Eigen woning

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is de eigen woning van een belastingplichtige de woning die hem tot hoofdverblijf dient en hij in eigendom heeft. Er gelden de volgende drie speciale fiscale regels.

Eigenwoningforfait[bewerken]

De woning wordt geacht forfaitair inkomen te genereren, het eigenwoningforfait, dat valt in box 1 onder "voordelen uit eigen woning" (IB art. 3.112).

Aftrek rente eigenwoningschuld[bewerken]

Onder voorwaarden gelden schulden gemaakt voor de eigen woning geheel of gedeeltelijk als eigenwoningschuld. De rente daarvan is de eerste 30 jaar beperkt aftrekbaar in box 1 als "aftrekbare kosten eigen woning" (IB art. 3.120), ook weer onder voordelen uit eigen woning; daar staat tegenover dat als de rente aftrekbaar is de schuld niet kan worden afgetrokken in box 3.

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld[bewerken]

Met de Wet van 18 december 2003 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van het bevorderen van de financiering van de eigen woning met eigen middelen (materiële implementatie initiatiefwetsvoorstel Hillen) ook Wet Hillen genoemd, is het volgende ingevoerd.

Als er geen eigenwoningschuld is, of de rente daarop lager is dan het eigenwoningforfait, dan is er in plaats van de renteaftrek, of in aanvulling daarop, de "aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld" (IB art. 3.123a), gelijk aan het verschil.

Deze bepaling vormt in de IB de aparte afdeling 3.6a en valt dus niet onder afdeling 3.6 (belastbare inkomsten uit eigen woning). De bedoeling hiervan is om aan te geven dat de aftrek als een separaat onderdeel van de belastbare inkomsten uit werk en woning moet worden opgevat, niet als negatief inkomensbestanddeel van het inkomen uit eigen woning en ook niet als een rechtstreekse correctie op het eigenwoningforfait. De bedoeling hiervan is om de systematiek niet te verstoren.[1] De aftrek is een aparte regeling (een belastinguitgave) die beoogt de aanwending van eigen middelen ter financiering van de eigen woning te stimuleren: direct, of door (extra) aflossing. Een ander doel is lastenverlichting voor wie de eigen woning reeds met eigen middelen heeft gefinancierd. Toch geldt de aftrek ook voor wie andere schulden heeft dan een eigenwoningschuld, bijvoorbeeld iemand die geld leent en daarmee zijn resterende eigenwoningschuld aflost, of als zijn schuld niet langer kwalificeert als eigenwoningschuld. Als de rente op de resterende eigenwoningschuld gelijk was aan het eigenwoningforfait dan heeft aflossing van deze schuld geen invloed op de belasting in box 1, maar vermindert deze wel de eventuele belasting in box 3 (los van een eventueel rente-/rendementsverschil is het iets voordeliger de schuld met het vermogen af te lossen, wegens de drempel die bij schuld geldt).

Interpretaties[bewerken]

Los van de formele systematiek kan men materieel een en ander in het geval van een inkomen vóór aftrek van de rente over de eigenwoningschuld dat lager is dan de ondergrens van de hoogste schijf als volgt beschouwen.

Men kan de combinatie van eigenwoningforfait en de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld beschouwen als een korting op de eventuele renteaftrek. Het eigenwoningforfait is volgens deze interpretatie niet van toepassing als er geen eigenwoningschuld is. Naarmate de rente op de eigenwoningschuld hoger is is het nadeel groter, tot het maximaal is, namelijk gelijk aan de belasting over het eigenwoningforfait. Het afschaffen van de Wet Hillen zou in deze interpretatie betekenen dat de korting op de renteaftrek onafhankelijk wordt van die renteaftrek (en ook gaat gelden als die nihil is) en deze negatief kan maken, zodat deze omslaat in een bijtelling.

Men kan de combinatie van de aftrek van de rente op de eigenwoningschuld en de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld ook beschouwen als een regel dat de "renteaftrek" minstens gelijk is aan het eigenwoningforfait, zelfs als er geen eigenwoningschuld is. Het afschaffen van de Wet Hillen, dus van deze regel, betekent dat het eigenwoningforfait en de renteaftrek beide op zichzelf gaan staan. Er is dan dus meer belasting in box 1 verschuldigd als door aflossing de renteaftrek minder wordt (maar er blijft wel gelden dat door de aflossing eventueel minder belasting verschuldigd is in box 3).

Overige schulden[bewerken]

Andere schulden (dus ook hypotheekschulden waarvan de rente niet aftrekbaar is) tellen mee in box 3. Om hier voordeel van te hebben moeten er wel bezittingen in box 3 tegenover staan. (Als die bezittingen liquide zijn kan het overigens ook voordelig zijn om daarmee de schulden af te lossen.)

Afbakening begrip eigen woning[bewerken]

Door de voorwaarde "hoofdverblijf" voldoet een tweede woning of een woning die aangehouden wordt voor verhuur aan derden niet aan de definitie. Deze woning en de eventuele hypotheekschuld vallen dan ook in box 3.

Een uitzondering vormt een woning die iemand in eigendom heeft, maar die bewoond door de ex-partner van wie hij korter dan twee jaar gescheiden is. In dit geval geldt de uitzondering dat de woning toch onder box 1 valt, ook al is hier niet langer het hoofdverblijf van de eigenaar.

Tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning[bewerken]

In het kader van de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning is in 2017 naast de belasting over het belastbaar inkomen tevens in de vierde schijf een extra belasting van 2% verschuldigd over de in aftrek gebrachte kosten eigen woning, maar niet over de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld.

Als de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld wordt gezien als compensatie voor de "onvoordelige situatie" van geringe renteaftrek dan kan men dus in de vierde schijf spreken van overcompensatie: niet alleen wordt de aftrek aangevuld, maar bovendien is de 2% extra belasting niet verschuldigd over de aanvulling.

Aftrek wegens kosten eigen woning kan dus door verlies van de overcompensatie de belasting verhogen. Het zou dan voordelig zijn deze aftrek achterwege te laten. De regering stelt echter dat bij aftrekbaarheid het opnemen van de aftrekpost in de aangifte verplicht is. In andere gevallen van aftrekbaarheid zou het niet opnemen van de aftrekpost in de aangifte niet tot een sanctie kunnen leiden omdat de Belastingdienst bij het aftrekken geen heffingsbelang heeft, maar in dit geval wel.

Toekomst[bewerken]

Aanhangig is de Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (pp aandringen van de Tweede Kamer is de wetswijziging een apart wetsvoorstel). Een reden dat is dat deze aftrek door de inmiddels ingevoerde verplichting tot aflossing van de eigenwoningschuld volgens de regering onhoudbaar wordt.

De uitwerking is dat als er geen eigenwoningschuld is, of de rente daarop lager is dan het eigenwoningforfait, er in plaats van de renteaftrek, of in aanvulling daarop, de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is, gelijk aan een percentage van het verschil. Dit is nu van toepassing met een percentage van 100%. Het percentage zou jaarlijks met 3 1/3 %-punt verlaagd worden, te beginnen per 1 januari 2019, zodat het per 1 januari 2048 nul wordt.

Als bijvoorbeeld het eigenwoningforfait steeds € 1000 is en de renteaftrek elk jaar € 500, dan daalt de jaarlijkse aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld in 30 jaar gelijkmatig van € 500 naar € 0.

Het wetsvoorstel wordt eind 2017 al behandeld, omdat de Belastingdienst na aanname van de wet ook tijd nodig heeft om toepassing ervan voor te bereiden.

In de pers wordt gesproken over het invoeren van een "aflosboete", die haaks zou staan op het advies van Klaas Knot van 9 oktober 2017 om de hypotheekschulden in Nederland te verlagen.[2]

Zie ook[bewerken]