Ahasverus (Wandelende Jood)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wandelende Jood (Augsburg, 1618)
De Wandelende Jood op doortocht in Brussel (Gustave Doré, 1856)
Karikatuur (Gustave Doré, 1852), hergebruikt in 1937 als nazipropaganda

Ahasverus is de naam van de legendarische Wandelende Jood die Jezus op weg naar Golgotha hard zou hebben aangepakt, waarop hij ertoe werd veroordeeld om tot de Dag des oordeels rusteloos over de wereld te zwerven.

Ontstaan en evolutie[bewerken | brontekst bewerken]

Middeleeuwse mythevorming[bewerken | brontekst bewerken]

Het verhaal is oorspronkelijk ontstaan in het laat-middeleeuwse Europa. De eerste vermelding is waarschijnlijk deze in de Flores Historiarum van Roger van Wendover. Volgens deze monnik van de St-Albansabdij had zijn gemeenschap in 1228 een Armeense aartsbisschop op pelgrimstocht ontvangen. Gevraagd of hij gehoord had van een zekere Jozef, een Jood die tot Christus had gesproken en nog steeds leefde, antwoordde iemand uit het gevolg van de oosterling doodeenvoudig dat de aartsbisschop nog niet lang geleden met hem had gegeten.[1] Dit werd in mond gelegd van een niet nader genoemde ridder die optrad als Franse tolk voor de aartsbisschop. Nog volgens deze ridder was de vroegere naam van de Jood Cartaphilus. Als portier van Pilatus had hij Jezus op de rug geslagen toen deze met zijn kruis door de deur kwam, hem toevoegend: "Ga vlugger, Jezus, ga vlugger. Waarom treuzelt ge?". Daarop had Jezus gerepliceerd: "Ik ga en gij zult wachten tot ik weerkom". Dit betekende dat de portier niet zou sterven tot de Dag des Oordeels. Telkens hij honderd werd, kreeg hij opnieuw de leeftijd van dertig jaar die hij had toen hij Christus sloeg. Later had Cartaphilus zich door Ananias laten dopen met de naam Jozef. Hij was een vrome man geworden van weinig woorden, die leefde tussen de Armeense prelaten en niets wilde aannemen behalve wat eten en kleren. Op alle vragen over de schrift kon hij bevestigend getuigen. Hij had berouw en hoopte op het eind nog gered te worden.

Wendovers opvolger Matthew Paris nam deze passage over in zijn eigen Latijnse kroniek (Historia Anglicana majori). Ze maakte al snel de oversteek naar het vasteland, zoals mag blijken uit de getrouwe overname door Philippe Mouskes uit Doornik (ca. 1243). In zijn Franse rijmkroniek deed hij melding van wat de Armeense aartsbisschop uit Nicea in Engeland had verteld.[2] Het verhaal bevat alle grondelementen, maar geeft de Jood geen naam.

Een anonieme Latijnse kroniek uit de cisterciënzerabdij van Santa Maria di Ferraria bij Caserta situeert het verhaal in 1223, dus vóór de Engelse versie.[3] In latere Italiaanse variant had de Jood een naam gekregen: Buttadeus, Giovanni Buttadeo of Hans Gottschläger. Volgens Guido Bonatti was deze persoon in 1267 opgemerkt te Forlì, op doortocht naar Santiago de Compostela.

In latere versies van het verhaal wordt de Wandelende Jood soms vereenzelvigd met Jozef van Arimathea of met Malchus, de wacht die geholpen had bij Jezus' gevangenneming (Joh. 18:19-23).

Herleving tijdens de reformatie[bewerken | brontekst bewerken]

De naam Ahasverus kwam pas enkele eeuwen later op de proppen in verband met de Wandelende Jood. Rond 1602 verscheen een Duits traktaat van vier bladen dat het verhaal beschrijft. Er zijn voor dat jaar niet minder dan acht verschillende versies gedocumenteerd, veelal bij gefingeerde drukkers (waaronder "Christoff Creutzer in Leyden", een toespeling op het lijden en de kruisiging van Christus). Het pamflet heeft de vorm van een brief, geschreven in 1564 te Schleswig. De anonieme auteur pretendeert het relaas weer te geven dat hem zou zijn verteld door Paul von Eitzen (1521-1598), de onlangs overleden Lutherse superintendant van Sleeswijk-Holstein. Deze zou Ahasverus in 1547 hebben ontmoet in Hamburg, waar de Jood hem vertelde dat hij was vervloekt, omdat hij had geweigerd Jezus bij zijn deur te laten rusten, en hem in plaats daarvan klappen had toegediend om hem verder te jagen. Toch waren er flinke verschillen met de middeleeuwse traditie. Ahasverus was niet meer Pilatus' portier, maar een schoenmaker uit Jeruzalem. Evenmin had hij zich laten dopen door Ananias; hij was dus jood gebleven. Ook leefde hij niet meer in Armenië, maar was hij een echte zwerver geworden. Wel was hij nog steeds een sobere en godvruchtige man die gedetailleerd kon getuigen over gebeurtenissen uit de tijd van Jezus. In elk land sprak hij de lokale taal. Model voor de figuur van Ahasverus stonden vermoedelijk enkele rondtrekkende Lutherse profeten uit het Oostzeegebied.[4]

Deze nieuwe versie van het verhaal zou geschreven zijn vanuit de behoefte van de protestanten om het voorbeeld van de Joden te gebruiken voor eigen doeleinden.[5] Hij ontstond vermoedelijk in kringen van liberale Lutheranen (Philippisten) te Gdańsk, die de verwachte bekering van de Joden als een hoopvol teken zagen, waardoor het pessimistische mensbeeld van hun orthodoxe tegenstanders geloochenstraft zou worden. Het pamflet werd in korte tijd razend populair. Al gauw volgden vertalingen in het Nederlands (1602), Frans (1605), Deens (1607) en later ook in andere talen. Rond 1620 waren er al 40 tot 50.000 exemplaren verspreid. De eerste Nederlandse versie, Korte Beschrijving en Vertelling van een Jood met de naam Ahasverus, verscheen bij een onbekende drukker; een volgende druk werd in 1603 door een bekende uitgever uit Sleeswijk op de markt gebracht.[6]

In Noord-Duitsland werd het pamflet al snel gekaapt door orthodoxe Lutheranen, die er een felle antisemitische slotpassage aan toevoegden: het zwartgallige lot van de Joden werd gezien als straf van God en diende de Christenen tot waarschuwing. Als auteur werd nu een zekere Chrysostomus Dudulaeus ("de stotteraar") Westphalus opgevoerd; de uitgevers wilden mogelijk de suggestie wekken dat het oorspronkelijke pamflet was geschreven door gymnasiumdocent Andreas Welsius uit Gdańsk, die een spraakgebrek had.[7] Als reactie verscheen later in het calvinistische Bremen een heruitgave van de eerste druk, die in 1615 in Groningen werd nagevolgd. In een nieuwe bijlage werd bericht dat Ahasveros zich in Hildesheim had laten dopen, nadat hij het stadsbestuur aldaar tot bekering had gemaand.[8] Deze stad had onlangs zijn poorten weer voor Joden geopend. Met tolerantie had de heruitgave overigens weinig te maken: het ging vooral om een theologisch debat binnen het protestantisme. In de betrokken steden woonden bovendien maar weinig Joden(ook al was het calvinisme in dit opzicht toleranter dan de lutherse orthodoxie). Latere drukken grepen in de regel weer terug op de antisemitische toonzetting.

In Frankrijk en de Nederlanden stond de Wandelende Jood mogelijk bekend als Isaac Laquedem. Onder deze naam zou hij - volgens een bericht uit 1640 - in 1575 Brussel hebben bezocht.[9] In de Nederlandse volksverhalen was Ahasverus vaak schoenmaker.[10] In Spanje werd hij ook wel Juan Espera-en-Dios genoemd.

Het alom gekende verhaal werd een magneet voor charlatans die zich voor Wandelende Jood uitgaven. Een van hen was de Spaanse soldaat Pol Delporte, die in maart 1623 zijn regiment verliet en zich overal in Vlaanderen vorstelijk liet onthalen. Hij werd ontmaskerd in Ieper, waar hij bij een vrouw was ingetrokken. Zijn in Arras achtergelaten echtgenote had hiervan lucht gekregen en gaf hem aan. Delporte werd opgehangen als deserteur.[11]

Aan het begin van de 18e eeuw ging men het personage algemeen vereenzelvigen met het Joodse volk.[12]

Nog in 1855 tekende Edmond de Coussemaker het volkslied Den wandelende jode op. Daarin heeft een Duinkerkenaar een ontmoeting met een grijsaard die naar eigen zeggen stokoud is (achtienhonderd jaren alreede gepasseert) en behoort tot 't booze joodsgespuys.[13] Hij noemde zich Isaäc Laquedem, die Jezus had gelasterd.

Literaire behandeling[bewerken | brontekst bewerken]

De populaire legende is door tal van schrijvers bewerkt:

Weergave uit een 13e-eeuws manuscript

In de beeldende kunst[bewerken | brontekst bewerken]

De Doornikse historicus Jean Cousin liet optekenen dat in zijn stad en elders in 1613 portretprenten te koop waren van Ahasuérius. Volgens de begeleidende tekst bij de prenten was dit een Jood die geleefd had ten tijde van Christus' kruisiging en nu nog door de wereld zwierf. Cousin voegde eraan toe dat het volgens hem om een fabeltje ging.[14]

Deze prenten plaatsten zich in een rijke picturale traditie.[15] Bekend zijn de twaalf houtsneden van Gustave Doré uit 1856. Ook Alfred Kubin nam het thema op (Ahasver, 1928), evenals Samuel Jessurun de Mesquita die een houtsnede vervaardigde (het Bocheltje of Ahasverus, 1926).

Varia[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

  • Cor Hendriks, De wandelende Jood (uit 1602), Rob-Scholte-Museum 5 maart 2016 (transcriptie van de oudste Nederlandse uitgave met aanvullend materiaal uit andere publicaties)