Argovisaurus

Argovisaurus is een geslacht van de Ichthyosauria, behorend tot de Thunnosauria, dat tijdens de middelste Jura leefde in het gebied van het huidige Zwitserland. De enige benoemde soort is Argovisaurus martafernandezi.
Vondst en naamgeving
[bewerken | brontekst bewerken]Rond het jaar 2000, in ieder geval vóór 2004, groef amateurpaleontoloog Elmar Meier in de oude Oberegg-groeve ten noorden van Auenstein in het kanton Aargau het skelet van een ichthyosauriër op. Het lag in het midden van de noordelijke helling van de groeve. In 2019 werd het stuk verkregen door PIMUZ, het Paläontologisches Institut und Museum van de Universiteit van Zürich. PIMUZ onderzocht de locatie daarop opnieuw en vond daarbij het rechterjukbeen en het rechterangulare. Het fossiel werd over de loop van drie jaren geprepareerd door Thomas Imhof en daarna aan verschillende scans onderworpen. Daarbij bleek het om een eerder onbekend taxon te gaan.
In 2024 werd de typesoort Argovisaurus martafernandezi benoemd en beschreven door de Nederlandse onderzoekers Feiko Miedema en Dylan Bastiaans en verder Torsten M. Scheyer, Christian Klug en Erin E. Maxwell. De geslachtsnaam is afgeleid van Argovia, de Latijnse (en Italiaanse en Raeto-Romaanse) naam voor Aargau. De soortaanduiding eert de Zuid-Amerikaanse paleontologe Marta Fernández, die veel zeereptielen in de middelste Jura beschreven heeft. Omdat de naam gepubliceerd werd in een elektronisch tijdschrift, zijn Life Science Identifiers nodig voor de geldigheid ervan. Deze zijn C3312628-1544-4B87-BBE3-B12346A30BE3 voor het geslacht en 23C2BD71-8CF0-4D99-848A-0D631518415B voor de soort.

Het holotype, PIMUZ A/III 5279, is gevonden in de onderste Acuminatalagen van de Hauptrogensteinformatie waarvan de ouderdom onzeker is maar die wellicht dateert uit het middelste tot laatste Bajocien ruwweg 170 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel. Het omvat het grootste deel van de bovenkaken en onderkaken, de botten rond de ogen, de wandbeenderen, de hersenpan, een deel van het verhemelte, veel wervels van de nek en romp, enkele wervels van de staart, de sleutelbeenderen, de interclavicula en vele ribben. Alleen de schedel en de voorste romp waren volledig geprepareerd; de achterste romp zat in 2024 nog in het gesteente vast. Veel elementen lagen min of meer in positie maar de wervels en ribben waren sterk verspreid geraakt. Het exemplaar is een van de meest volledige ichthyosauriërs uit de middelste Jura van Europa. Het betreft een volwassen individu.
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]
De oorspronkelijke lengte van het holotype is geschat op vierenhalf à zes meter. De schedel is 120 centimeter lang. Dat maakt Argovisaurus tot een van de grotere ichthyosauriërs van het midden van de Jura.
De beschrijvers stelden enkele onderscheidende kenmerken vast. Drie ervan zijn mogelijke autapomorfieën, unieke afgeleide (dus nieuwe) eigenschappen. Het supraoccipitale is in zijaanzicht horizontaal verlengd. De stapes, een staafvormig oorbeen, heeft een afstaand naar boven uitstekende facet als contact met het opisthoticum. Bij het quadratojugale is het raakfacet met het quadratum naar achteren gericht en evenwijdig aan de onderrand gelegen.
Verder is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. Het basioccipitale van het onderste achterhoofd heeft een gereduceerde zone rond de achterhoofdsknobbel. De elders pinvormige richel op het basioccipitale is gereduceerd en reikt niet verder naar voren dan het facet met het basisfenoïde. Het basioccipitale heeft een grote notochordale put. De processus basipterygoidei steken op het parabasisfenoïde schuin naar voren en bezijden. Het quadratum mist een duidelijke beenplaat naar het achterhoofd en heeft een klein hoekig uitsteeksel richting pterygoïde. De praemaxilla van de snuit en het dentarium van de voorste onderkaak wijken in bouw van elkaar af, waarbij de snuit een taps toelopende punt heeft en het dentarium een stompe punt; beide uiteinden hebben vooraan maar niet achteraan groeven in plaats van echte tandkassen zoals bij Temnodontosaurus trigonodon of Ophthalmosaurus icenicus. De praemaxilla eindigt achteraan in takken zowel boven als achter het neusgat, welke even lang zijn. Het jukbeen is weinig gekromd en heeft achteraan een brede beenplaat die schuin naar boven steekt. Het sleutelbeen heeft een brede plaat aan de binnenzijde en een kort uitsteeksel aan de achterzijde. De ribkoppen van de voorste rompribben zijn naar voren en boven verbonden door beenschorten. De ribben van de rug zijn rond, niet 8-vormig, in dwarsdoorsnede en hebben groeven in de onderste uiteinden.
Fylogenie
[bewerken | brontekst bewerken]Een exacte kladistische analyse vond Argovisaurus als zustertaxon van de Ophthalmosauria. Argovisaurus deelt twee synapomorfieën met de Ophthalmosauria, namelijk het missen van een verheffing op de middenlijn van het schedeldak en een bovenkaaksbeen dat het neusgat niet raakt, en de beschrijvers prefereren hem een basale ophthalmosauriër te noemen.
| |||||||
Levenswijze
[bewerken | brontekst bewerken]Argovisaurus was een viseter. De grote omvang, de robuuste snuit en de plaatsing van de voorste tanden lijken aanpassingen voor het vangen op open zee van vrij zwemmende nekton, in dit geval vermoedelijk relatief grote inktvissen op grotere diepte. Megateuthis en Lytoceras zijn in de lagen aangetroffen.
De achterste kaken, het schedeldak, sleutelbeenderen en ribben tonen bij het holotype verwondingen; in het geval van de ribben kennelijk ten gevolge van een beet.
Literatuur
[bewerken | brontekst bewerken]- (en) Miedema, Feiko, Bastiaans, Dylan, Scheyer, Torsten M., Klug, Christian, Maxwell, Erin E. (16 maart 2024). A large new Middle Jurassic ichthyosaur shows the importance of body size evolution in the origin of the Ophthalmosauria. BMC Ecology and Evolution 24 (1). ISSN:2730-7182. PMID: 38493100. PMC: 10944604. DOI:10.1186/s12862-024-02208-3.