Afzettingsprocedure tegen Donald Trump

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dagvaarding door Engel, Schiff en Cummings, 27 september 2019
Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden stemt voor aanname van de afzettingsartikelen, 18 december 2019

Op 24 september 2019 kondigde de voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, Nancy Pelosi (Democratische Partij), een officieel "onderzoek naar inbeschuldigingstelling van de president" ("impeachment inquiry") aan, een onderzoek dat mogelijk tot de afzetting van president Trump kon leiden.[1]

Aanleiding[bewerken | brontekst bewerken]

De aanleiding was het vermeend verlangen door Trump van een "tegenprestatie" ("quid pro quo") in een telefoongesprek met Volodymyr Zelensky, president van Oekraïne. Er werd gesteld dat Trump pas namens de Verenigde Staten steun aan Oekraïne wilde verlenen indien er in Oekraïne een onderzoek zou worden gestart naar Joe Biden en diens zoon Hunter. Biden was een van de belangrijkste kanshebbers om namens de Democratische Partij de tegenkandidaat van Trump te worden bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020.[2]

Procedure[bewerken | brontekst bewerken]

Zes commissies van het Huis van Afgevaardigden werden belast met het opstarten van een formeel onderzoek in de zaak.[3] Pelosi stelde:

"De daden van president Trump hebben het oneerlijke feit onthuld van het verraad van de president aan zijn ambtseed, verraad aan onze nationale veiligheid en verraad aan de integriteit van onze verkiezingen. Daarom kondig ik vandaag aan dat het Huis van Afgevaardigden een officieel afzettingsonderzoek start.[4]"

President Trump noemde het opstarten van de afzettingsprocedure een "heksenjacht".[5]

Op 8 oktober kondigde het Witte Huis aan dat het weigerde mee te werken aan het lopende onderzoek tegen de president.

Op 19 december 2019 besloot het Huis van Afgevaardigden in meerderheid president Trump inderdaad in beschuldiging te stellen. Dit betekende dat de zaak verwezen kon worden naar de Senaat, waar dan een afzettingsprocedure kon beginnen.[6] Op 31 januari 2020 liet de Republikeinse senator Lamar Alexander weten dat hij geen getuigen wilde oproepen, waarmee de benodigde meerderheid om dit te kunnen laten doorgaan – 51 van de 100 senatoren – niet gehaald werd.[7] Op 1 februari stemde de Senaat met een kleine meerderheid van 51 tegen 49 stemmen tegen het oproepen van getuigen en het verzamelen van bewijsmateriaal, waarmee vrijspraak voor Trump zo goed als zeker was geworden.[8]

Op 5 februari werd Trump zoals verwacht door de Senaat vrijgesproken van de beide aanklachten die tegen hem waren ingediend. De beschuldiging van machtsmisbruik werd verworpen met een meerderheid van 52 tegen 48 stemmen, die van tegenwerking van het Congres met 53 tegen 47. Voor de aanklachten was een tweederdemeerderheid vereist. De Republikein Mitt Romney steunde de aanklacht van machtsmisbruik wel.[9]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]