Alcibiades II

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Plato
Dit artikel is een deel van de serie over:
De Dialogen van Plato
Vroege periode:
Apologie van SocratesCharmides
Protagoras - Euthyphro
IonCritoAlcibiades I
Hippias MajorHippias Minor
LachesLysisEuthydemus
Middenperiode:
CratylusGorgias
MenexenusMeno
Phaedo - Symposium
StaatPhaedrus
Late periode:
ParmenidesTheaetetus
TimaeusCritias
SofistStaatsman
PhilebusWetten
Betwiste geschriften:
ClitophonEpinomis
BrievenHipparchus
Minos - Theages
Alcibiades IIMinnaars
Niet geschreven:
Hermocrates - Ongeschreven leer

De Alcibiades II is een op naam van Plato overgeleverde dialoog, die tot onderwerp het gebed heeft. Vrijwel unaniem gaat men er tegenwoordig van uit dat Plato niet de auteur is van dit werk[1].

Deelnemers aan het gesprek[bewerken]

Er zijn slechts twee sprekers: Socrates en Alcibiades

Inhoud[bewerken]

Socrates ontmoet Alcibiades op het moment dat deze gaat bidden. Er ontspint zich een gesprek waarin Socrates benadrukt dat men goed moet nadenken over hetgeen van men van de goden wil vragen. Veelal vraagt men dingen die later tot ongeluk blijken te leiden. Socrates noemt het voorbeeld van Oedipus, die gebeden zou hebben dat zijn kinderen zijn erfenis met het zwaard in de hand zouden verdelen[2]. Alcibiades antwoordt hierop dat Oedipus buiten zinnen was, en niet als normaal voorbeeld mag dienen. Dan gaat het gesprek over op het verschil tussen wijzen en dwazen[3]. Voor hen die niet weten wat goed (voor zichzelf) is geldt dat ze soms maar beter bepaalde zaken niet kunnen weten. Stel dat Alcibiades Pericles zou willen doden, dan zou het beter zijn als hij op het betreffende moment Pericles niet zou (her)kennen[4]. Hoe dan ook, Alcibiades doet er maar beter aan zijn gebed uit te stellen totdat hij weet wat en hoe hij moet bidden.

Externe links[bewerken]

Jean-Baptiste Regnault (1791): Socrates ontrukt Alcibiades aan de armen van de Wellust.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Zie bijvoorbeeld Guthrie: A History of Greek Philosophy, dl V, blz. 387: The genuineness of this dialogue was not doubted in antiquity, but is now thought to be excluded by certain post-Platonic turns of phrase (...) its spuriousness seems certain.
  2. 138c.
  3. Men heeft hier wel in gelezen dat de schrijver van dit werk hint op het stoïsche onderscheid tussen de wijze en alle anderen, de dwazen. The writer (...) betrays the fact that his real concern is to attack the Stoics. (A.E. Taylor, Plato, the man and his work, blz. 528.) Hier in de Alcibiades II wordt namelijk betoogd dat er wel degelijk een onderscheid is tussen diverse soorten dwazen, zoals ook niet alle zieken koorts hebben.
  4. 143e-144b.