Antoon van Dyck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Anthony van Dyck)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Antoon van Dyck
Zelfportret
Zelfportret
Persoonsgegevens
Volledige naam Antoon van Dyck
Geboren Antwerpen, 22 maart 1599
Overleden Londen, 9 december 1641
Beroep(en) Kunstschilder
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
De kruisiging (1626), in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge
Heilige Hiëronymus
Teresa Sampsonia, Lady Shirley, in Rome, 1622. Voorbeeld van een portret met een typisch glacis van warm transparant bruin, dat later Van Dyck-bruin werd genoemd, hoewel oude meesters als Rubens het voordien ook al gebruikten. Een andere naam voor het pigment is kasselse aarde.

Antoon van Dyck, ook Anthony van Dyck, (Antwerpen, 22 maart 1599Londen, 9 december 1641) was een Zuid-Nederlands barokschilder uit de Antwerpse School.[1] Zijn voornaam wordt ook als Anthonis, Antonio, Anthonie of Anton vermeld.

Biografie[bewerken]

Geboorte en jeugd[bewerken]

Van Dyck werd geboren in 'Den Berendans' in Antwerpen. Hij was het zevende kind van twaalf van de rijke textielhandelaar Franchois van Dyck en Maria Cuypers. Het gezin bestond uit vier jongens en acht meisjes, drie stierven er jong. Catharina, Maria, Cornelia II en Franchois jr. waren ouder dan Antoon. Na hem kwamen Susanna, Anna, Dierick en Elisabeth of Isabella. Ze verhuisden in 1599 van de Grote Markt naar de Korte Nieuwstraat, waar op 7 maart 1607 ook het belendende pand 'De Stadt van Gendt' werd gekocht. Antoons moeder stierf echter een maand later, op 17 april 1607. Vanaf december 1610 waren er problemen, een privé-aangelegenheid: de Hondschootse Jacobmyne de Kueck moest uit de stad worden verbannen, na ruiten te hebben ingegooid en Franchois van Dyck te hebben bedreigd met de dood. Antons oudere zusters Catharina en Maria waren getrouwd in respectievelijk 1610 en 1615 en vanaf de zomer van 1615 gingen Franchois' zaken minder goed. Zijn schoonzonen daagden hem in juli 1615 voor het gerecht. Zijn boedel werd geïnventariseerd en verkocht. Antoon ging tegen zijn zwagers in het verweer. De florerende handelaarsfamilie was een moederloos gezin met serieuze problemen geworden. Mogelijk waren de gezinsleden niet langer 'sociaal aantrekkelijke kandidaten op de Antwerpse huwelijksmarkt' en werden daarom Susanna, Isabella en Cornelia begijn, Anna non en Dierick norbertijner kanunnik. De ouderlijke woning, 'De Stadt van Gendt', werd op 20 mei 1620 gedwongen verkocht. Rond 1620 was het gezin van Franchois van Dyck 'sociaal gestigmatiseerd' en alleen Antoon kon de goede naam van de familie redden.

Opleiding[bewerken]

Reeds vroeg kwam zijn talent om te tekenen tot uiting. Als tienjarige jongen ging Antoon in 1609 in de leer bij Hendrik van Balen, kunstschilder en opperdeken van het Sint Lucasgilde. Van Balen had zijn atelier in het huis 'Den Wildeman'. Rubens had in zijn atelier liever vaardige medewerkers, die elders het vak al hadden geleerd. Gewoonlijk duurde een scholing drie tot vier jaar. Antoons vroegste portret, een zeventigjarige man, dateert van 1613, toen hij veertien jaar was. Op vijftien of zestienjarige leeftijd schilderde hij zijn eerste zelfportret. In 1615 werd hij een onafhankelijk kunstschilder, maar pas in 1618 kreeg Antoon officieel de titel 'meester'. Hij had een eigen werkplaats in 'Den Dom van Ceulen' aan de Lange Minderbroederstraat (Mutsaertstraat) en Herman Servaes was er zijn een jaar oudere medewerker.

In zijn jongere jaren was hij een van de favoriete medewerkers van Peter Paul Rubens, naast Jacob Jordaens en nog enkele anderen. Al voor 1617 werkten Van Dyck en Rubens samen aan een project en in de loop van 1617 werd van Dyck Rubens' medewerker. Dus hij was al voor en na zijn meesterschap in Rubens' atelier actief. Van Rubens kon Van Dyck veel opsteken: Rubens kende Latijn, had 'voorbeeldige omgangsvormen' geleerd, was als alom gerespecteerd historieschilder uit Italië teruggekeerd, was intellectueel veelzijdig en had een diepgaande kennis van de kunst en literatuur van de Oudheid. Via Rubens kreeg Van Dyck toegang tot een internationaal circuit van kunstliefhebbers. Hij voerde Rubens' ontwerpen met de geschiedenis van de Romein Decius Mus uit in 'tapijtkartons'. In 1620 kreeg Rubens de opdracht het plafond te decoreren van de jezuïeten kerk Sint-Carolus Borromeus en Van Dyck kreeg de leiding over het team van uitvoerders. Van Dyck bezat een uitzonderlijke werkkracht. Een jonge vrouw, van wie verder weinig bekend is, schonk hem in deze eerste Antwerpse periode een dochter, Maria Theresia. Zijn zussen hebben het meisje opgevoed. Zij huwde met Gabriël Essers, die later drost van Boechout werd. Omstreeks 1620 wist Van Dyck Rubens op technisch vlak te evenaren. De dominante sociale en artistieke positie van Rubens in Antwerpen, een stad die zich in een periode van economische achteruitgang bevond, verklaart wellicht waarom van Dyck een groot deel van zijn carrière in Engeland en Italië verbleef.

In 1620 ging hij voor het eerst naar Engeland, op aansporing van George Villiers, de markies van Buckingham en verbleef er vier maanden, maar werd toen nog niet voorgesteld aan koning Jacobus I van Engeland en keerde nadien terug naar de Nederlanden.

Italië[bewerken]

In 1621 ging hij naar Italië, waar hij zes jaar verbleef, en er de Italiaanse schilders uit de renaissance bestudeerde. Hij had er de gelegenheid werken van enkele beroemde kunstenaars te kopiëren, vooral van Titiaan, voor wie hij een grote bewondering koesterde. Deze studie gaf hem de basis voor zijn succesvolle carrière als portretschilder. Hij woonde meestal in Genua, alhoewel hij ook vaak naar andere steden reisde (o.a. Rome) en een tijd te Palermo op Sicilië verbleef. De woning in Genua van de broers Cornelis en Lucas de Wael, zonen van de Antwerpse kunstschilder Jan de Wael, was Van Dycks thuishaven tijdens zijn verblijf in Italië. In Rome schilderde Van Dyck het portret van kardinaal Guido Bentivoglio, een 'beschermer van de Vlaamse kolonie in Rome'. De Vlaamse schilders in Rome waren niet over Van Dyck te spreken. Ze vonden hem te trots.

Van Dyck had, in tegenstelling tot Rubens, weinig belangstelling voor de antieke kunst, dat blijkt uit zijn 'Italiaanse schetsboek'. 'Hij was geen erudiet schilder in de renaissancistische traditie' en stelde zich niet voor de hele kunstgeschiedenis open.

Waarschijnlijk werd hij door onderkoning Emanuel Filibert van Savoye (1588-1624) naar Palermo op Sicilië uitgenodigd. Hij bezocht de bejaarde portretschilderes Sofonisba Anguissola. Ze vertelde hem dat zij zesennegentig jaar was. De uitbraak van een pestepidemie noodzaakte hem naar Genua terug te keren. Hij maakte in 1627 in Genua een schilderij af, waarvoor hij in Palermo de opdracht had gekregen: De Madonna van de Rozenkrans (Oratorio del Rosario, Palermo).

Antwerpen[bewerken]

Hij keerde in 1627 terug naar Antwerpen, z'n zuster Cornelia was kort daar voor in september 1627 overleden. Van Dyck maakte zelf zijn testament en trad toe tot de 'Sodaliteit van de bejaerde Jongmans', een lekenbroederschap, gesticht door de jezuïeten. Hij werd hofschilder van aartshertogin Isabella en schilderde haar portret. De aristocraten van haar 'sobere' hof gaven hem portretopdrachten: d'Arenberg, de Ligne, de Croÿ, de Boisschot en Tassis. Hij schilderde gedurende de vijf jaren in Antwerpen een groot aantal meesterstukken, waaronder de portretten van Maria-Louisa de Tassis en de eenarmige landschapschilder Marten Rijckaert. Hij was heel charmant tegenover zijn opdrachtgevers en net als Rubens wist hij zich met gemak te bewegen in aristocratische kringen. Van Dyck ging twee keer naar de Verenigde Provinciën, die in oorlog waren met de Zuidelijke Nederlanden. Hij schilderde in Den Haag de portretten van prins Frederik Hendrik van Oranje, zijn vrouw Amalia van Solms en hun zoon Willem. Voor de prins schilderde hij Amaryllis en Mirtillo en Rinaldo en Armida. Van Dyck kreeg goed betaald en legde zelf ook een mooie collectie schilderijen aan, waaronder werken van Titiaan.

Engeland[bewerken]

Zijn reputatie kwam koning Karel I van Engeland ter ore, die hem naar Engeland haalde, waar hij in korte tijd erg beroemd werd. Hij kwam in contact met de groep katholieke hovelingen rondom de koningin, waaronder Kenelm Digby en Endymion Porter, die hem steunden.

Al in 1630 had Endymion Porter voor Karel I Rinaldo en Armida verworven.

Hij schilderde portretten van Karel I, koningin Henriëtta, de groep prinsen en prinsessen, van zichzelf, van zijn maîtresse Margaret Lemon, van de schilders Andries van Eertvelt, Theodoor Rombouts en van vele anderen. Een van zijn belangrijkste opdrachtgevers was de vierde graaf van Pembroke. Ook werden de graaf van Arundel, de tiende graaf van Northumberland, Lord Philip Wharton en Thomas Wentworth, graaf van Strafford (raadslid van de koning) geportretteerd.

In juli 1632 werd hij geridderd waarbij hij de titel sir ontving. In 1633 werd hij benoemd tot hofschilder van de koning. In april 1633 kreeg hij van de koning een gouden ketting met een medaille. Hij kreeg een jaarsalaris van 200 pond, een honorarium voor portretten van de koninklijke familie, een eigen huis met atelier in Blackfriars, mocht gebruikmaken van Eltham Palace en trouwde in 1639 Mary, de dochter van Lord Ruthven. Mary Ruthven was een Schotse, katholieke hofdame van de koningin.

Van 1634 tot 1635 verbleef Van Dyck bijna een jaar in de Zuidelijke Nederlanden, in Antwerpen en Brussel. Abbé Scaglia was toen zijn belangrijkste opdrachtgever. Hij schilderde ook de schepenen van Brussel, maar dat werk werd in 1695 vernield tijdens het Franse bombardement.

In het latere deel van zijn leven maakte hij alleen schilderijen af die door zijn studenten waren gemaakt naar zijn eigen voorstudies.

Overlijden[bewerken]

Willem II van Oranje met zijn toekomstige bruid Maria Henriëtte Stuart, 1640

De politieke toestand ging in Engeland achteruit en toen Rubens in 1640 stierf kwam uit Antwerpen het verzoek diens atelier over te nemen. Toen hoorde hij dat de Franse koning Lodewijk XIII de belangrijkste galerijen van het Louvre wilde laten decoreren. In januari 1640 was hij in Parijs, maar in mei was hij al weer terug in Londen. Hij schilderde er het dubbelportret van de kinderen prinses Maria Henriëtte Stuart en prins Willem II van Oranje ter gelegenheid van hun huwelijk. In oktober was hij in Antwerpen en in november weer in Parijs, waar hij hoorde dat Nicolas Poussin en Simon Vouet de felbegeerde opdracht voor het Louvre hadden gekregen.

In 1641 werd hij tijdens dat verblijf in Parijs ziek en keerde hij snel terug naar Londen, waar hij korte tijd later overleed in zijn huis in Blackfriars (een gebied in de City of London). Het dochtertje Justiniana, dat hij achterliet bij zijn weduwe, was op dat moment slechts 10 dagen oud. Van Dyck ligt begraven in de St Paul's Cathedral in Londen. De koning liet een herinneringsmonument boven zijn graf oprichten.

Antoon Van Dyck stierf voor de burgeroorlog in Engeland tussen Karel I en het parlement. Hij was dus niet meer getuige van het proces tegen de koning en diens onthoofding in het paleis van Whitehall. Op de terechtstelling van de koning volgde de verspreiding van diens kunstverzameling, die 1570 schilderijen bevatte, waaronder vele werken van Van Dyck.

Schilderstijl[bewerken]

Antoon van Dyck schilderde voornamelijk portretten, maar ook stukken met een religieus of mythologisch onderwerp. Zijn werken behoren tot de barok. Door velen wordt hij beschouwd als de grootste barokschilder uit de Zuidelijke Nederlanden na Rubens.

Zijn stijl werd aanvankelijk sterk beïnvloed door Rubens, maar later, tijdens een verblijf in Italië, vatte hij ook bewondering op voor Titiaan, wat in veel van zijn schilderijen is terug te zien.

Van Dyck was van grote invloed op het Engelse portretschilderen, en sommige historici beschouwen hem als de oprichter van de Engelse school van schilderkunst.

De naam Van Dyck wordt in de schilderkunst gebruikt voor diverse karakteristieke kenmerken waarmee hij beroemd geworden is. Hij portretteerde veel mannen met een korte, puntige baard, die in het Engels dan ook een 'vandycke' genoemd worden. Ook een kledingstijl is naar Van Dyck vernoemd (zoals gedragen in Thomas Gainsboroughs Blue Boy uit 1770). Karakteristiek voor zijn kleurgebruik is het warme 'Van Dyck-bruin', dat zijn naam gaf aan het betreffende pigment.

Het succes had ook een keerzijde: de vraag naar portretten van zijn hand was zo groot dat de meester zelf meestal alleen het gelaat schilderde. De rest liet hij over aan zijn leerlingen, waardoor het kon gebeuren dat er soms fouten in de afbeelding slopen. Zo werd de Engelse koning Karel I in 1638 afgebeeld in een wapenuitrusting met twee rechterhandschoenen.

Kerken en musea met werk van Van Dyck[bewerken]

Werken[bewerken]

Galerij[bewerken]

Galerij[bewerken]

Vondst 2013[bewerken]

In december 2013 werd in het BBC-televisieprogramma The Antiques Road Show een onbekend schilderij gepresenteerd dat deskundigen hebben geïdentificeerd als een portret van een Brusselse magistraat door Van Dyck. Het ging om een voorbereidende olieverfschets die hij geschilderd zou hebben in 1634. Het doek was in 2012 voor £ 400 (ongeveer € 480) gekocht bij een antiekwinkel in Cheshire. Na het verwijderen van alle overschilderingen tijdens de restauratiebehandeling kon de toeschrijving aan de Antwerpse meester bevestigd worden.[2] De nieuwe eigenaar gaf het werk in 2015 in langdurig bruikleen aan het Antwerpse Rubenshuis.[3]

Trivia[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Brown, C., Vlieghe, H. (1999), Van Dyck, Royal Academy Publications, Londen

Externe links[bewerken]