967, kolom 210.