Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948
Onderdeel van het Arabisch-Israëlisch conflict
Oorlogstoneel in mei / juni 1948
Oorlogstoneel in mei / juni 1948
Datum 15 mei 1948 - 10 maart 1949 (Definitieve wapenstilstand overeenkomst op 20 juli 1949)
Locatie Midden-Oosten
Resultaat Wapenstilstand; vestiging van Israël op ongeveer 78% van het Mandaatgebied van 1948
Casus belli Israëlische onafhankelijkheidsverklaring
Strijdende partijen
Flag of Israel.svg Israël Flag of Egypt (1922–1958).svg Egypte

Flag of Syria (1932-1958; 1961-1963).svg Syrië
Flag of Jordan.svg Transjordanië
Flag of Lebanon.svg Libanon
Flag of Iraq (1921–1959).svg Irak
Flag of the Mutawakkilite Kingdom of Yemen.svg Jemen
Flag of Saudi Arabia.svg Saoedi-Arabië

Leiders en commandanten
Yaakov Dori

Yigael Yadin

John Bagot Glubb

Abd al-Qadir al-Husayni
Hasan Salama
Fawzi Al-Qawuqji
Anwar Sadat

Troepensterkte
- 29.677 soldaten in het begin

- 108.300 soldaten in december 1948

Egypte

- 10.000-20.000 soldaten

Syrië
- 2500–5000 soldaten

Irak
- 5000-18.000 soldaten

Transjordanië
- 6000–12.000 soldaten

Libanon
- 1000-2000 soldaten

Jemen
- onbekend

Saoedi-Arabië
- 800–1200 soldaten

Verliezen
- ca. 4000 soldaten gedood

- ca. 2400 burgers gedood

Wordt geschat tussen de 5000 en 15.000

ca. 750.000 Palestijnen verdreven

Partition map
David Ben Goerion leest de Onafhankelijkheidsverklaring voor, 14 mei 1948
Vrijwillige Arabische strijders
Joodse bewoners evacueren de oude stad van Jeruzalem via de Poort van Zion
Palestijnse vluchtelingen

De Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 (Arabisch: النكبة al-Nakba, "De Ramp"; Hebreeuws: מלחמת העצמאות, Milchemet Ha'atzma'oet, "De Onafhankelijkheidsoorlog") tekende zich af in 1947 als een burgeroorlog tussen Arabische en Joodse inwoners van het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina. Kort voordat de Britten zich op 15 mei 1948 uit het Mandaatgebied Palestina terugtrokken, riepen de Joodse leiders de onafhankelijke staat Israël uit, waarop de strijd zich voortzette als een conventionele oorlog tussen deze nieuwe staat en de omliggende Arabische landen.

Voorgeschiedenis[bewerken]

In de 19e eeuw ontstond er onder Joden van Oost-Europa een, vooral seculiere, ideologie, zionisme genaamd, die tot de vorming van een nationale Joodse staat wilde komen, waarbij als locatie, naast Argentinië en later ook Oeganda, vooral aan Palestina, het Bijbelse "Beloofde Land", werd gedacht.

Het zionisme ontstond als reactie op enerzijds de voortdurende vervolgingen waaraan Joden in met name Oost-Europa blootstonden en anderzijds uit angst voor het verdwijnen van de Joodse cultuur, doordat steeds meer Joden wilden assimileren. Dit zionisme was sterk geïnspireerd door nationalisme en kreeg een sterke impuls door de Holocaust tijdens nazi-Duitsland, de Duitse bezetting van een groot deel van Europa, waarbij speciale Duitse eenheden op Joden joegen. Dit versterkte het verlangen naar een 'veilige' thuishaven voor de Joden.

Palestina[bewerken]

Vanaf 1516 was Palestina onderdeel van het uitgestrekte Ottomaanse Rijk. In 1878 woonden er bijna een half miljoen mensen, waarvan drie procent Joods was[1]. Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zouden onder invloed van het zionisme meer dan 60.000 Joden zich in Palestina vestigen. De inheemse bevolking, die bestond uit tientallen bevolkingsgroepen die ook meer dan 50 talen spraken[2][3] en waarvan Arabieren verreweg de grootste groep vormden, zag deze Joodse immigratie met lede ogen aan. Intussen bleven tegenmaatregelen van de kant van de regering in Istanbul beperkt, ondanks herhaalde oproepen hiertoe door Palestijnse notabelen. Volgens de, later door de Britse autoriteiten uitgevoerde, volkstellingen waren in sommige steden, waaronder Jeruzalem de Joden in de meerderheid.

Mandaatgebied Palestina[bewerken]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog streed Groot-Brittannië in het Midden-Oosten tegen het Ottomaanse Rijk. De Britten deden drie verschillende beloftes aangaande het te veroveren grondgebied:

Na de Ottomaanse nederlaag deelde de Volkenbond het Ottomaans Arabië op in verschillende gebieden en verdeelde het mandaat daarover tussen Groot-Brittannië en Frankrijk. Het mandaat hield in dat de bevolking van elk afzonderlijk mandaatgebied geleidelijk aan zou worden voorbereid tot zelfstandigheid. In het mandaat over Palestina, dat aan de Britten werd toegekend, was ook bepaald dat de mandaatvoogd de vestiging van een Joods nationaal tehuis in het gebied zou bewerkstelligen, met inachtneming van bestaande rechten van de inheemse bevolking.

Hiermee nam de Volkenbond het Sykes-Picotverdrag en de Balfour-verklaring in acht, legde de beloftes uit de Hoessein-McMahoncorrespondentie naast zich neer, en negeerde de wensen van de Arabische bevolking die zich sterk had uitgesproken tegen de Balfour-verklaring en aansluiting zocht bij Syrië.[4] Dit baande de weg voor de zionisten om onder bescherming van de Britten om de veelal illegale immigratie naar Palestina te propageren, land op te kopen en het Palestijns-Arabisch nationalisme te onderdrukken. David Ben Gurion, die in 1946 Weizmann opgevolgd was als president van de Zionistische Wereldorganisatie was begonnen met eventuele plannen om Palestina over te nemen zodra de Britten weg waren. Dit resulteerde in twee plannen: Plan Gimel, (Plan C) dat onder meer inhield het optreden tegen tegenstanders van zionisme, moord op Palestijnse leiders en financiers en verwoesting van de civiele infrastructuur; en Plan Dalet (Plan D) dat de systematische en totale verdrijving van Palestijnen uit hun thuisland moet realiseren als consequentie van de opkomende militaire strijd met de Arabieren.[5].

De totstandkoming van deze verdragen ten gunste van de zionisten, waarbij voorbijgegaan werd aan de afspraken met de Arabieren leidde tot hevige conflicten. Dit resulteerde uiteindelijk in 1948 in de verovering van 78% van het mandaatgebied Palestina door de zionisten.[6]

Vanaf 1944 was Walter Guinness (Lord Moyne) ambassadeur (Resident Minister of State) in Caïro (Egypte), met toezicht over Perzië, het Midden-Oosten inclusief het Britse Mandaatgebied Palestina, en Afrika. Guinness was van mening dat Palestijnen en Joden met elkaar in mandaatgebied Palestina moesten samenleven en voelde niets voor een Joods regime in dat gebied zoals de zionisten voor ogen stond. Op 6 november 1944 werden Guiness en zijn chauffeur door twee leden van de Joodse terreurgroep Lechi in Caïro vermoord.

De Egyptenaar Abdul Rahman Hassan Azzam was sinds 1945 de eerste secretaris-generaal van de Arabische Liga.

Verdeling[bewerken]

Op 3 september 1947 werd er door de UNSCOP (Special Committee on Palestine) van de Verenigde Naties een voorstel ingediend voor verdeling van het mandaatgebied Palestina na het beëindigen van het Britse mandaat. Deze voorzag in de opdeling van het grondgebied in een Arabische staat, een Joodse staat en een internationaal bestuurd gebied rondom Jeruzalem. Hierbij werd 56% van het grondgebied waaronder de Negev toegekend aan de inmiddels 650.000 Joden in Palestina, en 43% bleef aan de 1,3 miljoen Arabieren. De Palestijnse leiders wezen het plan af als zijnde een onwettige inbreuk op hun recht als inheemse bevolking, zij wilden het land als een geheel houden. De Joodse leiders daarentegen gingen er uit tactische overwegingen mee akkoord hoewel hun voornaamste doel, het bezit van Jeruzalem, niet gehaald werd.[7][8]

Op 29 november 1947 werd de (Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties) aangenomen nadat de grootste Joodse delegaties ermee akkoord waren gegaan. De Arabische delegaties daarentegen hadden dit voorstel afgewezen omdat zij Palestina als een geheel wilden houden.[9]

Quotes[bewerken]

Op 18 september 1947 had David Ben-Gurion, die in 1946 Weizmann opgevolgd was als president van de Zionistische Wereldorganisatie over Azzam, die anti-Joodse rellen in Egypte had veroordeeld, gezegd: "Azzam is de meest eerlijke en humane van de Arabische leiders... een van de weinige Arabieren in de wereld die een humane levensopvatting en idealen heeft."

Op 11 oktober 1947 verklaarde Azzam in een vraaggesprek met de Egyptische krant: "Persoonlijk hoop ik dat de Joden ons niet tot deze oorlog dwingen, want het zou een uitroeiingsoorlog en een ontzettende slachting kunnen worden waarover later net zo gesproken zal worden als over het Mongoolse slachting en de oorlog met de Kruisvaarders."[10]

Twee weken vóór het vraaggesprek, dus eind september 1947, had Azzam een ontmoeting met twee personen van de zionistische lobby. Volgens één van hen zou hij gezegd hebben: We zullen trachten jullie te verslaan. Ik ben niet zeker of we daarin slagen. We zijn in staat geweest de kruisvaarders te verslaan, maar aan de andere kant verloren we Spanje en Perzië. Het zou kunnen dat we Palestina verliezen. Maar het is te laat om over vreedzame oplossingen te praten.

Ben-Gurion, die op de hoogte was van deze ontmoeting resumeerde in een bijeenkomst met leden van zijn partij[bron?] Azzam's woorden als volgt: "Zoals we tegen de kruisvaarders vochten, zo zullen we tegen jou (Joden) vechten en we zullen je van de aardbodem wegvagen". Hij voegde eraan toe dat oorlog niet te vermijden was.[11] Dit onjuist weergegeven citaat, waarin woorden zijn weggelaten[12], is door de jarenlange publicatie ervan -ook als zou deze uitspraak op 15 mei 1948 gedaan zijn-, vaak door Israël gebruikt als bewijs dat de Arabieren van plan waren Israël te vernietigen.[13]

Op 24 november 1947 waarschuwde de Egyptische vertegenwoordiger bij de VN, Heykal Pacha, dat als de VN "een deel van Palestina zouden amputeren om een Joodse staat te vormen" dit tot bloedvergieten zou leiden, en dat dit bloedvergieten niet tot Palestina beperkt zou blijven. Hij verklaarde dat in de Arabische landen Joden en Arabieren tot dan toe steeds vreedzaam samenleefden, maar dat als er in Palestina Arabisch bloed vergoten zou worden, dit onvermijdelijk elders in de Arabische wereld tot vergelding tegen Joden zou leiden, ondanks oprechte pogingen van de Arabische regeringen om dat te voorkomen.[14]

Azzam zou de kracht van de Arabische legers sterker hebben ingeschat dan die van het zionistische leger. De Britse diplomaat Alec Kirkbride schrijft over een gesprek dat hij op 15 mei 1948 had met Azzam, die erg onzeker was: "Toen ik hem vroeg naar zijn schatting van de omvang van de Joodse strijdkrachten, wuifde hij met zijn handen en zei: 'Het doet er niet toe hoeveel er zijn, we zullen ze de zee in vegen'."[15] Op 21 mei 1948, toen de oorlog volop woedde, verklaarde Azzam: "Wat de afloop ook is, de Arabieren zullen zich houden aan hun aanbod van gelijkwaardig burgerschap voor de Joden in Arabische Palestina en hen zo Joods laten zijn als zij willen."[16]

Beginfase[bewerken]

Direct na het aannemen van resolutie 181 waren de Arabische Palestijnen in groten getale de straat opgegaan om ertegen te protesteren waarbij Joodse bussen en winkels en een synagoge werden vernield. Joodse milities vielen Palestijnse dorpen en stadswijken aan en dreven bijna 75.000 mensen op de vlucht. De Arabieren legden met gerichte aanvallen het verkeer in Palestina grotendeels lam. De verspreid liggende Joodse landbouwnederzettingen werden door de Hagana, die ook vergeldingsaanvallen uitvoerde, verdedigd. De stad Jeruzalem, waarin een zesde deel van de Joden in Palestina woonde, werd grotendeels van de buitenwereld afgesneden en was alleen met gewapende konvooien bereikbaar. De voedselsituatie in Jeruzalem werd nijpend. De Joodse paramilitaire terreurgroepen Lechi en Irgun/Etsel voerden grote bomaanslagen uit in Tel Aviv, Jaffa, Haifa en Jeruzalem waarbij honderden slachtoffers vielen.

Al vanaf 1946 had Ben-Gurion zich beziggehouden met voorbereidingen om Palestina over te nemen. In maart 1948 begon de Hagana, de voorloper van het Israëlische defensieleger, na reeds in de voorgaande jaren de Plannen A, B en C (optreden tegen tegenstanders van zionisme, moord op Palestijnse leiders en financiers en verwoesting van de civiele infrastructuur) uitgevoerd te hebben, met de uitvoering van Plan D, het Plan-Dalet dat voorzag in het verdedigen van de grenzen van de nieuw te vormen Joodse staat, alsook het veroveren van grondgebied buiten het door Resolutie 181 toegewezen deel. Doel was ook om de wegen en de verbinding tussen Tel Aviv en Jeruzalem veilig te stellen en te herstellen. Evenals de systematische en totale verdrijving van Palestijnen uit hun thuisland wat de consequentie moest zijn van de opkomende militaire strijd met de Arabieren. [17] hoewel dit niet het officiële zionistische plan was.[18]. In april 1948 was een grote Tsjechoslowaakse wapenlevering aangekomen voor de Hagana, waardoor deze het initiatief naar zich toe kon trekken.

In januari 1948 kwam een Arabisch vrijwilligerslegioen de Palestijnen te hulp. De grootmoefti Amin al-Hoesseini van Jeruzalem riep openlijk op tot uitroeiing van alle Joden in Palestina[bron?].[19] waarna de Joodse leiding openlijk overging van vergeldingsacties tot gedwongen uitzettingen.[20]

Eén van de verrichtingen van de Etsel en de Lechi was het bloedbad van Deir Yassin, een Palestijns dorp op de route van Tel Aviv naar Jeruzalem op 90 april 1947. Dit 750 inwoners tellende dorp, ten westen van Jeruzalem, lag buiten het door de VN aangewezen Joodse gebied. Omdat de Hagana en Deir Yassin een vredesovereenkomst hadden, werden voor deze operatie de eenheden van de Joodse paramilitaire terreurorganisaties Etsel en Lechi ingezet[21] Na een mislukte aanval op Deir Yassin door 130 van die strijders in de nacht/vroege ochtend van 8 op 9 april 1948 kwamen elitetroepen van de Hagana hen te hulp om het verzet uit te schakelen. De Etsel- en Lechistrijders dreven de dorpelingen uit hun huizen -waaronder vrouwen, kinderen en bejaarden- en doodden tussen 100 en 120 van hen.[22] De Hagana veroordeelde uiteindelijk het bloedbad in Deir Yassin en bood verontschuldigingen aan aan koning Abdoellah.[23] waarna de Hagana door Ben-Goerion werd opgedragen de Etsel en Lechi te ontwapenen.[24] Dit gebeurde echter niet.[25] Drie dagen na het bloedbad werd Etsel officieel een onderdeel van de Hagana, met behoud van de aparte militaire structuur.[25]

Op 13 april 1948 vond een aanval door Arabische milities plaats op een konvooi van 10 voertuigen, met voornamelijk Joodse artsen, verpleegsters en leraren op weg naar het (door zionisten gestichte) Hadassah Ziekenhuis, in de campus van de Hebreeuwse Universiteit op de Scopusberg in Jeruzalem. De Britten weigerden tussenbeide te komen en het lukte de Palmach, de gewapende tak van de Hagana, niet om het konvooi te beschermen. Na 6 tot 7 uur kwamen de Britten alsnog tussenbeide. In totaal kwamen tijdens deze actie 77 Joden om door wapenvuur of zij verbrandden toen hun voertuigen in brand werden gestoken. De Amerikaanse consul in Jeruzalem, Thomas C.Wasson, werd op 23 mei 1948 doodgeschoten in West-Jeruzalem dat zich onder Joodse controle bevond. Hij zou geschreven hebben over grote aantallen munitie en wapens in het ziekenhuis. Het is onduidelijk of de moord door Arabieren of door Joden is begaan.[26]

In de fase voor 15 mei 1948 vochten ongeveer 10.000 Arabieren, waaronder 3000 tot 5000 van buiten Palestina, tegen 30.000 tot 50.000 Joden.[27] Volgens Morris hadden de Joden extra voordeel vanwege hun betere organisatie. In april en mei voerde de Haganah offensieven op brigade-niveau uit. Rond half mei waren de Palestijnen en hun buitenlandse hulptroepen 'grondig verslagen'.[28] Een dag voor de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring werd in Kfar Etzion, dat in het Verdelingsplan Arabisch zou blijven, een bloedbad aangericht.

Hoofdfase[bewerken]

In de nacht vóór 15 mei 1948, de dag waarop de Britse troepen het mandaatgebied zouden verlaten, riepen de Joodse leiders onder leiding van Ben-Gurion (die vervolgens de eerste premier van Israël werd) de onafhankelijke staat Israël uit. Daarop viel op 15 mei een coalitie van Arabische landen Palestina binnen. In de voorafgaande maanden was al een derde van de Palestijnse bevolking op de vlucht geslagen, ondanks het feit dat de Britten nog officieel verantwoordelijk waren voor de ordehandhaving en het beschermen van de bevolking. Wegens verbondenheid met het lot van de Palestijnen en uit verzet tegen de aanwezigheid van een Joodse staat in het Midden-Oosten kozen de leiders van de nieuwe Arabische staten ervoor reguliere legers in te zetten, hoewel ze tot de laatste dag van het mandaat tevergeefs wachtten op een reactie van de Britse troepen op het escalerende geweld.

Onbekend bij de andere Arabische leiders was, dat koning Abdoellah I van Jordanië een geheime overeenkomst met de Joodse leiders had gesloten om Palestina onderling te verdelen in ruil voor steun aan de geplande opdeling van Palestina.[29] Hierdoor zou het Jordaanse leger vrijwel zonder slag of stoot het gehele gebied hebben kunnen bezetten dat later bekend zou staan als de Westelijke Jordaanoever. Aangezien de Joodse leiding en koning Abdoellah beiden aanspraak maakten op Jeruzalem dat volgens Resolutie 181 een internationaal bestuurd gebied zou worden, werd de status van de stad buiten deze overeenkomst gehouden.

Op 18 mei 1948 bezetten Joodse strijdkrachten Acre en verdreven ten tweeden male de Palestijnse vluchtelingen afkomstig uit Haifa.[30]

Op 19 mei viel het Arabische Legioen Jeruzalem binnen waar de Hagana, het Israëlische leger, het westelijke deel had veroverd en in hevige strijd verwikkeld was met de Arabische bevolking. De Palestijnen/Arabieren behielden het oostelijke deel waarin de Oude Stad (Jeruzalem) gelegen was.

Iraakse troepen, die meevochten aan Jordaanse zijde, slaagden erin een Israëlische aanval op de stad Jenin af te slaan. 10.000 Egyptische troepen trokken de Negev in en veroverden een aantal geïsoleerde Joodse nederzettingen. Syrische en Libanese troepen trokken de grenzen met Palestina over, maar stuitten weldra op zware tegenstand van de Joodse nederzettingen nabij de grens.

Na vijf dagen van gevechten besloten de Verenigde Naties het beleid ten aanzien van Palestina te herzien en stelden graaf Folke Bernadotte aan als bemiddelaar, met de opdracht een alternatief aan te bevelen voor resolutie 181. De Veiligheidsraad riep op tot een wapenstilstand. Ook stelde de raad een wapenembargo in. Het gebrek aan wapens en munitie trof beide partijen, maar tijdens deze gevechtspauze importeerde Israël clandestien grote hoeveelheden zwaar geschut uit Oost-Europa, met name uit Tsjecho-Slowakije. Pas op 10 juni werd gehoor gegeven aan de wapenstilstand. Op 8 juli 1948 werd de strijd weer voortgezet en veroverden de Joodse troepen het hele vroegere mandaatgebied op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook na. Daarmee kreeg de nieuwe Joodse staat 78 procent van Palestina in handen.

OP 17 september 1948 werd Graaf Folke Bernadotte vermoord door de Lechi (of Sterngang) een Joodse terreurgroep die hem te pro-Palestijns vond.

Einde en nawerking[bewerken]

Begin 1949 werden op het eiland Rodos wapenstilstanden gesloten, niet via een multilaterale overeenkomst, doch via aparte, bilaterale overeenkomsten met Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië. Irak weigerde een staakt-het-vuren te tekenen en verliet de veroverde Palestijnse gebieden in het voordeel van Jordanië.

Voor de staat Israël betekende dit dat deze een groter en minder onregelmatig gevormd gebied kreeg dan in 1947 was vastgesteld, maar voor de Palestijnen was de uitkomst desastreus. De overgebleven delen van Palestina waren bezet en later geannexeerd door Jordanië (de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem) of door Egypte (de Gazastrook).

Het verlies van hun land wordt door de Palestijnen al-Nakba ('de catastrofe') genoemd.

Vluchtelingen[bewerken]

Het conflict heeft volgens de VN geleid tot een vluchtelingenstroom van 711.000 Arabische Palestijnen die alles moesten achterlaten. 400 Palestijnse dorpen raakten daardoor ontvolkt.[31] Tussen 1949 en 1953 konden tussen de 30.000 en 90.000 Palestijnen terugkeren naar hun legale woonplaatsen in de nieuwe staat Israël.

Het meest langdurige vluchtelingenprobleem is dat van de Palestijnse vluchtelingen. Volgens de beschrijving van de V.N.-Vluchtelingenorganisaties zijn er anno 2014 meer dan 5 miljoen[32][33]. Voor deze vluchtelingen is nog geen oplossing in zicht. 1,5 miljoen van deze vluchtelingen woont in een van de 58 vluchtelingenkampen[32]. Deze mensen zijn sindsdien stateloos. Critici merken op dat hierbij sprake is van een 'afwijkende definitie', omdat bij andere volkeren hun nakomelingen niet als vluchteling geboekstaafd zijn. Volgens die definitie zouden er anno 2012 nog 30.000 zijn[34] De

Vanaf 1948, tot eind jaren 70, vluchtte of migreerde het merendeel van de 856.000 Joden in de Arabische wereld als gevolg van deze oorlog,[35][36] meestal onder achterlating van al hun bezittingen.[37] Ongeveer 400.000 van hen kwamen tussen 1948 en 1951 in Israël aan en maakten 56% uit van het totaal aantal immigranten in de nieuw gevormde staat.[35] In 1972 waren 586.000 van hen in Israël opgevangen. De overigen waren naar Amerika en Europa (met name Frankrijk) gegaan.

Zie ook[bewerken]