Albrecht Beiling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Albrecht Beiling onder gaat koelbloedig zijn noodlot op een molenerf buiten Schoonhoven (1425), tekening Johannes Egenberger.

Albrecht Beiling, ook wel Allairt Beilinc, (Gouda, 13? - Schoonhoven, 1425) is een persoon uit de geschiedenis van de Nederlanden.

Albrecht is afkomstig uit het geslacht Splinter. Zijn leven stond in het teken van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarbij hij aan de Kabeljauwse kant stond. Tijdens zijn carrière werd hij militair gezien benoemd tot kapitein en zou hij in 1420 de leiding hebben gehad bij de verwoesting van het kasteel Koudekerk dat aan de Heren van Poelgeest toebehoorde. In 1422 werd hij tot schout van Gouda benoemd, maar bleef nog geen twee jaar in deze positie, toen hij door Hoekse tegenstanders verjaagd werd.

Hij stond nadien slotvoogd Willem van der Koulster bij als adjudant van het kasteel van Schoonhoven. In 1425 werd Schoonhoven belegerd door de Hoeken. Zij hadden de stad al binnen enkele dagen veroverd en het kasteel viel een week later al in hun handen.

Het verhaal wil, dat de Kabeljauwen zouden worden vrijgelaten als Beiling zou boeten voor zijn daden uit het verleden. Als straf zou hij levend worden begraven. Hij kon hier onderuit komen als hij een bedrag van rond de 17.000 florijnen of dukaten zou betalen voor het einde van de maand. Beiling keerde zonder dit bedrag terug naar Schoonhoven en onderging zijn straf heldhaftig door op een molenerf net buiten de stad in een open graf te gaan liggen, waarna het werd dichtgegooid. Meer dan een halve eeuw later, in 1472, beschreef boekdrukker Veldenaer als eerste deze gebeurtenis. Voor de Kabeljauwen was Beiling een held geworden, waarbij een dergelijk verhaal hoorde.

Doorwerking[bewerken]

In de negentiende eeuw was Albrecht Beiling een bekende historische persoonlijkheid aan wie verschillende gedichten (Jan Pieter Heije, Hendrik Tollens), toneelstukken (Pieter Vreede, Alexander François Sifflé) en een opera (Henri François Robert Brandts Buys) werden gewijd. Ook wordt zijn geschiedenis beschreven als onderdeel van het gedicht De Hollandsche natie van Jan Frederik Helmers.