Analogie (taalkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Analogie is in de taalkunde een overeenkomst tussen woorden of woordvormen, op basis waarvan volgens de gangbare regels gemakkelijk nieuwe woorden kunnen worden gevormd of een bestaand woord een andere vorm (bijv. een andere vervoeging of verbuiging) kan krijgen. Deze nieuwvorming berust echter soms op een verkeerde interpretatie, waardoor de analogie dus in feite misleidend werkt.

Voorbeelden[bewerken]

  • Wie ergens toevallig voorbijkomt is een passant. Wie ergens toevallig voorbijkomt en daar op die plaats plast is een plassant. Plassant is geen bestaand Nederlands woord, het woord dat men hier zoekt is wildplasser. Dit is dus een voorbeeld van een foute analogie.
  • De luizen weghalen noemt men in één woord ontluizen. Zo kun je ook de haast weghalen onthaasten noemen. Hier vind je een juist voorbeeld van een analogie. Beide woorden zijn aanvaardbaar Nederlands.

Zie ook[bewerken]