Antropomorfisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Antropomorfisme is het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke wezens: het tonen of behandelen van dieren, goden en voorwerpen alsof ze menselijk zijn qua uiterlijk, karakter of gedrag. Het is een samenstelling van de Griekse woorden voor 'mens' (ἄνϑρωπος / ánthrōpos) en 'gedaante' (μορφή / morphē): "van menselijke gedaante". In de moderne wetenschap wordt er meestal van uitgegaan dat deze manier van denken onjuist is.

De humanoïde robot ASIMO lijkt op een astronaut

Literatuur[bewerken]

Voorbeelden van antropomorfisch gekleurd taalgebruik zijn: het 'edele paard', de 'dappere wolf', de 'ongenaakbare Mount Everest'. De boeken Alice in Wonderland, Peter Rabbit en Winnie de Poeh zijn klassieke voorbeelden van antropomorfisme. In literaire vorm komt het antropomorfisch denken vooral voor in fabels. Dit verhalengenre is al duizenden jaren oud (zie bijv. de fabels van Aesopus). Ook in strips, tekenfilms en advertenties worden met name dieren (soms ook planten en andere voorwerpen) vaak sterk geantropomorfiseerd. Ze praten en denken geheel als mensen en dragen vaak ook mensenkleren. Voorbeelden van dergelijke strips zijn De avonturen van Tom Poes (van Marten Toonder) en de vele strips en tekenfilms van Disney rond centrale figuren als Donald Duck en Mickey Mouse.

Levensbeschouwelijk antropomorfisme[bewerken]

Ook binnen de theologie kent men dit begrip. Over God of goden kan ook gedacht worden, alsof deze kenmerken hebben die op die van mensen lijken. In de Griekse mythologie vertoonden goden bijvoorbeeld zeer menselijke trekken, en ook zagen ze er grotendeels uit als mensen.

In de esoterie en theosofie gaat men ervan uit dat iedere aanduiding, woord of gedachte over het "onnoembare" antropomorfisch denken is. Daarom wordt daar niet over "God" gesproken zoals in de theologie. Men spreekt daar wel over goddelijke wezens, vergelijkbaar zoals bij de Griekse mythologie, maar men beschrijft dan eigenlijk bewust aspecten van de mens zelf. Bijvoorbeeld de god Eros als "de begeerte naar schoonheid" (zie Plato) en niet als antropomorfe godheid.

Evolutie[bewerken]

In het denken over dierenwelzijn is de algemene Westerse gedachte verschoven van het idee dat dieren ondergeschikt zijn aan de mens naar het idee dat mens en dier gelijkwaardig zijn aan elkaar, ofwel een evolutie van wat heet antropocentrisme vanuit de christelijke ethiek naar antropomorfisme.[1]

Zie ook[bewerken]