Anna Catharina Slicher

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Anna Catharina Slicher (Den Haag, 13 februari 1739 – aldaar, 12 januari 1827) was een Nederlands dichteres.

Familie[bewerken]

Slicher, lid van de familie Slicher, was een dochter van Wigbold Slicher (1714-1790), raadsman van het Hof van Holland, en Hester Erckenraet Roseboom (1715-1749). Na de dood van haar moeder hertrouwde haar vader met Dina Henriette Backer (1723-1801). Ze groeide op in een gezin van acht kinderen. Ze bleef ongehuwd.

Werken[bewerken]

In 1782 werd ze gevraagd om plaats te nemen als honorair lid in het Haagse genootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt. Haar eerst bekende werk danken we aan deze benoeming, namelijk haar dankdicht aan de bestuurders van dit genootschap. Ze publiceerde in 1786 haar eerste bundel, Weegschaal, terwijl ze verder publiceerde in de bundels van het genootschap. Een jaar later publiceerde ze het lange gedicht De vriendschap. Na het overlijden van haar vader in 1790 schreef ze een rouwdicht: Aan mijne maagschap.

Bibliografie[bewerken]

  • Aan de heeren bestuurderen der maatschappije van dichtkunde, onder de spreuk: Kunstliefde spaart geen vlijt [...] bij gelegenheid mijner verkiezing tot honorair lid. [S.l., 1782]
  • Weegschaal van het waare en schijn-vermaak. Amsterdam, 1786
  • [Bijdrage aan:] Lijkzangen bij het afsterven van Adr. Joh. van Royen, overl. XVI van grasm. 1786. Leiden, 1786
  • De vriendschap. In vyf zangen. Amsterdam, 1787
  • Aan mijne maagschap bij den dood mijnes waardigen vaders, mr. Wigbolt Slicher, praesident van den edelen Hove van Holland, Zeeland en Friesland. Overleeden op deszelfs buitenplaats Zeerust, in den ouderdom van 76 jaaren en 8 maanden, op den 24 October 1790. Rouwklagt. [S.l., 1790]

Literatuur[bewerken]