Albert Delahaye

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Albert Delahaye
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Algemene informatie
Geboren 18 oktober 1915
Overleden 19 januari 1987
Land Nederland
Beroep Archivaris
Werk
Bekende werken Steenbergen in de Middeleeuwen (1972)
Portaal  Portaalicoon   Geschiedenis

Albert Delahaye (Klimmen, 18 oktober 1915Breda, 19 januari 1987) was een Nederlandse archivaris die vooral bekendstaat om zijn controversiële geschiedkundige theorieën.

Professionele werkzaamheden[bewerken]

Delahaye was opgeleid als archivaris en was van 1946-1957 wetenschappelijk archiefambtenaar (adjunct-archivaris) van Nijmegen. In 1957 werd hij benoemd als directeur van het archivariaat West-Brabant en bij zijn pensioen op 65-jarige leeftijd in oktober 1980 was hij directeur van het Archivariaat Nassau Brabant. Samen met onder meer Jelle Vervloet schreef hij in 1972 een basiswerk over de geschiedenis van Steenbergen, Steenbergen in de Middeleeuwen.

Denkbeelden[bewerken]

Delahaye had afwijkende theorieën[1] over de Nederlandse geschiedenis uit de Romeinse tijd en de Vroege middeleeuwen. Hij stelde dat (plaats)namen in oude geschriften niet juist geïnterpreteerd waren door de traditionele wetenschap. Dat bleek volgens hem uit de conclusies van de traditionele interpretatie van (plaats)namen en het gebrek aan relevante archeologische vondsten. Zo vond hij het erg onlogisch dat Willibrord als bisschop in Utrecht zou hebben gezeteld en tegelijkertijd abt zou zijn geweest van het klooster te Echternach (tegenwoordig in Luxemburg). Veel van deze plaatsen zouden zuidwestelijker gezocht moeten worden, met name in Frans-Vlaanderen.

Zo vocht Delahaye ook de traditionele situering aan van de Bataven. Die woonden volgens hem in het huidige Noord-Frankrijk, in de omgeving van de plaats Béthune en niet in de Betuwe. Daarbij zag hij Nijmegen niet als de locatie van de uit de literatuur bekende stad Ulpia Noviomagus Batavorum. Verder stelde hij dat "Renus" bij Romeinse en vroeg middeleeuwse schrijvers niet per definitie als de huidige Rijn gelezen moet worden. Volgens hem was het een algemeen woord dat "stroom" betekent en zag hij dit o.a. gereflecteerd in de huidige Franse riviernamen Renon, Rhins en de Renne.

Zijn visies hadden implicaties voor plaatsen in meerdere provincies. Zo was Delahaye het ook niet eens met de visie dat Liudger onder andere in het Nederlandse Hunsingo en Fivelingo gewerkt zou hebben. Delahaye stelde dat Hunusga in de oude teksten Hinges zou kunnen zijn (ten noordwesten van Béthune) en dat Fivelga bij Fiefs (ten westen van Béthune) gezocht zou moeten worden.

Hij voelde zich gesterkt in zijn denkbeelden omdat volgens hem tussen de 3e en 9e eeuw de kusten van westelijk Europa periodiek en langdurig overstroomd raakten (Duinkerke-transgressies). Mede daarom konden volgens hem allerlei vroegmiddeleeuwse gebeurtenissen onmogelijk in Nederland hebben plaatsgevonden. Mede op basis van de overstromingen bestreed hij bijvoorbeeld dat Bonifatius bij Dokkum in de huidige Nederlandse provincie Friesland zou zijn vermoord.[2] De omgeving van Dokkum zou veel te nat zijn geweest.

Naast redeneringen op basis van oude teksten, stelde hij ook dat vroegmiddeleeuwse archeologische vondsten ontbraken op de locaties waar ze volgens de traditionele interpretatie wel verwacht zouden moeten worden. Dit in tegenstelling tot resten uit de Romeinse tijd en uit de latere Middeleeuwen. Dat gold volgens hem ook voor de vondsten bij Wijk bij Duurstede. Delahaye zag hier niet de resten van Dorestad, alhoewel hij wel van mening was dat hier iets bijzonders op archeologisch gebied was gevonden. Volgens hem waren de vondsten juist een sterke aanwijzing dat Dorestad er niet heeft gelegen, omdat het verschil tussen vondsten en beschrijvingen van Dorestad in oude teksten te groot werd. Zo miste hij bijvoorbeeld de kerken die er zouden moeten zijn. Delahaye stelde dat Dorestad gelokaliseerd moest worden bij Noord-Franse plaats Ouderwijk (Audruicq). Daar zouden dan ook de invallen van Noormannen plaats hebben gevonden en niet in Nederland. Daar meende hij ook kandidaten gevonden te hebben voor 'een' Renus en de Lokkia, twee rivieren in de buurt van Dorestad zoals ze in een akte uit het Cartularium van Radboud worden genoemd. De Lokkia zou volgens Delahaye in plaats van de Lek de Loquin zijn, die uitmondt in de Hem, een mogelijke Renus.

Kritiek[bewerken]

Delahaye heeft van een aantal kanten felle kritiek gekregen. Dat begon toen hij zich in het openbaar af ging vragen of Karel de Grote wel een paleis had laten bouwen op het Valkhof in Nijmegen. Volgens Delahaye was het namelijk vreemd dat het centrum van Nijmegen niet rondom het zogenaamd Karolingisch paleis lag maar een behoorlijk eind verder. Toen hij ging beweren dat het Noviomagus uit de oude documenten niet naar Nijmegen verwijst, maar naar Noyon, werd zijn positie onhoudbaar en vertrok hij.

Delahaye heeft nooit van zijn visie af willen wijken, ondanks talrijke tegenargumenten van de conventionele historici en historisch-geografen. Bodemvondsten uit bijvoorbeeld Wieuwerd maakten geen indruk. Er zijn nog steeds mensen, zoals zijn zoon Guido Delahaye, die zijn gedachtegoed met verve verdedigen. Een aantal andere critici van de traditionele visie hebben een subgroep gevormd binnen de Studiekring Eerste Millennium (SEM). Deze studiekring houdt zich bezig met onderzoek en studie van de geschiedenis van de Lage landen in het eerste millennium. De hypotheses van Delahaye vormen een alternatieve visie op deze periode. Binnen de studiekring is er ook veel kritiek op de opvattingen van Delahaye. De kring tekent voor een zo open mogelijke discussie, onder meer via het tijdschrift SEMafoor.

De voornaamste kritiek van conventionele historici is, dat Delahaye geen zelfkritiek zou hebben gehad: "Zijn theorie moest en zou de juiste zijn".[bron?] Taalkundige en archeologische bewijzen zou hij stelselmatig zó hebben verdraaid, dat er een complot of misvatting achter moest zitten. Dit staat enigszins in contrast met het feit dat Delahaye in opeenvolgende geschriften soms met - naar zijn mening - verbeterde identificaties van plaatsnamen kwam. Op zijn visie dat Willibrord en een aantal andere missionarissen vooral in Frans-Vlaanderen (en zeker niet in Nederland) actief waren kwam hij echter nooit terug.

De Belgisch taal- en naamkundige en paleograaf dr. Maurits Gysseling schreef het artikel Lag Nederland in Frankrijk?[3]. Hierin stelt hij dat alle beweringen in een artikel van Delahaye genaamd Het Romeinse en vroeg-middeleeuwse Trajectum te Tournehem-sur-la-Hem[4] vals zijn.

Verder namen prof. dr. J.E. Bogaers en prof. dr. P.H.D. Leupen het tegen hem op. In een tweedelig artikel [5] gaat Bogaers eerst in op de bewering van Delahaye dat Nijmegen niet als Noviomagus op de Peutinger kaart zou staan. Zijn conclusie: 'klinkklare kletspraat'. Leupen beargumenteert in deel twee waarom een tekst over de 'bisschop van Nijmegen' toch in het Bronnenboek van Nijmegen is blijven staan. In het artikel De oorsprong van de Sint Maartensverering in Utrecht[6] beargumenteert M.W. de Bruijn dat de door Delahaye vermeende breuk (bij het aantreden van Baldrik) in de opvolging van de Utrechtse bisschoppen niet aangetoond zou kunnen worden. Ook het boek Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland?, een uitgave van SEM, probeert licht te werpen op de wederzijdse argumenten.

Medievaliste M. de Reu van de Universiteit Gent conludeert in 1989 dat "A. Delahayes identificaties op historische gronden zeer onwaarschijnlijk, soms zelf onmogelijk zijn. Naar wij menen kon A. Delahaye niet bewijzen dat Nederland een stuk geschiedenis van Noord-Frankrijk 'gestolen' heeft."

Bibliografie[bewerken]

  • Van Dorestadum tot Waderlo, Zundert, 1979, 112 blz.
  • Holle boomstammen De historische mythen van Nederland, ontleend aan Frans Vlaanderen, Tournehem-Zundert, 1980, 462 blz.
  • De bisschop van Nijmegen, paperback, 1982, 162 blz.
  • De ware kijk op … Deel 1, Noyon, het land van Béthune en Frisia / Teksten 1 tot 497, 1984, 650 blz.

Repliek[bewerken]

  • Gysseling, M., 1980. Lag Nederland in Frankrijk?. Jaarboek De Franse Nederlanden 5: 139-157.
  • Bijsterveld, A., 1983. Albert Delahaye, Willibrord en Waalre, de zwakheid van Delahaye’s beweringen. Tijdschrift Brabants Heem 35 (2, 3 en 4).

Externe links[bewerken]