Alpen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel beschrijft de bergketen de Alpen. Voor de gelijknamige plaats in Duitsland, zie Alpen.
Alpen
Alpenrelief 01.jpg
Hoogste punt Mont Blanc (4811 m)
Lengte 1200 km
Breedte 150-250 km
Oppervlakte 200.000 km²
Locatie Frankrijk, Monaco, Italië, Zwitserland, Oostenrijk, Slovenië, Duitsland en Liechtenstein
Coördinaten 46° 0′ NB, 10° 0′ OL
Mont Blanc
Mont Blanc
Satellietfoto van de Alpen uit 2002
Satellietfoto van de Alpen uit 2002
Portaal  Portaalicoon   Aardwetenschappen

De Alpen (van Latijns Alpes, van de stam alb- = wit) is een bergketen in Europa, die zich uitstrekt van de Franse Middellandse Zeekust in het zuidwesten tot de Pannonische vlakte in het oosten. De oppervlakte van het gebergte is meer dan 200.000 km². De Alpen zijn verdeeld over acht staten: Frankrijk, Monaco, Italië, Zwitserland, Oostenrijk, Slovenië, Duitsland en Liechtenstein. In totaal wonen er tegen de 13 miljoen mensen.

De Alpen worden begrensd door de Golf van Genua, de Rhônevlakte, de Povlakte, de Zwitserse Hoogvlakte, het Alpenvoorland van Beieren en de Kleine Hongaarse Laagvlakte. De boog van de Alpen begint bij de Golf van Genua, waar het gebergte oostwaarts overgaat in de Apennijnen. Vanaf hier loopt het gebergte naar het noorden, om dan oostwaarts rond de Povlakte om te buigen. In deze ombuiging komen de Alpen samen met de Jura om dan verder naar het oosten geleidelijk lager te worden. Bij Wenen zijn de Alpen van de geologisch verwante Karpaten gescheiden door het Bekken van Wenen.

In het westen van de Alpen liggen toppen boven de 4000 meter, de oostelijke Alpentoppen zijn tot rond de 3000 meter hoog. De hoogste top is de Mont Blanc (4811 m.) en daarnaast zijn er nog 128 toppen hoger dan 4000 meter. De Alpen zijn een relatief jong gebergte, gevormd tijdens de Alpiene orogenese in het Tertiair. In de Alpen ontspringen vele grote rivieren van Europa, zoals de Rhône, de Rijn, de Po en de Inn.

De Alpen vormen een belangrijke klimatologische en geografische barrière in Europa. Ze vormen de waterscheiding tussen het noorden en zuiden van Europa en scheiden het mediterrane klimaat van Zuid-Europa van de door de Atlantische Oceaan beïnvloede gematigde klimaten van Noord- en Midden-Europa. Sinds de prehistorie vormen de Alpenpassen belangrijke verbindingen tussen Zuid- met Noord-Europa.

Geografie[bewerken]

De Alpen zijn het grootste en hoogste gebergte van West-Europa. De naam heeft oorspronkelijk betrekking gehad op de veeweiden op de niet te steile en rotsige berghellingen. Men spreekt in de Duitstalige alpine gebieden trouwens nog van Ätzalpen (zomerweiden) en Heualpen (schralere graslanden die uitsluitend of hoofdzakelijk als hooiland worden gebruikt). Daarnaast kent men onder meer Sennalpen (bergweiden voor melkvee dat gehouden wordt ten behoeve van de bergkaasbereiding) en Galtalpen.

Het hoogste punt van de Alpen is de 4810 meter hoge Mont Blanc, letterlijk ‘witte berg’ dankzij de eeuwige sneeuw op de top van de berg. Andere bekende alpen-reuzen zijn de Matterhorn, Zugspitze, Eiger en Großglockner. Vele grote rivieren ontspringen in de Alpen, de belangrijkste zijn: de Rhône, de Rijn en de Po. Bovendien wordt de Donau voor een belangrijk deel gevoed door Alpenrivieren. Daarnaast zijn er in de Alpen en in de directe nabijheid daarvan vele meren, de grootste zijn: het Meer van Genève, het Bodenmeer, het Gardameer en het Lago Maggiore.

Indeling[bewerken]

Het uitzicht vanaf Grigne, Barzio, Italië

De Alpen worden verdeeld in oostelijke en westelijke Alpen, waarbij de grens op de lijn Bodenmeer-Chur-Comomeer ligt. Daarnaast worden de oostelijke Alpen van noord naar zuid in drie groepen ingedeeld: de Noordelijke Kalkalpen, de Centrale Alpen en de Zuidelijke Kalkalpen.

Westelijke Alpen

Oostelijke Alpen

Hoge Alpentoppen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lijst van vierduizenders in de Alpen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De hoogste Alpentop is de Mont Blanc, waarvan de eerste meting in 1775 een hoogte van 4775 meter aangaf. Sinds de nieuwste metingen in 2003 is de berg officieel 4808 meter en 45 cm hoog (met een foutmarge van 10 cm). (De hoogste berg van Europa is de Elbroes in de Kaukasus, met 5633 m). De Mont Blanc ligt op de Frans-Italiaanse grens, vlakbij Chamonix in de Franse Alpen. Volgens de conventies van de UIAA zijn er in totaal 100 toppen in de Alpen boven de 4000 meter, zogeheten vierduizenders.

Landen (deels) in de Alpen en de hoogste berg[bewerken]

Geologie[bewerken]

Intense plooien in een schist uit de centrale zone van de Alpen (Lukmanierpas).
Een ammoniet (een uitgestorven soort inktvis) uit de Noordelijke Kalkalpen. Dit deel van de Alpen bestaat uit sedimenten uit de ondiepe binnenzeeën die ooit de zuidelijke rand van Europa bedekten.
Nuvola single chevron right.svg Zie Geologie van de Alpen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Alpen vormen een onderdeel van een Tertiaire gordel van gebergtes die langs de zuidelijke grens van de continenten Europa en Azië loopt. Deze gordel van gebergtes werd gevormd tijdens de Alpiene orogenese. De gordel lijkt niet continu door te lopen, er zitten gaten tussen bijvoorbeeld de Alpen en de Karpaten. Gebergtevorming heeft wel degelijk overal plaatsgevonden, maar latere tektonische daling van de tussengelegen stukken lithosfeer heeft ervoor gezorgd dat de bergen niet continu doorlopen.

De Alpen zijn ontstaan als gevolg van platentektoniek, om precies te zijn het naar elkaar bewegen van de Afrikaanse en Euraziatische tektonische platen, waardoor het stuk van de lithosfeer dat Italië bevat als het ware in Europa gedrukt werd. Dit gebeurde in een aantal fasen, te beginnen in het Krijt (rond 110 miljoen jaar geleden) en met het hoogtepunt tijdens het Paleogeen, zo'n 50 tot 35 miljoen jaar geleden. Ook tegenwoordig gaat het naar elkaar toe bewegen van de platen nog door.

Tijdens gebergtevorming worden delen van de aardkorst omhoog gestuwd, geplooid en over elkaar geschoven. In de centrale zone van het gebergte, waar de twee platen aan elkaar grenzen, bewegen stukken lithosfeer diep de aardmantel in (dit proces noemt men subductie). Sommige van deze delen komen daarna weer omhoog, maar hebben bij hun reis door de diepte metamorfose ondergaan, verandering van de mineralen waaruit het gesteente bestaat.

Net als andere gebergten hebben de Alpen een opbouw met een centrale zone in het midden en aan weerszijden een voorland en een achterland. De centrale zone bestaat uit metamorfe gesteenten uit de diepere delen van de continenten en fragmenten van de aardmantel of van de ooit tussen de twee continenten gelegen oceaankorst. Dit zijn voornamelijk gneisen en schisten.

De randen van de continenten werden voor de gebergtevorming, in het Jura en Krijt, bedekt met warme ondiepe binnenzeeën, waar veel organismen leefden die skeletjes uit kalk opbouwden. De randen van de continenten waren daarom bedekt met dikke lagen kalksteen. Tijdens de vorming van de Alpen werd deze kalksteen omhoog gestuwd, geplooid en over elkaar geschoven. Tegenwoordig vormen de dikke lagen kalksteen de Noordelijke en Zuidelijke Kalkalpen aan weerszijden van de centrale zone.

Ten slotte liggen aan zowel de zuidelijke als noordelijke flank van de Alpen grote bekkens, waar de aardkorst onder het gewicht van het gebergte naar beneden beweegt. Hier verzamelde zich veel erosiemateriaal uit het gebergte in de vorm van sediment. In het zuiden is dit het Pobekken, in het noorden het Molassebekken in Zwitserland en Zuid-Beieren.

Het reliëf van bergen en dalen is vergeleken met deze processen relatief nieuw. Het werd voornamelijk gevormd in het Kwartair (de laatste 2,5 miljoen jaar), tijdens diverse perioden van flinke vergletsjering (glacialen), waarbij niet alleen de Alpen, maar ook omliggende gebieden bedekt waren met gletsjers. In het gebergte hebben de gletsjers diepe trogdalen uitgesleten en materiaal uit het gebergte meegevoerd naar de vlakkere gebieden in het voor- en achterland. Voorbeelden van door gletsjers gevormde dalen zijn de grote meren van Noord-Italië.

Klimaat[bewerken]

Een gedetailleerde beschrijving van het klimaat van de Alpen kan moeilijk worden gegeven, omdat de plaatselijke invloeden heel sterk zijn. Deze hangen van verschillende omstandigheden af, zoals de hoogte, de ligging, in een dal of tegen een helling, waarbij het verder van belang is of het dal noord-zuid, dan wel oost-west loopt en in welke richting de helling ligt. Als gevolg van zo veel uiteenlopende situaties kunnen de klimaten van dicht bij elkaar liggende plaatsen sterk verschillen. Toch kunnen wel enkele redelijke algemeen geldende klimatologische kenmerken worden gegeven.

Winterklimaat[bewerken]

's Winters bevindt zich boven de Alpen veelal een gebied van hoge luchtdruk, dat in het algemeen wordt versterkt door de lage temperaturen in het gebergte. Onder deze omstandigheden vindt, vooral gedurende de nacht, door uitstraling sterke afkoeling plaats, vooral in de dalen. Daardoor komt het, dat de temperaturen daar dan belangrijk lager zijn dan op enige hoogte langs de hellingen. Door de lage temperaturen ontstaan in die dalen dan vaak mist en laaghangende wolken, terwijl de hoger gelegen gedeelten van de hellingen en ook de toppen geheel vrij van wolken zijn. Dit is o.a. een gevolg van de dalende beweging die de lucht in een hogedrukgebied gewoonlijk ondergaat.

Zomerklimaat[bewerken]

In de zomermaanden ligt de hoge druk in het algemeen iets verder naar het noorden. Door de zonnestraling bereikt de temperatuur in de dalen, vooral in die welke naar het zuiden open liggen, althans overdag hoge waarden, terwijl het langs de hellingen betrekkelijk koel blijft. De atmosfeer wordt daardoor onstabiel, warme lucht stroomt tegen de hellingen omhoog en als gevolg daarvan vormen zich langs deze hellingen en om de toppen wolken, die eventueel kunnen uitgroeien tot cumulonimbus (een grote stapelwolk) waarin buien en onweer tot ontwikkeling komen, die na enige tijd ook tot de dalen kunnen doordringen. Uit het bovenstaande volgt, dat 's winters op grote hoogte in het algemeen meer zonneschijn zal worden aangetroffen dan in de dalen, terwijl 's zomers juist de hoger gelegen plaatsen de minste zonneschijn zullen hebben. Lente en herfst vormen overgangsjaargetijden waarin er weinig verschil tussen hoog en laag gelegen plaatsen bestaat wat de zonneschijnduur betreft.

Temperatuur[bewerken]

Met betrekking tot de temperatuur kan men stellen, dat het 0,58 °C kouder wordt per 100 m hoogtetoename. Op 1000 m hoogte hebben ca. 200 dagen per jaar een gemiddelde temperatuur van ten minste 5 °C, terwijl op 2000 m hoogte dit nog bij ca. 125 dagen het geval is.

Neerslag[bewerken]

Neerslag is meestal gebonden aan storingen, die hetzij ten noorden, hetzij ten zuiden van de Alpen van west naar oost trekken. Een gevolg hiervan is, dat de totale neerslag in deze richting in het algemeen afneemt. Door opstuwing valt de neerslag vooral tegen de berghellingen, met name tegen de noord- en zuidhellingen. De dalen, in het bijzonder de lengtedalen, zijn daardoor relatief droog. De minste neerslag valt in het dal van de Rhône, minder dan 600 mm per jaar; tegen de hellingen van de Walliser Alpen, op een afstand van ongeveer 30 km, wordt ongeveer de grootste neerslag uit het gehele gebied aangetroffen, meer dan 3200 mm. Of de neerslag als sneeuw of als regen valt hangt geheel af van de temperatuur. In de zomer bestaat de neerslag vaak in de hogere niveaus uit sneeuw, beneden uit regen.

In het zuidelijk gedeelte van de Alpen valt de neerslag vooral in de vorm van hevige buien met een maximum in het najaar. In het noordelijk gedeelte is de neerslagintensiteit gewoonlijk kleiner maar duurt de neerslag langer, met name gedurende de winter. Hoewel in de zomer ook daar buien voorkomen, is de veranderlijkheid van de neerslag van jaar tot jaar er toch gewoonlijk kleiner dan in het zuiden.

Winden[bewerken]

De winden zijn in de Alpen in het algemeen zwak. Plaatselijk kan echter de lucht met grote snelheid over de passen en door gunstig gelegen dalen stromen. Een bekend voorbeeld is de Tauernwind, een koude noordelijke wind ten noorden van Lienz. Overigens treft men in de dalen gewoonlijk een dagelijkse gang van de windrichting aan, waarbij de lucht overdag dalopwaarts stroomt en 's nachts in de tegengestelde richting. Een opvallend windverschijnsel is de föhn, die als warme valwind grote snelheden kan vertonen en in het algemeen een sterk buiig karakter heeft. Men kan onderscheid maken tussen noordföhn en zuidföhn, resp. een noordelijke wind die vooral in de zuidelijke en een zuidelijke wind die vooral in de noordelijke Alpendalen voorkomt. De laatste is het meest opvallende verschijnsel omdat hij tot de sterkste temperatuurstijgingen aanleiding geeft, vaak 10 °C binnen 24 uur, in extreme gevallen zelfs meer dan 20 °C. Noordföhn is in het algemeen iets frequenter dan zuidföhn. Zo komt de eerste plaatselijk in de zuidelijke Alpen op ruim 70 dagen per jaar voor, terwijl zuidföhn gewoonlijk op 30 tot 50 dagen per jaar wordt waargenomen. Föhn komt het meest in het voorjaar voor, ongeveer 35% van het totaal aantal gevallen. Tijdens föhnsituaties ontwikkelen zich aan de lijzijde van de bergruggen vaak de zogenaamde lenticulariswolken, die gewoonlijk neerslag binnen 24 uur aankondigen.

Klimaatscheiding[bewerken]

Het belangrijkste klimatologische aspect van de Alpen is zonder twijfel het feit dat zij door hun west-oost-ligging de klimaatscheiding tussen Centraal-Europa en het Middellandse Zeegebied vormen. Speciaal geldt dat koude (en dus zware) uit de poolstreken afkomstige lucht op haar weg naar het zuiden door de gemiddeld ongeveer 2000 m hoge muur wordt tegengehouden of althans afgeremd. Hier ligt een van de belangrijkste oorzaken voor het klimaatverschil tussen bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Zuid-Europa. Vergelijk New York en Napels, beide op ca. 41° breedte, met juli- en januaritemperaturen van 23 en 24 °C, resp. -1 en +8 °C. Voor zover koude polaire lucht toch tot het Middellandse Zeegebied doordringt, stroomt zij gewoonlijk ten westen van de Alpen naar het zuiden.

Natuur[bewerken]

De boomgrens onder de Sunntigerspitze (2321 m) in het Karwendel.

Ecologie[bewerken]

De natuur van de Alpen verschilt sterk tussen noord en zuid: terwijl de noordelijke Alpen tot de bioom der "winterkoude gebergten met bladverliezend bos" behoren (zonobioom IV) behoren de zuidelijke Alpen tot de Mediterrane zonobioom VI. Daartussenin ligt de sterk continentale begroeiing in de dalen van de centrale Alpen. De natuur in gebergten varieert sterk naar hoogte en wordt ingedeeld in zones met elk hun specifieke vegetatie en soorten. Deze zones liggen in het zuiden, waar het klimaat warmer is, hoger dan in het noorden. In het centrale deel van de Alpen liggen ze ook hoger dan aan de randen.

In de colline zone, die in de Alpen tot ongeveer 400 meter hoogte ligt, komen van nature dezelfde soorten voor als in omringend laagland. Wanneer men iets hoger komt beginnen de submontane en montane zones, waar naaldbos groeit. De soorten die hier voorkomen zijn vergelijkbaar met de boreale zone op hogere breedtegraad.

In de noordelijke Alpen (de zogenaamde Helvetische zone) is de volgorde van laag naar hoog: eerst zomereiken, daarna beuken en ten slotte fijnsparren. In de drogere centrale (of Penninische) zone van de Alpen is de volgorde: grove dennen, fijnsparren en daarboven lorken en alpendennen. Aan de zuidkant van de Alpen (de Insubrische Zone) komen lager steeneiken voor, daarboven tamme kastanjes en Griekse eiken, daarboven zomereiken en ten slotte beuken.

Nog hoger, tussen de 1400 en 2200 meter hoogte, bevindt zich de boomgrens met daarboven de subalpiene, alpiene en nivale zones. Elke zone kent zijn eigen natuurlijke begroeiing en soorten. De boomgrens ligt in de centrale Alpen gemiddeld 400 tot 600 meter hoger dan aan de rand van de Alpen en varieert sterk in hoogte, ook omdat ze door menselijk ingrijpen vaak naar beneden verschoven is. De alpenweiden worden gebruikt om vee op te laten grazen.

De grootbloemige gentiaan, in de Alpen een typische soort van de alpiene zone.

De subalpiene zone ligt tussen 1900 en 2300 meter en is een overgangszone (ecotoon) tussen het naaldbos en de alpenweide. Hier groeien vooral struiken, die niet hoger dan twee meter worden. Voorbeelden zijn rododendrons en op kalkige bodems bergdennen (Pinus mugo); terwijl op lemige bodems eerder witte elzen (Alnus viridis) voorkomen.

De alpiene zone ligt tussen de 1800 en 3000 meter hoogte en bestaat uit bodembedekkende planten. De vegetatie wordt sterk beïnvloed door de duur van de sneeuwbedekking in de winter, het gesteentetype in de ondergrond en de hoeveelheid wind. Een klein aantal plantensoorten groeien op hoogtes tot 2800 meter; veel ervan zijn kussenvormig zoals schildkruid en het stengelloze lijmkruid. Door deze aanpassingen zijn deze planten zowel tegen planteneters als vochtverlies beschermd. Bovendien worden de jonge loten zo tegen wind en bevriezing gevrijwaard. Ook edelweiss groeit op deze hoogten.

De nivale zone ligt boven de sneeuwgrens (in de Alpen rond de 3000 meter hoogte). Planten groeien hier alleen op plekken waar de sneeuw niet het hele jaar kan blijven liggen en de vegetatie bedekt de bodem niet sluitend. Rond de 150 soorten zaadplanten komen nog boven de 3000 meter voor, daarnaast komen er ook korstmossen voor. Tot de soorten die het hoogst groeien behoren de gletsjerranonkel (Ranunculus glacialis) en de steenbreek (Saxifraga biflora). Ook op sneeuw en ijs komen nog soorten voor. De groenalg Chlamydomonas nivalis groeit op firnvlakten en veroorzaakt een rode kleur in de sneeuw, een effect dat bloedsneeuw genoemd wordt.

Flora[bewerken]

In de Alpen groeit een veelheid van planten en bloemen, zowel in de dalen als op de hoge alpenweiden. Boven de colline zone vormen de Alpen een geïsoleerd eiland voor veel soorten, die niet in de lagere gebieden buiten de Alpen kunnen overleven. Deze soorten zijn typisch voor een kouder klimaat en hebben Europa na de laatste ijstijd vanuit het oosten gekoloniseerd. Met het warmer worden van het klimaat werden ze later weer uit de lagere regionen verdreven en tegenwoordig groeien ze in Midden-Europa alleen in hogere gebieden.

Fauna[bewerken]

De typische alpendierenwereld leeft boven de boomgrens (1725–2400 m). De lucht is hier ijl, de temperatuur laag, de vochtigheid tamelijk hoog. Boven de sneeuwgrens leven zelfs nog ongeveer 400 soorten, tal van geleedpotige dieren, enkele slakken en platwormen; 27 soorten hiervan komen zelfs alleen in dit gebied voor.

Vele alpenbewoners (eekhoorn, alpenlandsalamander, adder en vele insecten) zijn donkerder van kleur dan hun soortgenoten uit lagere streken. Dit komt doordat ze koudbloedig zijn en de koelere omgeving compenseren door een donkere kleur, waardoor efficiënter zonnewarmte wordt opgenomen. Veel soorten insecten (hommels, vliegen) zijn sterk behaard.

Van de zoogdieren leven de gems, de alpensteenbok, de sneeuwhaas, de sneeuwmuis en de alpenmarmot alleen in dit gebied; de sneeuwmuis komt hoger voor dan enig zoogdier in Europa (tot 4100 m). De alpenvogels zijn zowel stand- als trekvogels. Bekende soorten zijn de steenarend, de alpenkauw, de alpengierzwaluw, de alpenkraai, de rotskruiper en het alpensneeuwhoen, welke beide laatste tot aan de grens van de eeuwige sneeuw voorkomen. De kleine of levendbarende hagedis en de adder leven tot ca. 2750 m, de zwarte alpensalamander zelfs tot 3000 m. Onder de talrijke geleedpotigen zijn er de hooggebergtemijt en verschillende soorten insecten, zoals de gletsjervlo en de rotsspringer (Machilis nivicomes). Sommige slakken komen nog tot 3000 m voor. Door toedoen van de mens zijn verschillende soorten van lagere naar hoger gelegen gordels verdreven.

Industrie in de Alpen[bewerken]

Vanouds steunde de industrie in de Alpen op de plaatselijk aanwezige grondstoffen en mogelijkheden. Zo vormde de aanwezigheid van ijzererts, hout en waterkracht vooral in het oosten de basis voor de ijzerindustrie. Aanvankelijk was deze gebonden aan de bergstreken, daar de mechanische kracht voor de ijzerbewerking door het stromende water van de bergrivieren moest worden geleverd. De bouw van grote waterkrachtcentrales (onder meer Genissat in Frankrijk, Grande Dixence in Zwitserland, Limbergsperre in Oostenrijk) maakte enerzijds energie transportabel en anderzijds werden dergelijke industriële vestigingen minder aan een plaats gebonden. Veel zware industrie heeft zich dan ook in de beter toegankelijke brede dalen kunnen ontwikkelen. Daarnaast is energie zelf een belangrijk exportproduct geworden. De bosbouw (vooral in Zwitserland, Zuid-Duitsland en Oostenrijk) vormt de basis voor de omvangrijke hout-, papier- en celstofindustrie.

Bij de landbouw in de Alpen overheerst traditioneel de veeteelt. In de noordelijke en oostelijke Alpen komt vrijwel uitsluitend veeteelt voor. De vooral in de meer centraal gelegen delen voorkomende akkerbouw staat volledig in dienst van de veeteelt. In de zuidelijke Alpen komt ook intensieve (exportgerichte) akkerbouw voor (naast graan ook fruit, wijn, tabak, bloemen). Akkerbouw wordt slechts in enkele grote en warme dalen overwegend uitgeoefend. De hoogtegrens voor graanverbouw varieert van ca. 1000 m in de noordoostelijke Alpen tot ca. 2000 m in enkele zuidelijk gelegen gebieden.

De veeteelt neemt in de Alpen bijzondere vormen aan. Omdat de dalbodem niet voldoende grasland oplevert, zijn er vormen ontstaan waarbij het rundvee gedurende de zomer naar hogere weiden wordt overgebracht. Op de schraalste en hoogste weiden vormen schapen de veestapel. Akkerbouw en veeteelt zijn in de 20e eeuw sterk achteruitgegaan. De zogenaamde “topografische omstandigheden” maken een moderne bedrijfsvoering vrijwel onmogelijk, terwijl de toegenomen ontwikkeling van de industrie en het sterk gegroeide toerisme aantrekkelijker en winstgevender vormen van werkgelegenheid opleverden. Bovendien werkte de sterk verbeterde toegankelijkheid van het Alpengebied de concurrentie vanuit andere gebieden in de hand. De laatste 20 jaar heeft zich in de landbouw dan ook een sterke hoogtevlucht ingezet.

De mijnbouw is in de Oostelijke Alpen van meer betekenis dan in de Westelijke Alpen. De kolenhoudende zone in het oosten (vooral bruinkool) zet zich ook in de bekkens ten oosten van de Alpen voort. Van betekenis zijn voorts de aan de Triasformatie in de noordelijke Kalkalpen gebonden zoutlagen (plaatsnamen met ‘Salz’ of ‘Hall’). Zoutmijnen zijn soms door pekelleidingen verbonden met minerale badplaatsen (Bad Ischl, Bad Aussee, Bad Reichenhall). De Alpen bevatten een grote verscheidenheid van mineralen, doch de voorkomens zijn niet groot. De hoofdertszone is het gebied van de zo genaamde grauwacken en leigesteenten, waarin de vindplaatsen vaak namen dragen met ‘Arz’, ‘Erz’ of ‘Reichen’. Hier worden voornamelijk koper-, zilver- en ijzererts aangetroffen, dit laatste vooral in Stiermarken (Eisenerz), waar het in dagbouw wordt gewonnen. In de Kalkalpen van Zuid-Karinthië komen lood-, wolfraam- en zinkerts voor, in de Hoge Tauern enig goud en in de zuidoosthoek kwik (Idrija). Er is veel winning van steensoorten (marmer, porfier), terwijl in de Kalkalpen op verscheidene plaatsen cement wordt gemaakt.

Talrijk zijn ook de minerale en thermische bronnen: zij liggen vooral in het oostelijke en zuidelijke randgebied en omvatten zowel zoutbaden en minerale baden (staalbaden van Sankt Moritz) als thermische baden.

De mens in de Alpen[bewerken]

De regionaal verschillende bedrijfsvoering, klimaattypen en topografische omstandigheden vormen een belangrijke verklaring voor de verschillende soorten “nederzettingen” die men in de Alpen aantreft. In de regenrijke, sterk versneden noordelijke Alpen, waar de veehouderij uniek aanwezig is, overheersen alleenstaande boerderijen (Einzelhöfe). Dergelijke afzonderlijke hoeven vormen samen met enkele andere hoeven een kerkdorp. Bij de kerk vindt men vaak een school, een herberg en enige woonhuizen. Men noemt deze gehuchten ‘Weiler’. In de zuidelijke Alpen, met intensieve akkerbouw en bredere dalen, overheerst het compacte, gesloten dorp. Grote steden zijn zeldzaam in de Alpen; slechts Grenoble, Salzburg en Innsbruck kunnen worden genoemd. De groei van de industrie en het toerisme heeft een aantal landbouwnederzettingen in snel tempo onherkenbaar veranderd. De regionale verscheidenheid in bouwmaterialen uit zich in de aanwezige bebouwing. In de noordelijke Alpen overheerst hout als bouwmateriaal maar zuidelijk is ook steen in trek. Daarnaast treden in de huizenvorm regionaal sterke verschillen op die voor een deel zijn te verklaren door het verschil in bedrijfsvoering.

Toerisme en bezienswaardigheden[bewerken]

Matterhorn

Het Alpengebied is een van de drukst bezochte toeristengebieden ter wereld. Door het sterk reliëf en de grote hoogteverschillen worden in de Alpen verschillende bergsporten beoefend, zowel zomersporten als wintersport.

De zomersporten zijn vooral fietsen, kajakken, bergwandelen en bergbeklimmen. Bij de wintersporten zijn er vooral het skiën en het snowboarden, maar ook sleeën, langlaufen en sneeuwwandelen in de vele wintersportgebieden. De Alpen tellen honderden skigebieden, waarvan enkele tientallen (deels) op gletsjers gelegen zijn, zodat er het hele jaar door geskied kan worden.

Ook tal van “nieuwe wintersporten" worden er beoefenen. Dit zijn bijvoorbeeld kite-sleeën (met een vlieger) en hybride fietsen (met skilatten).

Frankrijk[bewerken]

Eén van de meest bezienswaardige gebeurtenissen in de Franse Alpen is de Ronde van Frankrijk, een prestigieuze wielerwedstrijd die er in juli altijd passeert. De supporters die zo dicht mogelijk bij hun wieleridolen proberen te geraken, het afzien van de wielrenners, de tourkaravaan met de souvenirs, maken deel uit van het vermaak. De wilde rivieren in de Franse Alpen lenen zich uitstekend tot watersporten als raften, kajakken en kanoën. Een goed voorbeeld van zo'n rivier is de Rhône. Ze ontstaat door smeltende sneeuw op de Alpen. De Mont Blanc, de op één na hoogste berg van Europa, is het Mekka van de bergbeklimmers. Slechts voor weinigen is het weggelegd om de top van deze beroemde berg te bereiken. Er zijn dan ook velen die hun overmoed om de berg te beklimmen hebben moeten bekopen met hun leven.

Italië[bewerken]

In de Italiaanse Alpen ligt een aantal grote meren, waaronder het Lago Maggiore, het Gardameer en het Comomeer. De Dolomieten zijn bekend om de roodroze hoge pieken en graffelflanken. Ook in Italië vindt de nationale wielerronde, de Ronde van Italië, vaak gedeeltelijk in de Alpen plaats.

Zwitserland[bewerken]

Zwitserland heeft net als buurland Oostenrijk veel mogelijkheden om te skieën. Een van de beroemdste Zwitserse skioorden is Sankt Moritz. Dit komt dankzij haar hoge ligging en de vele kilometers piste die rondom dit dorpje zijn gelegen. Het was eveneens de plaats waar 2 keer de Olympische Winterspelen werden gehouden. Het is er mogelijk om te wandelen op sneeuwschoenen, waarbij men kan overnachten in een iglo of baden in warm bronwater. Voorbeelden van dergelijke baden zijn het Leukerbad of in Scuol. Op de Jungfraujoch, een berg vlakbij Interlaken, rijdt een treintje naar boven. Het station Jungfraujoch is het hoogste station van Europa.

Het Meer van Genève is een groot meer op de grens tussen Zwitserland in het noorden en Frankrijk in het zuiden. Het heeft een oppervlakte van 584 km². Het meer is maximaal 310 m diep. Het wordt vooral gevoed door de Rhône, die het meer in het zuidoosten bereikt en in het zuidwesten bij Genève weer verlaat. Bekende plaatsen aan het meer zijn, behalve Genève: Lausanne, Montreux, Nyon, Vevey en, in Frankrijk, Thonon-les-Bains.

Oostenrijk[bewerken]

Ook in Oostenrijk zijn veel voorzieningen voor zowel wintersport als voor zomers toerisme. De belangrijkste stad in de Oostenrijkse Alpen, tevens hoofdstad van de regio Tirol, is Innsbruck. Deze streek is vooral belangrijk vanwege een ruime keuze aan wintersportmogelijkheden, maar ook andere minder bekende sporten zoals muurklimmen, paragliding en deltavliegen. Een andere Oostenrijkse Alpenstad is Salzburg. Het is naast de geboortestad van Mozart een plaats die beroemd is geworden door haar barokarchitectuur.

Duitsland en Slovenië[bewerken]

Ook in de Sloveense en de Duitse Alpen is, net zoals in de andere Alpenlanden, de wintersport een belangrijke sector. Een voorbeeld van een skidorp in het hartje van de Duitse Alpen is Oberstdorf. Een bekend skioord in Duitsland is Garmisch-Partenkirchen, waar op iedere nieuwjaarsdag het traditionele schansspringen plaats vindt. In Slovenië wordt het jaarlijkse schansspringen van Planica (in Mojstrana) georganiseerd. Het land telt verder ruim dertig complexen met skipistes, zowel in de Julische Alpen, de Karawanken, Pohorje en de Kamniker Alpen. Buiten het winterseizoen zijn alpinisme en bergwandelen de belangrijkste toeristische activiteiten in de Sloveense Alpen. Sloveense alpinistenbond onderhoudt ruim 150 berghutten. Slovenië heeft tientallen alpinistenverenigingen, de meeste zijn lokaal georganiseerd, andere verenigen werknemers van bedrijfstakken of soms slechts een enkel bedrijf.

Alpentradities[bewerken]

Een bekend muziekinstrument uit de Zwitserse Alpen is de alpenhoorn. De alpenhoorn werd al ongeveer 2000 jaar geleden gebruikt door de Kelten. Herders gebruikten de hoorn als signaalinstrument (zie ook het artikel over de Kuhreigen). Hij wordt nu soms gebruikt om in een orkest mee te spelen. De hoorn is helemaal van hout en onderaan meestal versierd met Zwitserse motieven.

De Alpen staan ook bekend om hun traditionele dorpsfeesten. Vroeger werd dit georganiseerd voor een speciale gebeurtenis, zoals het begin van het oogstseizoen of een bruiloft. Nu worden zulke dorpsfeesten vooral voor de toeristen gehouden. Tijdens de feesten kleden de mannen en vrouwen zich in traditionele kostuums, die verschillen naargelang de plaats in de Alpen. De feesten kunnen in tijd verschillen van één dag tot een ganse week. In de Duitse Alpen bestaat er nog een traditionele drank: bier. Al eeuwenlang brouwt men hier zijn eigen streekbier. Vroeger werd dat vooral met honing gedaan om een soort mede te maken. Nu doet men dit in speciaal gebouwde brouwerijen om bier in massa te produceren.

Milieuproblematiek[bewerken]

Het werd in de jaren '80 duidelijk dat het milieubeleid in het alpengebied drastisch zou moeten veranderen. De explosieve groei van het massatoerisme, de toenemende bevolkingsdruk en de daarmee gepaard gaande uitbreidingen van infrastructuur en wintersportvoorzieningen, als ook de groei van het verkeer in en door het gebied, hebben diepgaande gevolgen gehad voor het milieu. Het bleek dat de massale teruggang van het bomenbestand (onder andere voor de aanleg van hotels, vakantiewoningen en ski-pistes) het verdwijnen van veel plant- en diersoorten tot gevolg heeft gehad. Ook veroorzaakte de kap steeds sterkere erosie, aardverschuivingen, lawines, modderstromen en overstromingen, waarbij een toenemend aantal menselijke slachtoffers viel te betreuren. De toenemende vervuiling van de gletsjers en de daaruit ontspringende beken en rivieren door uitlaatgassen en afval begint ernstige vormen aan te nemen.

De inrichting van natuurreservaten en beschermde wildparken bleek niet het beoogde effect te hebben. In het begin van de jaren '80 hebben de alpenlanden Oostenrijk, Duitsland, Joegoslavië (nu Slovenië), Italië, Zwitserland en Frankrijk samenwerking gezocht om de problemen het hoofd te bieden. Later in de jaren '80 werd kreeg de samenwerking vorm in de Alpen-Adria-groep, die een deel van de Alpen omspant. Ook is de CIPRA (Internationale commissie ter bescherming van het Alpengebied) opgericht.

Als gevolg van de klimaatverandering smelten de gletsjers drastisch af. Klimaatschommelingen zijn niet onbekend en de gletsjers zijn een klimaatarchief. Terugtrekking van de gletsjers is vandaag de dag echter sneller dan voorheen het geval was. Volgens metingen verloren de gletsjer sinds het begin van de industrialisatie in 1980 een derde van het oppervlak en de helft van hun massa. Sinds 1980 is 20 tot 30 procent van het volume van ijs ontdooid. Recente studies tonen echter aan dat het gletsjerijs duizenden jaren geleden een keer volledig gesmolten moet zijn geweest.[1]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Wikivoyage Wikivoyage heeft een reisgids over dit onderwerp: Alpen.