Naar inhoud springen

Gierzwaluw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Apus apus)
Gierzwaluw
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2025)
Een gierzwaluw vliegt aan op het nest; gierzwaluwen kunnen op de bodem slecht uit de voeten maar kunnen uitstekend tegen loodrechte muren hangen.
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Aves (Vogels)
Orde:Apodiformes (Gierzwaluwachtigen)
Familie:Apodidae (Gierzwaluwen)
Geslacht:Apus
Soort
Apus apus
(Linnaeus, 1758)

Verspreidingsgebied van de gierzwaluw

 broedgebied (rood)
 overwinteringsgebied (blauw)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Gierzwaluw op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De gierzwaluw (Apus apus) is een vogel uit de familie van de gierzwaluwen (Apodidae). Dit is de enige soort gierzwaluw die in Noordwest-Europa (en dus ook in Nederland en België) broedt. Daarnaast komen als broedvogel in Europa (en als dwaalgast in Nederland en België) nog voor: de vale gierzwaluw (Apus pallidus) en de alpengierzwaluw (Tachymarptis melba). Omdat deze soorten nogal van elkaar verschillen qua uiterlijk, gedrag en ecologie, gaat dit artikel alleen in op de 'gewone' gierzwaluw. Verschillen met andere gierzwaluwen worden hier en daar in de tekst uitgelicht.

Gierzwaluwen zijn zeer sterk aan het leven in de lucht aangepast. Buiten de broedperiode houden ze zich verscheidene maanden lang hoogstwaarschijnlijk zonder onderbreking in de lucht op.[2] Bij hun vluchtmanoeuvres kunnen ze in duikvlucht snelheden van meer dan 200 kilometer per uur bereiken.[3]

De gierzwaluw behoort niet tot de zwaluwen (Hirundinidae), waartoe de boerenzwaluw, huiszwaluw en oeverzwaluw behoren. De gierzwaluw behoort tot de familie Apodidae, en de orde gierzwaluwachtigen (Apodiformes). De vogel is meer verwant aan de kolibries dan aan de zwaluwen, die tot de orde van de zangvogels behoren. De gierzwaluw is ook niet verwant aan de nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), die behoort tot de familie Caprimulgidae.

Veldkenmerken

[bewerken | brontekst bewerken]

De totale lengte van snavelpunt tot staartveren is circa 17 centimeter, de spanwijdte ongeveer 40 centimeter. Hiermee is de gierzwaluw duidelijk groter dan zwaluwen zoals de boerenzwaluw en huiszwaluw. De vleugels zijn sikkelvormig, wat een kenmerkend vliegbeeld geeft. Het verenkleed is donkerbruin van kleur, de kin en keel zijn witachtig. In de lucht (tegen een lichte lucht) lijken ze eerder zwart. Ze eten insecten uit de lucht waar ze actief naar toe vliegen om ze uit de lucht te happen. Hiervoor maken ze enkele snelle vleugelslagen, waarna ze weer even zweven en hun vleugels stilhouden. Vliegen de insecten laag (bij minder mooi weer) dan vliegen de gierzwaluwen op zoek naar voedsel met grote snelheid langs struiken en houtwallen. Een volwassen gierzwaluw weegt gemiddeld 46 gram. Juvenielen zijn net als de ouders donkerbruin, waarbij elke veer een lichte rand heeft (het lijkt een beetje op schubben). Wel hebben de jongen (anders dan de ouders) een wit voorhoofd. Juvenielen worden nauwelijks waargenomen, omdat ze direct na het uitvliegen naar het zuiden trekken. De gemiddelde levensduur bedraagt ongeveer 6 jaar (maximaal 21 jaar), wat erg lang is voor een vogel van een dergelijke grootte.

Er is geen seksuele dimorfie: het mannetje en het vrouwtje zijn uiterlijk niet te onderscheiden. Mannetjes en vrouwtjes kunnen onderscheiden worden op basis van de roep. Dit is met name het geval wanneer beide vogels het nest verdedigen tegen indringers.

De gierzwaluw heeft in verhouding zeer lange sikkelvormige vleugels. De staart is relatief kort en gevorkt. De uitwendige snavel is relatief klein maar breed, waardoor deze ver geopend kan worden om de insecten te kunnen vangen in de vlucht.

Nederland en België

[bewerken | brontekst bewerken]

De gierzwaluw is in Nederland en België een algemeen voorkomende broedvogel van stedelijk gebied met een duidelijke voorkeur voor oude stadswijken. Gierzwaluwen leven het grootste deel van het jaar rondzwervend in Afrika. Half april tot begin mei komen de volwassen vogels terug op hun nesten in Nederland en België (in zuidelijker landen is dit eerder, in noordelijker landen later). Gierzwaluwen leven in verschillende leeftijdsgroepen.[4][5] en komen dus ook op verschillende momenten in Nederland aan (ontwikkeling van aantallen gierzwaluwen in de Sovon-tuintellingen, zie Gebiedenprotocol Gierzwaluw, Bijlage 2).[6] De onvolwassen vogels arriveren gedurende de maand juni, de jongen van vorig jaar pas eind juni-begin juli. De jongen vliegen uit van begin juli tot in september.[7] In de tweede helft van juli vindt de grote uittocht plaats van de gierzwaluwen (vogels die geen nest hebben). De broedvogels vertrekken enkele dagen tot 2 weken nadat de jongen zijn uitgevlogen.

Vroeger werd de gierzwaluw wel de 'Koninginnedag-vogel' genoemd (naar de datum van terugkeer) of de 'honderd-dagen-vogel' (naar de tijd dat ze in Nederland en België rondvliegen). Beide benamingen zijn onjuist omdat de broedvogels al half april kunnen arriveren terwijl ze tot in september aanwezig kunnen blijven om de jongen van late legsels te voeren (circa 150 dagen). De jonge vogels van vorig jaar blijven maar hooguit één maand in het broedgebied (circa 30 dagen).

Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 45.000-80.000 (telperiode 2018-2020).[8] Omdat er in Scandinavië minstens enkele honderdduizenden gierzwaluwen broeden, passeren er gedurende de trek belangrijke aantallen Nederland en België als doortrekker. De hoogste aantallen doortrekkende gierzwaluwen zijn geteld bij telpost Breskens in de maand mei in verschillende jaren (maximum: 41.365 op 26 mei 2012).[9]

De trend in het aantal broedparen in Nederland is niet met zekerheid vast te stellen omdat nesten moeilijk te vinden zijn.[8] In het Sovon-telprogramma MUS (Meetnet Urbane Soorten) worden de vliegende gierzwaluwen geteld. De trend van de aantallen is stabiel (wat wil zeggen dat er met dit meetnet geen toe- of afname van de gierzwaluw kon worden vastgesteld).

Het vermoeden bestaat dat de stand van de gierzwaluw de laatste decennia[(sinds) wanneer?] is afgenomen, door het verdwijnen van broedplekken onder daken als gevolg van sloop en renovatie van woningen. Aan de andere kant worden er steeds meer Soorten Management Plannen (SMP's) opgesteld en uitgevoerd, waardoor het aantal potentiële nestplekken weer stijgt.[10] Dit betreft dan met name de ingebouwde neststenen in gevels op het noorden en oosten.

De gierzwaluwluisvlieg (Crataerina pallida) is een soort vlieg die alleen parasiteert op de gierzwaluw. De vlieg lijkt door het afgeplatte lichaam en smalle naar achteren wijzende vleugels meer op een krekel dan op een vlieg. De vlieg zuigt met de bijtende monddelen het bloed van in nesten levende (lees broedende en juveniele) exemplaren, kan net als een teek het achterlijf laten opzwellen tijdens de maaltijd en kan eenmaal volgezogen meer dan een week zonder voedsel.

Door huizen als rotskliffen te gaan beschouwen hebben gierzwaluwen lang geleden hun oorspronkelijk broedareaal aanzienlijk verruimd. Ze zijn sindsdien algemeen voorkomende zomergasten geworden in steden en dorpen in heel Europa. Met hun gierende vluchten geven de gierzwaluwen zonnige zomeravonden in (oude) stadswijken een aparte sfeer.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, en ondanks zijn zeer korte pootjes (de wetenschappelijke naam komt van het Oud Griekse woord ἄπους, apous, wat "zonder voeten" betekent), kan een gierzwaluw die per ongeluk op de grond terechtkomt, wel degelijk opvliegen, als hij maar een vlakke ondergrond heeft met een paar meter aanloopafstand. Met behulp van zijn vleugels kan hij zich in een paar slagen voldoende afzetten om hoogte te nemen. Een (gezonde, volwassen) gierzwaluw laat men vrij door hem voorzichtig vanaf een hoog uitgestrekte hand te laten wegvliegen.

Doordat hij voor zijn voedselvoorziening volledig afhankelijk is van het aeroplankton, is de bereikbaarheid van het voedsel van de gierzwaluw sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Als er bij koud weer weinig insecten rondvliegen, passen de gierzwaluwen hun gedrag aan. De weinige insecten zijn dan nog te vinden laag boven de grond in de buurt van struiken en houtwallen. De gierzwaluwen vliegen dan laag en snel langs die vegetaties. Bij mooi weer vliegen de insecten hoger en kunnen de gierzwaluwen ze boven de kolonie uit de lucht happen. Het aantal voederingen van de jongen op dagen met slecht weer is geringer dan op dagen met mooi weer. Het kan zelfs gebeuren dat de ouders de hele dag op het nest blijven of alleen een snelle sanitaire vlucht maken. Ondanks de meldingen in de literatuur van een slaaptoestand of torpor bij gierzwaluwen, wordt dit in de nesten met camera's nooit waargenomen, ook niet bij slecht weer. Er wordt wel kort geslapen, maar de uitkomende veren van de jongen geven zoveel jeuk, dat de jonge vogels elke paar minuten wel aan hun veren pikken en daarmee ook de andere gierzwaluwen wakker maken (ze zitten met koud weer vaak met z'n allen bovenop elkaar op het nest).

Wat voor de broedende gierzwaluwen geldt, geldt niet voor de niet-broeders (specifieker: de vogels die geen nest hebben bezet). Deze vogels zijn niet gebonden aan het voeren van jongen of het verdedigen van een nestplek. Zij zijn vrij om met slecht weer de kolonie te verlaten en gebieden met mooier weer en meer insecten te bezoeken. Ze doen dit dan ook en kunnen tot 2 weken wegblijven, naargelang het weer. Als de luidruchtige niet-broeders vertrokken zijn, is het stil in de kolonie. Maar de oudervogels verlaten hun nesten niet en zijn elke nacht op het nest te vinden.

Gierzwaluwen zijn in landen als Nederland en België voor hun voortplanting gebonden aan (stedelijke) bebouwing, doordat ze nestelen onder daken en tegenwoordig ook in nestkasten en andere kunstnesten, die door beschermers met veel succes in het stedelijk milieu worden opgehangen. In gebieden met dikke bomen en spechtenholen kunnen gierzwaluwen ook broeden in bossen, buiten het stedelijk gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval in landen als Duitsland, Schotland en Frankrijk.[11] In Nederland is eenmalig een succesvol broedgeval in een boom vastgesteld.[12]

De gierzwaluw leeft in kleinere en grotere troepen, vaak foeragerend met boeren-, huis- en oeverzwaluwen. In het voorjaar en de hoogzomer vinden onstuimige achtervolgingen plaats. De gierzwaluw broedt in losse kolonies.

Om de (beste) nestplaatsen vindt een felle concurrentiestrijd plaats. Eerstejaarsvogels broeden niet, maar houden zich wel in en om de kolonie op. In zogenaamde giervluchten vliegen ze samen met ouderejaars die nog geen nest hebben schreeuwend langs bekende nestplekken. Ze vliegen (en schreeuwen) alleen maar mee. De ouderejaars inspecteren wel degelijk de bezette en/of geschikte nestholtes. Later in het jaar kunnen deze minimaal 2 jaar oude vogels ook een nestplek bezetten. Zo niet, dan kunnen ze in een volgend seizoen intrekken in een nest waarvan (een van de) vaste broedvogels in de lente niet meer komen opdagen. Gierzwaluwen kunnen zo soms 3 tot 4 jaar zonder eigen nest (alleen maar vliegend) door het leven gaan.

Paartjes zijn gebonden aan hun nestplek waarnaar ze jaar na jaar terugkomen. Komt de eerste partner in het voorjaar terug bij het nest, dan wacht hij of zij op de oude partner. Maar na enkele dagen tot een week wordt er geprobeerd een nieuwe partner naar de nestplek te lokken. Lukt dit, dan is een nieuw paar ontstaan. Als de oude partner later alsnog arriveert, dan ontstaat er in de nestruimte een gevecht tussen de vogels van hetzelfde geslacht dat meerdere uren kan duren.

HIRUNDO APUS
(1770), Nederlandsche vogelen, KB

De gierzwaluw is een van de weinige dieren die zich vrijwel permanent in de lucht bevinden, en kan zich op de grond slechts uiterst moeizaam voortbewegen. De vogel kan zich daarentegen goed vasthouden aan loodrechte muren. De vleugelslag is zeer snel en stijf, de vlucht is cirkelend, wentelend en glijdend.

In feite vliegen gierzwaluwen vrijwel altijd. Alleen als ze zich op het nest bevinden als jong, of als volwassen vogel om te broeden of de jongen te verzorgen, vliegen ze niet. Tijdens de 10 maanden dat ze daar niet mee bezig zijn, brengen ze meer dan 99% van de tijd al vliegend door; sommige gierzwaluwen landen in die periode zelfs helemaal niet.[13][14] Gierzwaluwen zonder jongen en zonder nest brengen de nacht in de lucht door. Ze worden waargenomen op speciale radars boven het IJsselmeer in de zomermaanden tot wel 2,5 km hoogte.[15][16] De paring gebeurt meestal op het nest. Dit vindt meestal na middernacht plaats, tot wel 10 keer achter elkaar.[17] In de lucht vinden soms ook bewegingen plaats die op (eenmalig) copuleren zouden kunnen duiden. Of dit succesvol is en met wie dat gebeurt, is echter niet na te gaan.

De luidruchtige, snelle vluchten van groepen gierzwaluwen langs de daken in het broedseizoen (de zogenaamde giervluchten) zijn zeer kenmerkend, alsof ze elkaar allemaal achternazitten. In feite wordt aan de jonge (1-3 jaar oude) vogels aan elkaar doorgegeven waar de geschikte nestplekken zitten. Het geluid is een schel doordringend en aangehouden gierend ‘srie-srie’ of ‘skrieeh’. Als een oudervogel terugkomt op het nest wordt vaak ook één schreeuw gegeven, ter herkenning (de vogels herkennen elkaar aan het geluid). Als de ouders beide op het nest zitten, dan laten ze meestal gezamenlijk geschreeuw ('duet call') horen als er nieuwsgierige vogels bij de nestruimte komen.[18] Op het nest maken oudervogels (met name in de perioden dat er geen jongen zijn) zachte piepjes en plukken ze elkaars veren.

Tegenwoordig is de gierzwaluw voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning, en komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Maar de eigenlijke biotoop van de gierzwaluw zijn de lagere lagen van de troposfeer. Deze regio van de dampkring is constant in beweging, gierzwaluwen moeten bijgevolg tijdens hun permanente vlucht rekening houden met hoge- en lagedrukgebieden, luchtstromingen en onweders, om er maar enkele te noemen. Als geen ander weten zij uit deze fenomenen hun voordeel te halen, hetzij om voedsel te vinden, hetzij om verder te trekken.

Het voedsel van de gierzwaluw bestaat uit allerlei kleine geleedpotigen, die hoog in de lucht, bij geschikt weer ook laag bij de grond, in de vlucht worden gevangen. Op het menu staan vooral insecten zoals tweevleugeligen (vliegen en muggen), vliesvleugeligen (bijen, wespen en vliegende stadia van mieren) en kevers. Ook spinnen worden uit de lucht geplukt; deze kunnen niet vliegen maar laten zich aan hun spinsel wegzweven in de lucht om zich zo te verspreiden, zie ook herfstdraad. Broedende gierzwaluwen zoeken voedsel in de omgeving van het nest (wellicht tot zo'n 10 km van het nest vandaan). In Ierland is uit onderzoek gebleken dat gierzwaluwen naar Lough Neagh vliegen vanwege de grote aantallen vliegen en muggen aldaar, ook als dit 50 km van de nestplek gelegen is. In populaire literatuur wordt wel gesproken dat gierzwaluwen voedselvluchten van vele honderden kilometers zouden maken. Dit is in onderzoek echter nooit aangetoond. Het zou energetisch ook zeer inefficiënt zijn: een gierzwaluw vangt voedsel tijdens het vliegen. Daarbij kan hij een snelheid halen van 50 km/uur in één richting, maar meestal is dit minder doordat steeds naar een insect toegevlogen moet worden. Als een gierzwaluw dus 100 km verderop zou gaan voedsel zoeken, dan zou hij/zij daar (heen en terug) minimaal 4 uur over doen. In die tijd heeft de gierzwaluw zelf ook eten nodig, waardoor het voedsel (opgeslagen als voedselbal in de keelzak) grotendeels al weer op is tegen de tijd dat de gierzwaluw bij het nest terugkomt. Dit zou een strategie zijn om bij slechte weersomstandigheden toch voedsel voor de jongen te kunnen vinden. Echter, op camerabeelden van gierzwaluwnesten is te zien dat de vogels dan juist energie besparen door op het nest te blijven. De gierzwaluw is wat dit betreft een echte specialist: in tegenstelling tot andere soorten kunnen de jongen van een gierzwaluw langere tijd zonder voedsel. Bij soorten als koolmezen zou dit leiden tot het sterven van de jongen. Bij gierzwaluwjongen leidt dit alleen tot een tragere groei. Uiteraard moet dit geen week duren, want dan zullen ook de jongen van de gierzwaluw daar problemen mee krijgen.

Dus tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn (zoals een heel grote voedselbron), foerageren gierzwaluwen in het gebied rond het nest en weten ze daar de goede plekken te vinden bij verschillende weersomstandigheden en verschillende perioden in het broedseizoen.

Het voedsel dat aan de jongen gegeven wordt bestaat uit balletjes van 300 tot 500 insecten, die met speeksel in de keelzak tot een geheel wordt gemaakt. De jongen kunnen tot 20 balletjes per dag krijgen. Gierzwaluwen kunnen enkele dagen zonder voedsel, ook de jongen. Tegen de tijd dat de jongen uitvliegen, gaan de jongen meer hun vleugelspieren oefenen en slaan ze regelmatig voederbeurten over of komen ouders minder vaak met voedsel terug op het nest.

Voortplanting

[bewerken | brontekst bewerken]
De eitjes van de gierzwaluw, de donkere bolletjes zijn de poppen van de gierzwaluwluisvlieg.

De broedperiode van de gierzwaluw loopt van begin mei tot begin juli.[7] De broedduur bedraagt circa 18-20 dagen. Tussen het leggen van de eieren (meestal 2 tot 3) verlopen twee dagen. Mannetje en vrouwtje broeden beide en wisselen elkaar regelmatig af. Er wordt één broedsel per jaar grootgebracht. Beide vogels zorgen voor de jongen, die na 39-43 dagen uitvliegen.

Oorspronkelijk bestonden de broedplaatsen uit rotswanden (en wellicht ook oude bossen). Tegenwoordig wordt het nest gemaakt in donkere holten, onder daken of in anker- en stellinggaten van hoge gebouwen en torens, maar ook in lage huizen, soms nog in boomholten.[11] Over het algemeen broeden gierzwaluwen op plaatsen waar ze vrij in en uit kunnen vliegen: daken met een paar kapotte dakpannen, muurspleten, nissen onder daklijsten, plaatsen onder en tussen de daklijsten, op zolders, in nestkasten et cetera.

Het nest is een slordig bouwsel van materiaal, dat in de vlucht is opgepikt: vrucht- en zaadpluis, draadjes, veertjes maar ook soms vlinders, waterjuffers en tegenwoordig zelfs papier en licht plastic verpakkingsmateriaal bijvoorbeeld van snoepjes. Het wordt met speeksel aan elkaar gekleefd. Gierzwaluwen maken vaak gebruik van oude mussen- of spreeuwennesten, maar ze leggen hun eieren ook wel gewoon op de rommel die achter panlatten aanwezig is.

Het legsel bestaat gemiddeld uit 2,5 eieren[7], meestal 2 of 3, zelden 4. In koude zomers worden minder eieren gelegd. De eieren zijn langgerekt, dof wit en ongevlekt, de afmetingen zijn gemiddeld 25 x 16 mm. Gierzwaluwen zijn zeer honkvast en komen gewoonlijk elk jaar op hetzelfde nest terug waar ze al eerder gebroed hebben. Niet-broedende vogels overzomeren en enten zich op een bestaande kolonie.

Voorkomen en trek

[bewerken | brontekst bewerken]
Gierzwaluwen in de vlucht

Het broedgebied betreft geheel Europa ten zuiden van de poolcirkel en grote delen van Azië en het Midden-Oosten, tot in Marokko, Tunis en Tripoli. Het winterverblijf bevindt zich in Afrika, ten zuiden van de evenaar.

De voorjaarstrek begint rond half april, massaal eind april of begin mei en duurt tot half juni, soms iets later voor niet-broedende exemplaren. De gierzwaluw is een dag- en nachttrekker. Er zijn enkele februariwaarnemingen.

Bij harde oostenwind treedt stuwing op langs de kust. Doortrek speelt zich vaak op grote hoogte af, en onttrekt zich dan aan de waarneming.

Afhankelijk van het weer kan de herfsttrek in West-Europa reeds in de loop van juli beginnen. In de loop van augustus zijn de meeste gierzwaluwen dan verdwenen, hoewel er nog steeds ouders rondvliegen die de jongen uit late broedsels voeren. Vogels uit Noord-Europa vertrekken later en worden vervolgens in West-Europa als doortrekker in september en soms tot in oktober waargenomen. Er zijn enkele november- en decemberwaarnemingen. De trekrichting is hoofdzakelijk zuidwestelijk tot zuidelijk.[19]

De soort telt twee ondersoorten:

In de Nederlandse taal

[bewerken | brontekst bewerken]

Apodophoria is de gemoedstoestand van de gierzwaluwfans wanneer ze de eerste vogels in april weer te horen en zien krijgen. Mauerseglerschmerz verwijst dan weer naar de nostalgie waarmee de gierzwaluwfan overvallen wordt wanneer de gierzwaluw naar het zuiden is vertrokken.

Zoek gierzwaluw op in het WikiWoordenboek.