Arabische wereld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De landen die gerekend worden tot de Arabische wereld zijn groen gekleurd.

Met de Arabische wereld ( العالم العربي Al-Alam Al-Arabi) worden 22 landen aangeduid waar men overwegend Arabisch spreekt. Het zijn de landen waartussen via de Arabische Liga wordt getracht een zekere eenheid tot stand te brengen. De Arabische wereld wordt vaak verward met de islamitische wereld, die naast alle Arabisch sprekende landen ook niet-Arabisch sprekende islamitische landen omvat zoals Pakistan, Indonesië, Iran, Turkije en een aantal West-Afrikaanse en Centraal-Aziatische staten.

Definitie[bewerken]

In 1946 heeft de Arabische Liga de volgende definitie van het begrip 'Arabier' gegeven: Een Arabier is iemand wiens moedertaal Arabisch is, die woont in een Arabisch land en sympathie heeft voor Arabische ambities. Aan deze definitie voldoen ruim 300 miljoen mensen, die wonen in de 22 landen van de Arabische wereld. De Arabische wereld wordt vaak ook gewoon aangeduid als 'Het Midden-Oosten en Noord-Afrika'.[bron?] Deze term wordt vooral in het Westen veel gebruikt, die het de MENA-regio (Middle East and North Africa) noemen, al omvat die regio in veel definities ook Israël en Iran. Vaak wordt het ook gewoon het Grote Midden-Oosten genoemd, maar dan worden ook de niet-Arabische landen Turkije, Israël en Iran ertoe gerekend. Tot de Arabische wereld worden de lidstaten van de Arabische Liga gerekend, een samenwerkingsorganisatie die in 1945 met steun van het Verenigd Koninkrijk is opgericht in Caïro, met als doel de banden tussen de onderlinge Arabische staten te versterken. De eerste lidstaten waren Egypte, Libanon, Syrië, Irak, Transjordanië en Saoedi-Arabië, maar al gauw traden er meerdere landen toe, totdat ze nu alle Arabische landen omvatte. De UNESCO hanteert als cultuurregio ook 'de Arabische staten', waarin ook de Arabische Liga-lidstaten zitten, met uitzondering van Somalië, Djibouti en de Comoren.

Staten[bewerken]

Staten die tot de Arabische wereld worden gerekend:

  1. De Democratische Volksrepubliek Algerije
  2. Het Koninkrijk Bahrein
  3. De Unie der Comoren
  4. De Arabische Republiek Egypte
  5. De Republiek Djibouti
  6. De Republiek Irak
  7. De Republiek Jemen
  8. Het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië
  9. De Staat Koeweit
  10. De Republiek Libanon
  11. De Libische Republiek
  12. Het Koninkrijk Marokko
  13. De Islamitische Republiek Mauritanië
  14. Het Sultanaat Oman
  15. Palestijnse gebieden
  16. De Staat Qatar
  17. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië
  18. De Republiek Soedan
  19. De Federale Republiek Somalië
  20. De Arabische Republiek Syrië
  21. De Republiek Tunesië
  22. De Verenigde Arabische Emiraten

Unificatiepogingen in de twintigste eeuw[bewerken]

Er zijn in het verleden talrijke pogingen tot (gedeeltelijke) eenwording ondernomen. Deze werden veelal geïnspireerd door een beweging die het panarabisme wordt genoemd. Enkele gebeurtenissen:

De gouden tijd van de islam[bewerken]

Vanaf de zevende eeuw kende de islam een enorme expansie. Vanaf die tijd tot ongeveer de twaalfde eeuw kende de islam haar ‘Gouden Jaren’, waarbij er in de Arabische wereld een roemrijke opbloei plaatsvondt. Deze periode wordt ook wel de Islamitische Gouden Eeuw genoemd (622- 1258). Naast de veroveringen die reikten van Noord-Afrika tot India werd de aanval op Europa al vroeg ingezet. Hoogtepunten waren onder meer de verovering van Andalusië en het Zuiden van Italië (begin 8ste eeuw), de slag bij Poitiers (732), de plundering van Rome (846), de val van Constantinopel (1453), de verovering van de Balkan (16de eeuw) en het herhaalde beleg van Wenen (1529 en 1683). Ook de Arabische wetenschap maakte een bloeiperiode door.

Na deze bloeiperiode trad stagnatie op.

Huidige kenmerken van landen in de Arabische wereld[bewerken]

Over de stagnatie in de kernlanden van de Islam kan in onze tijd geen twijfel bestaan. De meeste Arabische landen hebben grote sociaal-economische en politieke problemen gemeen. Opeenvolgende versies van het Arabisch rapport van menselijke ontwikkeling wijzen op onvrijheid, de zwakke positie van vrouwen en een kennisachterstand. De religieuze macht in de huidige Arabische wereld is zo groot, dat ze de politieke macht dreigt te verdringen. De meeste regimes zijn autoritair. Vaak worden wel verkiezingen gehouden, maar deze verlopen lang niet altijd eerlijk. Media krijgen regelmatig te maken met censuur. De mensenrechten worden hierdoor aangetast. Economisch gaat het, afgezien van de olieinkomsten, niet zo goed. Er is een groot gebrek aan banen voor de -gemiddeld genomen- zeer jonge bevolking. De kloof tussen rijk en arm is groot. Corruptie en Analfabetisme komen veel voor. Volgens een onderzoek van de Wereldbank in 2008, is het onderwijs in de hele Arabische wereld slechter dan dat in landen met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling.

In 2011 kwam er in vele landen uit de Arabische Wereld protest op gang, in reactie op de slechte omstandigheden. In Tunesië leidde de Jasmijnrevolutie tot de val van de regeringsleider Ben Ali. De Egyptische Revolutie leidde tot de val van president Mubarak en in Libië kwam er na de Opstand in Libië een einde aan het regime van Moammar al-Qadhafi. In Jordanië en Marokko kwam langs vreedzame weg de gematigde islamitische oppositie aan de regering. In Syrië lopen demonstraties die in 2011 begonnen in 2012 uit op een opstand in Syrië met sectarische tendenzen: het regime van Alawieten gesteund door Iran en Hezbollah versus Soennieten gesteund door de Arabische Liga en het westen.

Zie ook[bewerken]