Antonius Guilielmus Amo Afer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Monument voor Anton-Wilhelm Amo in Halle (Saale)

Antonius Guilielmus Amo Afer (omstreeks 1703 – na 1753 vermoedelijk in Ghana) was een Ghanese docent in de wijsbegeerte aan de universiteiten van Halle en Jena in Duitsland. Voor zover bekend is hij de eerste Afrikaan die aan een Europese universiteit verbonden was. Zijn naam wordt soms verduitst, verengelst of verfranst: Anton Wilhelm, Anthony William, Antoine Guillaume; hijzelf prefereerde zijn Latijnse naam; ook komen de schrijfwijzen Gvilielmus, Guilelmus voor.

Er wordt nog steeds onderzoek naar Amo verricht.[1]

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Amo was een Nzema, een stam behorend tot de Akans. Hij werd geboren in Awukena in de omgeving van Axim in het huidige Ghana. Op de leeftijd van ongeveer vier jaar werd hij door de Nederlandse West-Indische Compagnie naar Amsterdam gebracht. Volgens sommige verklaringen werd hij als slaaf verscheept, volgens andere werd hij gestuurd door een predikant werkzaam in Ghana. Wat er ook van zij, toen hij eenmaal was aangekomen, werd hij ‘ten geschenke’ gegeven aan Anton Ulrich, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, die hem meenam naar zijn paleis in Wolfenbüttel.

Amo werd gedoopt en later gevormd in de kapel van het paleis. Hij werd behandeld als een lid van de familie van de hertog, en werd opgeleid aan de Wolfenbüttel Ritter-Akademie (1717-1721) en aan de universiteit van Helmstedt (1721-1727). Men veronderstelt ook dat hij Gottfried Leibniz, die een frequente bezoeker was van het paleis, heeft ontmoet. Vervolgens studeerde hij verder aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de universiteit van Halle (1727-1729). Hij rondde zijn studie daar binnen twee jaar af met het proefschrift: De iure Maurorum in Europa (De rechten van zwarten in Europa). Voor verdere studie (logica, metafysica, fysiologie, astronomie, geschiedenis, recht, theologie, politiek en geneeskunde, en zes talen: Duits, Engels, Frans, Grieks, Latijn en Nederlands) verhuisde Amo in 1730 naar Wittenberg. Zijn studie van de geneeskunde in het bijzonder speelde een centrale rol in veel van zijn latere filosofische denken.

Hij behaalde zijn doctoraat in de filosofie aan de universiteit van Wittenberg in 1734. Zijn proefschrift De humanae mentis apatheia (Over de Απαθεια van de menselijke geest; over de afwezigheid van gevoel in de menselijke geest en haar aanwezigheid in het biologische en levende lichaam) keert zich tegen het cartesiaanse dualisme en ondersteunt een materialistische visie. Hij accepteerde dat het juist is te spreken van een geest of ziel, maar stelde dat het lichaam waarneemt en voelt en niet de geest.

Hij keerde terug naar de universiteit in Halle om er te doceren. In 1738 verscheen zijn tweede grote werk Tractatus de arte sobrie et accurate philosophandi (Verhandeling over de kunst van het verstandig en zorgvuldig filosoferen), waarin hij een empirische epistemologie heel dicht bij die van filosofen als John Locke en David Hume ontwikkelt. Daarin ook onderzocht en bekritiseerde hij fouten zoals intellectuele oneerlijkheid, dogmatisme, en vooroordelen.

In 1740 aanvaardde Amo een leerstoel in de filosofie aan de universiteit van Jena. Daar werd hij geconfronteerd met een aantal kwalijke ontwikkelingen. De hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel was overleden in 1735, en daarmee was hij zijn jarenlange schutspatroon kwijt. Helaas viel dat samen met maatschappelijke veranderingen in Duitsland. De tijdgeest werd intellectueel en moreel steeds smaller en minder liberaal. De bestrijders van de secularisatie van het onderwijs (en van de rechten van de Afrikanen in Europa) herkregen de overhand over hen (zoals Christian Wolff), die een grotere wetenschappelijke en maatschappelijke vrijheid propageerden.

Amo kreeg een onaangename campagne van een aantal van zijn vijanden te verduren; hij werd onder meer gepersifleerd in een theater in Halle. Uiteindelijk besloot hij terug te keren naar zijn geboorteland. Met een schip van de West-Indische Compagnie bereikte hij Ghana via Guinee, omstreeks 1747. Zijn vader en een zus woonden er nog, maar van het verdere verloop van zijn leven is weinig bekend. Volgens ten minste één verslag werd hij in 1750 naar een Nederlands fort, Fort San Sebastian (ook bekend onder de naam Fort Chama of Shama), overgebracht, mogelijk om te voorkomen dat hij onrust zou zaaien onder zijn volk. De exacte datum, plaats en wijze van zijn overlijden zijn niet bekend, hij stierf wellicht in 1759 in Fort San Sebastian. Op zijn – nieuwe – grafsteen in Fort San Sebastian staat 1784.

Bibliografie[bewerken | brontekst bewerken]

  • (de) Burchard Brentjes, Anton Wilhelm Amo. Der schwarze Philosoph in Halle, Leipzig, Koehler & Amelang, 1976
  • (de) Johannes Glötzner, Anton Wilhelm Amo. Ein Philosoph aus Afrika im Deutschland des 18. Jahrhunderts, Munich, 2002
  • (de) Jacob Emmanuel Mabe, Anton Wilhelm Amo interkulturell gelesen, Nordhausen, 2007