Argonautica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Argonautica
Gravure van de Argonauten die de Symplegaden passeren. Bernard Picart, 1733
Oorspronkelijke titel Ἀργοναυτικά
Auteur Apollonius Rhodius
Vertaler Varro Atacinus (Latijn), Janus Lascaris, Wolther Kassies (Nederlands)
Land Oude Griekenland
Oorspronkelijke taal Oudgrieks
Onderwerp zoektocht van Jason en de Argonauten naar het Gulden Vlies
Genre Epos
Uitgiftedatum origineel ca. 250 v.Chr., 3e eeuw v.Chr.
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
De bouw van de Argo.

De Argonautica is een Oudgrieks epos, het bekendste werk van de hand van de Alexandrijnse dichter Apollonius Rhodius, geschreven tijdens zijn adolescentie in de 3e eeuw v.Chr. (rond 250 v. Chr)

Korte inhoud[bewerken | brontekst bewerken]

Het verhaal gaat over de zoektocht van Jason en de Argonauten naar het Gulden Vlies, en hoe ze uiteindelijk met hun schip de Argo (gebouwd door scheepmaker Argos en door Athena van een sprekende balk voorzien) in het mythische Colchis aankomen. Daar weigert de plaatselijke koning Aietes het Gulden Vlies aan de Argonauten te geven, tenzij Jason een reeks onmogelijke opdrachten kan uitvoeren. Met de hulp van de goden (vooral van Hera en Aphrodite) wordt prinses Medea, de dochter van Aietes, verliefd op Jason, en helpt ze hem met haar magie om de opdrachten uit te voeren. Daarna vluchten de Argonauten uit Colchis met het Gulden Vlies, maar tijdens die vlucht doden ze wel de broer van Medea, Absyrtus. Als straf hiervoor moeten ze van Zeus lang rondzwerven voor ze uiteindelijk op het eiland Aegina in Griekenland aankomen, waar het verhaal eindigt.[1]

Kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

Inhoud en stijl[bewerken | brontekst bewerken]

In het werk stelt de dichter zich op als poeta doctus (de geleerde dichter). Hij laat graag zien dat hij veel weet. De ene keer legt hij de oorsprong van een gewoonte uit, de andere keer verklaart hij de naam van de stad, weer een andere keer vertelt hij iets over de geografische verschijnselen en hun ontstaan. Deze verklaringen worden aetiologieën genoemd (uit het Grieks: αἰτία = oorzaak).[2] Een goed voorbeeld van zo’n verklaring is de wedstrijd die de Argonauten tegen elkaar houden op het laatste eiland Aegina. Ze proberen hier namelijk om ter snelst water te halen, en dat is de oorsprong van een festival dat in de tijd van Apollonius nog steeds gevierd werd[3]. Voor deze aetiologieën werd Apollonius beïnvloed door zijn wat oudere tijdgenoot Callimachus (ca. 310-240) die het dichtwerk Aetia (Oorzaken) schreef. Daarvan zijn slechts fragmenten overgeleverd.

Maar ook op vlak van stijl heeft Callimachus een diepgaande invloed gehad op Apollonius Rhodius. Callimachus had namelijk een voorliefde voor korte en verfijnde poëzie in tegenstelling tot lange epen. De Argonautica is dan een poging van Apollonius om die korte, verfijnde stijl toch over te brengen naar het genre van epos, hoewel dit eigenlijk niet past voor dit genre. Hij doet dit door het langere verhaal op te delen in zeer veel kleine aparte scènes of episodes, waarin hij zoals eerder gezegd is, vaak gebruiken verklaart. M.M. DeForest[4] spreekt in dit verband van het verraad van het epos of van een Callimachisch epos, hoewel dit natuurlijk een subjectieve karakterisering is.

Een ander belangrijk kenmerk van de Argonautica zijn de voortdurende allusies op Homerus. Apollonius Rhodius was namelijk zeer goed bekend met Homerus, en zijn doelpubliek in Alexandrië was dat ook. Deze allusies bevinden zich enerzijds op het niveau van de woorden die Apollonius kiest: zo gebruikt hij Homerische woorden in nieuwe contexten om zo een extra betekenislaag te creëren[5]. Maar ze bevinden zich anderzijds ook op het niveau van de inhoud van het werk. Sommige passages in de Argonautica zijn zeer duidelijke allusies op de Ilias en de Odyssee. Zo is de beschrijving van de mantel van Jason een duidelijke allusie op de beschrijving van het schild van Achilles in de Ilias.[6] Maar naast de epen van Homerus hebben ook de vierde Pythische Ode van Pindarus en de Medea van Euripides duidelijk een invloed gehad op de taal en inhoud van de Argonautica.[2]

Karakterisering[bewerken | brontekst bewerken]

De karakterisering van Jason in de Argonautica is een zeer fel bediscussieerd thema. Hij is namelijk de held van het epos, en het is dus opvallend dat hij zeer weinig heldendaden verricht. Hij moet voortdurend steunen op de hulp van Medea en de andere Argonauten. Dit gebrek aan heldhaftigheid van de held is al op zeer veel manieren verklaard. Zanker[7] beargumenteert bijvoorbeeld dat Jason voor een nieuw eigentijds soort held staat, namelijk de held die de liefde begrijpt en respecteert. Klein[8] zegt dan weer dat de tegenstelling van Jason als held en anti-held een verwijzing is naar de filosofie van het scepticisme. Hunter[9] verklaart deze tegenstelling op zijn beurt door erop te wijzen dat deze niet zo heroïsche held eerder een product was van Apollonius’ voorliefde voor experimenteren dan een doel op zich. Het is dus duidelijk een onderwerp waarover geen volledige consensus bestaat.

Een ander problematisch personage is Medea. Apollonius beeldt haar aan de ene kant af, vooral in boek 3, als verliefde en onschuldige jonge prinses, waarbij hij veel aandacht besteedt aan de psychologische en de fysieke gevolgen van die liefde. Aan de andere kant beeldt hij haar ook af, vooral in boek 4, als een wrede en kwaadaardige heks. Hierdoor lijkt haar personage dus op het eerste zicht inconsistent en tegenstrijdig te zijn. Maar dit is eigenlijk niet het geval. Medea is namelijk altijd een heks, die in de passages waar ze als onschuldig jong meisje naar voor komt gewoon in de macht is van Eros, en dus niet kan doen wat ze zelf wilt. Ze zit immers vast in het plan van de goden, meer bepaald van Hera, die haar eerst nodig heeft als verliefd meisje om Jason te helpen, en daarna als heks om Pelias te straffen[10]. De schijnbare inconsistentie van het personage kan dus verklaard worden doordat de goden de mensen tegen hun wil tot bepaalde daden en zelfs gedachten kunnen dwingen.  

Invloed van de Argonautica[bewerken | brontekst bewerken]

In de 1e eeuw v.Chr. werd de Argonautica naar het Latijn vertaald door de Romeinse dichter Varro Atacinus. Deze vertaling had waarschijnlijk een grote invloed op Gaius Valerius Catullus toen hij zijn carmen 64 schreef. Ook had de Argonautica een grote invloed op VergiliusAeneis, meer bepaald op de beschrijving van de liefde tussen Dido en Aeneas. Op basis van die Aeneis en de Argonautica van Apollonius Rhodius schreef de Romeinse dichter Gaius Valerius Flaccus ruim een eeuw later dan weer zijn eigen Argonautica[2].

De eerste gedrukte uitgave van de Griekse tekst werd bezorgd door Janus Lascaris en verscheen in 1496 in Florence.[2]

Nederlandse vertaling[bewerken | brontekst bewerken]

  • Apollonius van Rhodos. De tocht van de Argonauten, metrisch vertaald uit het Grieks door Wolther Kassies, 1996, ISBN 9789025301699

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

Primair[bewerken | brontekst bewerken]

  • Race, W. H. (ed.) (2008). Argonautica. Apollonius Rhodius. LCL. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Secundair[bewerken | brontekst bewerken]

  • Barkhuizen, J. H. (1979). The psychological characterization of Medea in Apollonius of Rhodes, Argonautica 3,744-824. AClass, 12, 33-48.
  • Bracke, E. (2009). Of Metis and Magic : the Conceptual Transformations of Circe and Medea in Ancient Greek Poetry. (Doctoral dissertation, National University of Ireland Maynooth).
  • Bulloch, A. (2006). Jason's cloak. Hermes, 134.1, 46-68.
  • Cancik, H. et al. (2016.) Der Neue Pauly : Enzyklopädie Der Antike : Byzanz : Historisch-kulturwissenschaftliches Handbuch. Leiden.
  • DeForest, M. M. (1994). Apollonius' Argonautica: a Callimachean Epic. Leiden: Brill.
  • Glei, R. F. (2008). Outlines of Apollonian scholarship 1955-1999. In T. D. Papanghelis & A. Rengakos (edd.), Brill's Companion to Apollonius Rhodius. Leiden/Boston: Brill, 1-28.
  • Hunter, R. L. (1987). Medea's flight: the fourth book of the Argonautica. CQ, 37.1, 129-139.
  • Hunter, R. L. (1988). "Short on Heroics": Jason in the Argonautica. CQ, 38.2, 436-453.
  • Kahane, A. (1994). Callimachus, Apollonius, and the poetics of mud. TAPhA, 124, 121-133.
  • Klein, T. M. (1983). Apollonius’ Jason: hero and scoundrel. QUCC, 13.1, 115-126.
  • Stephens, S. (2008). Ptolemaic epic. In T. D. Papanghelis & A. Rengakos (edd.), Brill's companion to Apollonius Rhodius. Leiden/Boston: Brill, 95-114.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Race, W. H. (ed.) (2008). Argonautica. Apollonius Rhodius. LCL. Cambridge, MA: Harvard University Press.
  2. a b c d Cancik, H. et al. (2016.) Der Neue Pauly : Enzyklopädie Der Antike : Byzanz : Historisch-kulturwissenschaftliches Handbuch. Leiden. ad Apollonius.
  3. Stephens, S. (2008). Ptolemaic epic. In T. D. Papanghelis & A. Rengakos (edd.), Brill's companion to Apollonius Rhodius. Leiden/Boston: Brill, 95-114. p. 113.
  4. DeForest, M. M. (1994). Apollonius' Argonautica: a Callimachean Epic. Leiden: Brill. p. 8.
  5. Glei, R. F. (2008). Outlines of Apollonian scholarship 1955-1999. In T. D. Papanghelis & A. Rengakos (edd.), Brill's Companion to Apollonius Rhodius. Leiden/Boston: Brill, 1-28. p. 21.
  6. Bulloch, A. (2006). Jason's cloak. Hermes, 134.1, 46-68. p. 58.
  7. ZANKER, G. (1979). The Love Theme in Apollonius Rhodius’ Argonautica. Wiener Studien, 92, 52–75. geciteerd door Glei, R. F. (2008). Outlines of Apollonian scholarship 1955-1999. In T. D. Papanghelis & A. Rengakos (edd.), Brill's Companion to Apollonius Rhodius. Leiden/Boston: Brill, 1-28. p. 8.
  8. Klein, T. M. (1983). Apollonius’ Jason: hero and scoundrel. QUCC, 13.1, 115-126. p. 124.
  9. Hunter, R. L. (1988). "Short on Heroics": Jason in the Argonautica. CQ, 38.2, 436-453. geciteerd door Glei, R. F. (2008). Outlines of Apollonian scholarship 1955-1999. In T. D. Papanghelis & A. Rengakos (edd.), Brill's Companion to Apollonius Rhodius. Leiden/Boston: Brill, 1-28. p. 10.
  10. Bracke, E. (2009). Of Metis and Magic : the Conceptual Transformations of Circe and Medea in Ancient Greek Poetry. (Doctoral dissertation, National University of Ireland Maynooth). p. 23.